The Project Gutenberg eBook of Zoo'n lastige jongen

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Zoo'n lastige jongen

Author: Grace Stebbing

Illustrator: Paul Hardy

Translator: Cora

Release date: November 24, 2025 [eBook #77312]

Language: Dutch

Original publication: Amsterdam: C. A. J. van Dishoeck, 1899

Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK ZOO'N LASTIGE JONGEN ***
[Inhoud]

Oorspronkelijke voorkant.

[Inhoud]

ZOO’N LASTIGE JONGEN!

[Inhoud]

LEIDEN: BOEKDRUKKERIJ VAN L. VAN NIFTERIK HZ.

[Inhoud]

Oorspronkelijke titelpagina.

ZOO’N LASTIGE JONGEN!

GEÏLLUSTREERD
GEAUTORISEERDE UITGAVE

AMSTERDAM
C. A. J. VAN DISHOECK
1899

[1]

[Inhoud]

I.

Wat Jo van zichzelf wist.

„Corrie! Toe, Corrie, luister eens even!”

En als ooit in een paar blauwe jongensoogen joligheid en ondeugendheid te lezen stonden, dan was dit stellig nu ’t geval met de jongensoogen, waarvan de kleine eigenaar Jo Holmer heette.

Met een twijfelachtige uitdrukking keek Corrie van haar werk op. „Ja, wat is er?” zei ze.

„O, Corrie, ik heb vandaag zoo iets aardigs gehoord, toen ik uit school kwam, iets erg aardigs, heusch.”

„Zoo! Wat was dat dan voor moois?”

„Wel, ergens voor een deur stond een vrouw, en die riep tegen een klein, vuil jongetje, dat in de goot speelde, en ze riep en riep almaar door, en ’t hielp [2]niks, de jongen kwam toch niet; en net toen ik vlak bij hem stond, weet-je wat ik hem toen hoorde zeggen—wat denk-je wel?”

„Ik ben er in ’t geheel niet benieuwd naar. ’t Zal wel iets ondeugends zijn geweest.”

„Nou ja, zie-je—” en Jo hield zijn hoofd een beetje op zij, alsof hij heel ernstig over de zaak nadacht;—„héél erg mooi was ’t nou niet, maar hij zei ’t op zoo’n grappige manier. „Hoe meer je me nou roept, hoe minder of ik kom.” Hij zei ’t niet brutaal, zie-je, maar je kunt je niet begrijpen hoe leuk of dat nou klonk.”

„Neen, dat kan ik me zeker niet begrijpen,” luidde het antwoord van een paar meisjeslippen, die haar uiterste best deden niet te glimlachen. ’t Was niet dat de woorden van den eenen ondeugenden kleinen jongen, aldus herhaald door een anderen ondeugenden kleinen jongen, op zichzelf zoo bijzonder komiek waren, volstrekt niet; maar de manier en de toon waarop ze werden geuit, en ’tgeen er werd bijgevoegd, dat alles te zamen maakte dat Jo’s zuster haar ernst moeilijk volkomen kon bewaren.

Vriend Jo kwam een eind verder de kamer in en bleef vlak voor zijn zuster staan, gebukt, en met een [3]paar niet heel zindelijke handjes op zijn knieën gedrukt. „Corrie—je weet niet hoe komiek je er uitziet, als je bijna lacht en niet wil lachen. Niet alleen je lippen trillen dan, maar ook een klein stukje van den eenen kant van je neus—Kijk—” met een kreet van verrukking—„daar heb-je ’t weer!”

De geplaagde Corrie stond op. „Ik zal je om je ooren slaan, Jo, werkelijk, hoor, als je niet uitscheidt.”

„Toe, doe ’t eens, Corrie! Je hebt al zoo dikwijls gezegd dat je ’t doen zou, en je hebt ’t nog nooit gedaan. Ik zou zoo graag eens probeeren of ik er iets van voelde.”

Juffrouw Corrie Holmer hief haar hand op en sloeg toe. En ze sloeg flink toe ook, te oordeelen naar het geluid dat er op volgde. Maar dat geluid werd niet veroorzaakt door de aanraking van Corrie’s hand met haar broer’s wang. Toen de gevraagde klap viel, had Jo onverwachts een houten „bat” van achter zijn rug voor den dag gehaald, en die als beschutting voor zijn oor gehouden; en in plaats dat hijzelf een kleur kreeg van den klap, zooals ieder allicht zou hebben verwacht, was ’t zijn zuster, op wier wangen zich een blos vertoonde, niet zoozeer van pijn, waarschijnlijk, als van ergernis. ’t Is dan ook allesbehalve pleizierig, als iemand [4]zelf als ’t middel wordt gebruikt om zich belachelijk te maken, vooral als de schuldige geen meer belangrijk personaadje is dan een kleine dreumes van negen jaar.

Corrie zette zich weer neer en boog zich haastig over haar breiwerk. „Ga weg, Jo. Je bent een heel ondeugende jongen, en ik spreek geen woord meer tegen je vóórdat je excuus hebt gevraagd.”

„Hè!” zei Jo, terwijl hij met een nadenkend gezicht op zijn „bat” neerzag. „Dat’s altijd zoo vervelend van meisjes. Ze zijn zoo héél anders als jongens. Toen ik laatst met Fred Mackenzie die grap uithaalde, probeerde hij dadelijk me een andere poets te bakken, en toen was ’t uit; maar als je met meisjes eens een grapje wil hebben, dan is ’t altijd dadelijk een geroep van „vraag me excuus”.”

„Ik zie er niet veel grappigs in, dat je me mijn hand laat zeer slaan op je „bat”,” luidde de eenigszins verontwaardigde tegenwerping. „En wat betreft dat een dreumes, zooals jij, iets zou weten van het onderscheid in karakter tusschen jongens en meisjes—wel, je weet niet eens iets van je eigen karakter tot nog toe.”

„O, zeker wel,” antwoordde Jo dadelijk. „Ik weet bijvoorbeeld van mezelf dat ik ’t afschuwelijk vind om iemand excuus te moeten vragen, of te zeggen dat [5]ik spijt van iets heb. Ik krijg net een gevoel alsof ik een—een—” met een uitdrukking van drift—„een ezel ben, als ik ’t doen moet.”

„Een wat?” riep Corrie uit. „Wat bedoel je toch?”

„O,” klonk ’t op meer kalmen toon—„ik krijg dan zoo’n lust om almaar te gaan schoppen, niet tegen iemand aan, zie-je, maar achteruit, zooals de ezels doen. Almaar door en almaar door, totdat ’t voorbij is.”

Corrie keek op. Op haar aardig, vriendelijk gezichtje was weer een glimlach te voorschijn gekomen. [6]

„Nu, klein ezeltje, als je ’t excuus vragen dan zóó’n leelijk, bitter drankje vindt, dan zal ik je voor dezen keer nog maar van ’t innemen er van vrijstellen. Maar ik vind, dat je toch wel beloven mag dat je me op een anderen keer niet meer zoo’n hard ding zult voorhouden om op te slaan, zeg!”

Jo dacht een oogenblik na.

„Och, zie-je, beloftes die je zoo lang moet houden, langer dan een heelen dag, dat zijn zulke nare dingen. Je moet er zoo vreeselijk lang aan denken. Toe, bedenk liever een belofte, waarmee ik zoo in eens klaar kan zijn.”

Corrie lachte. „’t Is waar, dat zou misschien veiliger wezen. Ik moet eens zien of ik iets bedenken kan, dat je niet zoo lang hoeft te onthouden.”

Maar Jo’s gedachten schenen vlugger te werken dan die van zijn zuster. „Ik ben er al,” klonk zijn uitroep. „Ik zal beloven dat ik nu dadelijk mijn handen heel netjes zal gaan wasschen en mijn haar zal borstelen, dan ben ik klaar om te eten, als jij dan wilt beloven dat je me een stuk van een verhaaltje vertelt, dadelijk als ik weer beneden kom, en de rest na ’t eten, of van avond.”

„Wel, heb ik ooit!” riep Corrie uit. „Is dat nu een manier van—” [7]

Maar ze werd in de rede gevallen door een vertrouwelijk: „’t Is in orde, hoor, ik zie wel dat je ’t doen wilt. Ik ben dadelijk weer terug.”

En toen werd de deur met een ruk geopend, en met een bons weer dichtgeslagen, en vriend Jo rende de trap op, een vroolijk liedje uitgalmende.

Corrie was op een na ’t oudste, en Jo ’t jongste kind van den heer en mevrouw Holmer. Er waren er vier. Willy, de oudste, twintig jaar oud, studeerde te Oxford; Corrie, haar moeder’s rechterhand en een flink, vroolijk, lief meisje, was even achttien. Dan volgde een meisje van veertien, dat in ’t buitenland op kostschool was. En ’t laatst kwam Jo, de kleine, lastige Jo. Want lastig was hij, dat zouden zijn ouders en zijn zusters hebben kunnen vertellen. Hij was tegelijkertijd de vreugde en de plaag van zijn liefhebbende bloedverwanten. Als ge aan Corrie hadt gevraagd of ze hem niet graag kwijt wou zijn, dan zou ze u met een uitdrukking van de grootste verbazing en verontwaardiging hebben aangekeken. Maar als vriend Jo zelf die vraag had gedaan, dan zou ze hoogstwaarschijnlijk hebben geantwoord:

„Of ik je graag kwijt zou willen zijn? Wel natuurlijk, heel graag, hoor! Wie zou zoo’n lastigen jongen niet graag kwijt zijn?” [8]

„Och,” zei Jo, op een dag, toen hij werkelijk zoo’n antwoord had gekregen. „’t Komt er eigenlijk niet zoo erg veel op aan, Cor, wat je er van vindt.”

„Waarom niet?” vroeg Corrie, met een zweem van ongerustheid in haar toon. „Wat bedoel je er mee, dat ’t er niet veel op aan komt wat ik er van vind?”

„Wel,” luidde ’t kalme antwoord, „als jij er heusch niet heel veel om geeft of ik bij je ben, dan geef ik er zóóveel om, om bij jou te zijn, dat er toch niks, niks geen kans is dat je me kunt kwijt raken; dus dat komt toch op ’t zelfde neer, is ’t niet?”

En de stevige omarming, die de vraag vergezelde, werd met een even warme omhelzing beantwoord, terwijl fluisterend de woorden weerklonken:

„Mijn beste kleine dreumes, ik zou je niet willen verkoopen voor een diamant, zoo groot als je eigen krullebol!” [9]

[Inhoud]

II.

Het meten van goten.

„Niet dat ik nu zooveel geef, dat weet je wel, Corrie—zoo echt en echt veel geef—om sprookjes; maar dat was toch nog al een slimme kleine jongen, vind ik, waar je van verteld hebt. Ik wou dat ik ’t het eerst had bedacht, dat plan van hem.”

„Welk plan?” vroeg Corrie, eenigszins verbaasd.

Maar vóórdat Jo die vraag kon beantwoorden, deed de stem van Mevrouw Holmer, die aan de tafel zat te schrijven, zich hooren.

„Kom, Jo,” riep ze, met een blik op de pendule. „’t Is meer dan tijd voor je. Als je je niet haast, zal je nog te laat op school komen, jongen.”

Jo vloog heen, en Corrie’s oogen richtten zich weer [10]op de bijna afgebreide kous, die voor haar broertje was bestemd. Maar op haar gezicht stond nog een uitdrukking van verwondering te lezen, en telkens en telkens weer probeerde ze voor zichzelf de vraag te beantwoorden, die ze aan Jo had gedaan, wat hij toch bedoelde omtrent ’t plan van dien kleinen jongen.

Terwijl Jo boven was geweest om zijn handen te wasschen en zijn haar te borstelen, had Corrie een deel van de sprookjes van Andersen opgenomen en de bladzijden doorloopen om een geschikt verhaaltje te bedenken. Maar ze had een beetje hoofdpijn, en haar verbeeldingskracht liet haar dezen keer heel en al in den steek. Haar broertje kwam terug, vóórdat ze iets had kunnen bedenken dat hem kon amuseeren, en ’t was in den tusschentijd al vrij laat geworden.

„Zeg eens, Jo,” waagde ze eindelijk voor te stellen, „als ik je nu eens een van de sprookjes uit dit boek voorlas, totdat de etensbel luidt, en als ik dan na het eten eens probeerde je iets uit mijn hoofd te vertellen, hoe zou je dat vinden?”

„’t Is goed,” luidde ’t antwoord van den jeugdigen gebieder, „voor dezen eenen keer kan ’t wel; maar dan moet je er op rekenen dat ik voor een anderen keer een echt, mooi verhaal van je te goed heb, hoor! Lees maar op!” [11]

En met den blonden krullebol op haar knie geleund, begon Juffrouw Holmer heel gehoorzaam „op te lezen”, ’t eerste ’t beste stuk uit het boek, dat zich toevallig voordeed. ’t Was het verhaal van den Vlierboom. Een kleine jongen krijgt natte voeten, door ’t loopen in een goot, hij vat kou, wordt naar bed gebracht, zijn moeder geeft hem warme vlierthee te drinken, en een oude vriend van de familie komt bij zijn bed zitten en vertelt hem verhaaltjes, totdat hij in slaap valt; en daarna droomt hij voor zichzelf verhalen, die nog vreemder en wonderlijker zijn dan wat ze hem hebben verteld.

„Een volkomen onschadelijk verhaaltje,” mompelde Corrie, op nadenkenden toon; „er is heelemaal niets in, dat Jo op de gedachte zou kunnen brengen van iets ondeugends.”

Maar hoewel Juffrouw Holmer dit in den loop van den namiddag telkens en telkens weer tot zichzelf zei, voelde ze zich toch door onrustige gedachten geplaagd, als in haar ooren de echo weerklonk van de woorden: „Dat was wel een slimme kleine jongen. Ik wou dat ik ’t het eerst had bedacht, dat plan van hem.”

In den regel hield Jo zich niet veel op met ’t maken van plannen, dan alleen in die gevallen dat ze met ’t een of ander kattekwaad in verband stonden. Toen hij na ’t [12]eten boven was gekomen, had hij aan zijn zuster meegedeeld dat ze wel met ’t sprookje kon doorgaan, omdat ’t hem zóóveel te denken had gegeven, dat hij geen ruimte meer in zijn hoofd had voor nieuwe gedachten. Maar Corrie had die mededeeling op rekening gesteld van zijn belangstelling in de reisavonturen, door den koning der sprookjes-schrijvers te boek gesteld. Om de waarheid te zeggen, had Jo daar nauwlijks naar geluisterd.

Tegen vier uur was de kous af, en Corrie legde haar breinaalden neer en nam op nieuw het sprookjesboek op.

„Ik zou denken dat Jo ’t plassen in de goot in zijn hoofd moet hebben gehad,” mompelde ze, met een angstig voorgevoel, nadat ze ’t heele verhaal nog eens had doorloopen, zonder één ander punt te vinden, waarbij van ondeugendheid sprake was. „Maar hij sprak van een plan, en ik zie in dat loopen door de goot niets, dat hem op de gedachte van een of ander plan kan hebben gebracht.”

’t Bleek intusschen dat de opinies van broer en zuster dienaangaande volstrekt niet overeenstemden.

Corrie legde ’t boek weer neer en liep naar het raam. Ze had daar nauwelijks twee minuten gestaan, eenigszins afgetrokken starende in den tuin en over de velden [13]in de verte, of die afgetrokken uitdrukking veranderde plotseling in een uitdrukking van verbazing en schrik.

„Dus was ’t toch de goot!” riep ze hardop uit, terwijl ze van ’t raam wegliep en de kamer uitvloog.

Mevrouw Holmer, die op de canapé zat te lezen, liet, door dien uitroep nu op haar beurt verschrikt, haar boek vallen, en snelde naar het raam, waar haar dochter zooeven van was weggeloopen. En al gauw genoeg begreep ze Corrie’s haast en opgewondenheid.

„Och! Och!” riep ze uit, niet recht wetende of ze [14]moest schreien of lachen. „Wat moeten we toch met zoo’n jongen beginnen?”

De heer en mevrouw Holmer en hun oudste dochter hadden een dergelijken uitroep al menigmaal doen hooren. En op dit oogenblik althans bestond tot ’t slaken van zulk een uitroep alle mogelijke reden. ’t Jongetje, dat daar op dien killen November-middag door den tuin naderde, zonder schoenen of kousen, van ’t hoofd tot de voeten één massa druipende modder, leverde waarlijk al een heel weinig fraaie vertooning op. En toch was er iets in zijn manier van loopen, en in de houding van den blonden krullebol, dat van triomf getuigde, zelfs vóórdat de schelle jongensstem den uitroep deed hooren:

„O, Corrie! Je raadt nooit wat ik gedaan heb!”

„Daar hoef ik niet naar te raden, jou vuile, morsige kleine vagebond,” viel zijn zuster, op verontwaardigden toon, in. „Je hebt van alles gedaan wat je niet hadt mogen doen, zou ik zeggen. En,” dit werd er op zachter toon bijgevoegd, „ik denk dat je morgen zóó verkouden zult zijn als een kleine jongen maar met mogelijkheid wezen kan.”

„Dat ’s niks,” luidde ’t wijsgeerige antwoord. „Ik heb vandaag zóóveel pret gehad, dat ’t me niet zoo erg veel schelen kan wat er morgen gebeurt. Ik heb de [15]diepte geprobeerd van elke goot aan dezen kant van de stad. Fred Mackenzie heeft ook een heelen tijd meegedaan, maar toen ik in een er van uitgleed, zei hij dat ik er te vuil uitzag om met me te loopen, en toen ging hij naar huis. Ik begin hem toch wel een beetje een flauwe jongen te vinden, jij ook niet?”

„Neen, zeker niet,” zei Corrie, terwijl ze de hand van haar broertje, modderig en wel, vastgreep, en hem gauw mee naar binnen trok.

De proefnemingen van vriend Jo hadden hem wel eenigszins koud en huiverig gemaakt, zoodat hij zich vrij geduldig aan de behandeling onderwierp, die door zijn moeder, dadelijk toen hij in huis kwam, werd voorgeschreven—onmiddellijk een warm bad, en daarna naar bed.

„En dan komt Corrie bij me zitten totdat ze gaat eten; dan kan ze me dat verhaaltje vertellen, dat ik nog te goed heb,” aldus vulde de kleine schuldige het programma aan, zonder zich door zijn misdaden eenigszins uit ’t veld geslagen te voelen.

„Maar ik vind dat Corrie toch niet zeggen mag dat ’t iets héél ondeugends was, vindt u wel, Pa?” vroeg Jo, op een toon van diepe overtuiging, toen zijn vader een uur later boven kwam, om eens naar den kleinen lastpost der familie te kijken. [16]

„U hebt zelf zoo dikwijls tegen me gezegd, Pa, dat we, zelfs als we spelen, flink moeten zijn en ons best moeten doen; en wat ik wou weten van die goten vond ik zoo’n prettig spel als ik in lang niet heb gehad, en daarom deed ik er zoo mijn best bij als ik maar kon.”

„Dat schijnt wel,” zei zijn vader, en toen barstte hij in lachen uit. Hij was naar boven gegaan om zijn zoon een ernstige vermaning toe te dienen, maar hoe was ’t hem mogelijk een jongen te beknorren, die nog lof verwachtte voor zijn betoon van gehoorzaamheid, zelfs nu hij zichzelf en zijn kleeren een modderbad had doen ondergaan?

„Maar wat was eigenlijk de aardigheid van ’t spelletje?” vroeg Mevrouw Holmer. „Want ik moet bekennen dat ik de zaak nog niet recht begrijp.”

„Ja,” voegde Corrie er bij, „en hoe liep je zoo zonder schoenen en kousen?”

Hier kwam zijn moeder hem te hulp. „Och, zie je, Corrie, dát begrijp ik nu wel. Natuurlijk heeft hij die uitgetrokken om ze niet nat te laten worden.”

„Maar ze zitten tóch vol modder,” bracht Corrie tegen deze opvatting van de zaak in.

„Natuurlijk zitten ze vol modder,” riep Jo, weer [17]verontwaardigd, uit. „Och, ik merk wel dat niemand de manier waarop ik ’t gedaan heb begrijpt. ’t Was alleen maar jammer dat die kleine jongen uit ’t sprookjesboek ’t plan had uitgevonden, want papa zei laatst dat er niet veel knapheid voor noodig is om een uitvinding, die eenmaal gedaan is, nog een beetje te verbeteren. Hij bedacht ’t plan om met zijn schoenen te meten hoe diep de goot was, en ik meette met mijn schoenen en mijn kousen en mijn eigen beenen. Eerst meette ik met mijn schoenen, en toen ik aan een goot kwam, die daar te diep voor was, trok ik ze uit en meette alleen met mijn kousen aan. En toen ik aan de goot kwam bij den hoek, die groote steenen, je weet wel, toen kwam ’t water tot boven mijn kousen, dus toen trok ik ze uit en merkte met krijt een streep op mijn been, en toen gleed ik over iets uit en ik viel er in; dus van dat merk kon je niks meer zien, en toen ik er daarna nog twee had geprobeerd, ben ik naar huis gegaan. Maar de merken zitten nog op een van mijn schoenen en op een van mijn kousen; en de steenen goot is de diepste, en daarop volgt die bij de brug, en de goot in die zijstraat, hier achter, is de vuilste.”

„En de jongen, die Jo Holmer heet, is de kluchtigste,” zei zijn vader lachend, „en de domste er bij; en ik hoop [18]dat hij een volgenden keer, als hij goten wil meten, zoo slim zal wezen ’t te doen met een stok, in plaats van met zichzelf, anders zou hij kans loopen den stok eens op zijn rug te voelen, om hem er aan te herinneren.”

„Hé! Daar heb ik in ’t geheel niet aan gedacht, aan een stok!” riep Jo, met nieuwe opgewondenheid, uit. „Hoe dom van me! ik heb er in ’t geheel niet aan gedacht!”

„Denk er dan nu, in vredesnaam, ook maar niet meer aan,” zei zijn moeder haastig, terwijl een visioen van nieuwe proefnemingen in den modder, met verkoudheden tot slot, in haar geest oprees.

Maar de heer Holmer ging naar beneden om te eten, met een glimlach op ’t gelaat. Zijn jongste kind was bepaald een heel lastige jongen; maar ’t leek zoo’n vroolijk, door en door eerlijk kereltje, zooals hij daar, met verwarden krullebol en frissche roode wangen, in bed overeind zat. Wat hij ook deed, hij deed ’t in ’t volle daglicht.

Mevrouw Holmer bleef een oogenblik achter om haar jongen nog eens goed in te stoppen en hem, met een kus, een paar vriendelijke woorden toe te fluisteren. Corrie bleef nog een oogenblik langer, nadat haar mama al was heengegaan. Ook zij bukte zich om het blozende jongensgezichtje een kus te geven, maar ze deed ’t heel bedaard en zonder een woord te zeggen, [19]en toen keerde ze zich om, om de kamer uit te gaan.

In ’t volgende oogenblik, zonder zich om ingestopte dekens en voorschriften om zich warm te houden te bekommeren, was Jo opgesprongen en had hij zijn armen om zijn zuster’s hals geslagen.

„Corrie, zeg eens, je bent toch niet boos, echt boos op me? Je vindt toch niet dat ik héél erg ondeugend ben geweest, is ’t wel?”

Er klonk oprechte ernst in den toon waarop die vraag werd gedaan, oprecht, onrustig verlangen naar een antwoord. Wat kon Corrie zeggen? Ze aarzelde een oogenblik. Ze wist zelf nauwlijks of ’t héél erg ondeugend was goten te meten en modderbaden te nemen, en onder de oogen van alle mogelijke fatsoenlijke menschen op bloote voeten naar huis te loopen. Eindelijk gaf ze hem een tweeden kus en zei: „Toe, doe ’t niet meer, kleine vent; je zou er ziek van kunnen worden; en als je nu je best doet om morgen niet verkouden te zijn, dan zal ik je een mooi verhaaltje vertellen.” Toen stopte ze, op haar beurt, hem flink toe, terwijl ze hem influisterde: „Slaap lekker, beste jongen,” en toen ging ook zij naar beneden om te eten. Jo deed zijn oogen dicht en sliep weldra als een roos. [20]

[Inhoud]

III.

„Wat nu weer!”

’t Was in de eerste dagen van December. De heer en mevrouw Holmer waren uitgereden om den dag door te brengen bij een paar oude vrienden, die pas daar in de buurt waren komen wonen, en Corrie had afgesproken met een goede vriendin dat ze dien middag bij haar zou komen. Ze had toestemming gekregen Jo mee te brengen, daar ’t een Woensdag middag was; en ze stelde zich voor na ’t eten, dat ze dien dag heel vroeg te zamen hadden gebruikt, eerst nog een paar brieven te schrijven, vóórdat ze hem het pretje meedeelde, dat hem te wachten stond, want hij hield van de aardige, vroolijke Florence Elmslie bijna evenveel als Corrie zelf. [21]

„Probeer je nu in huis maar eens een uurtje te amuseeren met ’t een of ander, hoor Jo,” zei ze, terwijl ze zich gereedmaakte de eetkamer te verlaten: „en als je goed oppast, dan wacht je voor de rest van den dag een heerlijk pretje.”

Jo’s oogen schitterden. Bijna elke halve vacantie-dag werd voor hem tot een soort van feest gemaakt, maar natuurlijk bestonden die pretjes gewoonlijk uit zaken van weinig beteekenis: toestemming om den tuinman bij ’t rooien van aardappelen te helpen, of om zijn vader van ’t station af te halen, en dan de leidsels te mogen vasthouden bij ’t naar huis rijden. Maar dit was blijkbaar iets van meer gewicht. Hij snelde naar zijn zuster toe, en greep haar bij den arm toen ze de kamer verliet.

„Bedoel je werkelijk iets heel, heel erg prettigs?” vroeg hij, met grooten ernst.

„Werkelijk iets heel, heel erg prettigs, als je goed oppast,” luidde ’t lachende antwoord; en toen ging Juffrouw Holmer heen om haar brieven te schrijven, terwijl haar broertje naar de eetkamer terugkeerde, waar hij gedurende eenige oogenblikken in gedachten verdiept bleef staan.

„Wees nu een zoete jongen vandaag, en maak ’t je [22]zuster niet lastiger dan noodig is,” had zijn moeder gezegd, toen hij dien morgen naar school ging. En nu beloofde Corrie hem een belooning, als hij goed oppaste.

Alles bij elkaar was ’t bepaald de moeite waard nu eens te probeeren iets heel, heel prijzenwaardigs te doen. Als hij zich had neergezet met zijn verfdoos om prenten te kleuren, of hij was kalm wat in een verhaaltjes-boek gaan zitten lezen, dan zou zijn zuster hem een bijzonder zoete jongen hebben gevonden, aangenomen ten minste dat hij niet een boek van iemand anders had genomen om te kleuren, of een boek van iemand anders om vlekjes van vuile vingers in te maken. Maar deze manier van goed oppassen was niet voldoende om de verlangens van kleine Jo op dat oogenblik te bevredigen. Eindelijk viel hem een denkbeeld in. Een prachtig denkbeeld, vond hij.

„Ik ben er,” riep hij uit, terwijl hij een soort van oorlogsdans begon te dansen om de meid heen, die juist binnen was gekomen om de tafel af te nemen. „Ik ben er, Anne. Ik heb iets heel moois bedacht!”

Anne gaf hem een ongeduldig duwtje.

„Kom, Jo, laat me los; ik heb vandaag toch al zóóveel te doen, dat ik niet weet hoe ik ’t gedaan krijg.”

„Arme Anne,” zei Jo, op een toon van medelijden. [23]„Maar je krijgt de volgende week een vrijen dag, hoor, dat heb ik mama hooren zeggen.”

En na ’t uiten van die vertrouwelijke mededeeling snelde Jo de gang door en draaide den deurknop om van een groote kamer aan ’t eind. ’t Volgende oogenblik stond hij binnen, met de deur achter zich dicht. ’t Was geen kamer waar hij zich in den regel heel veel om bekommerde, want ’t was zijn vader’s bibliotheek; en de eikenhouten paneelen, de lange rijen boeken, de zware meubelen, dat alles te zamen maakte een indruk van ontzagwekkendheid, dat voor vriend Jo altijd eenigszins drukkend was. Bovendien had hij een vrij duidelijk besef, dat de levenmakerijen en rumoerige grappen, die elders met geduld werden verdragen, binnen die geleerde muren niet zouden worden toegestaan.

Maar dien dag was ’t Jo’s wensch eens buitengewoon ijverig te zijn en goed op te passen, en zijn ijver en oppassendheid aan te wenden in den dienst van anderen. Met dat doel voor oogen had hij zich naar de bibliotheek begeven. Had Corrie maar geweten waar hij was, dan zou ze stellig niet zoo rustig zijn voortgegaan met ’t schrijven van haar brieven!

’t Eerste werk van Jo was naar zijn vader’s schrijftafel [24]te gaan en een vel postpapier, van ’t grootste formaat dat hij vinden kon, daarop uit te spreiden; daarna doopte hij een pen héél diep in den inktkoker, en schreef op ’t papier, in groote, ronde letters, met eenige inktvlekken als versiering er tusschen in, het woord

Kaataalooges.”

Tot zoover ging alles best, naar Jo’s meening althans. „Wat zal papa dát prettig vinden,” mompelde hij, met een stralend gezicht. „Hij heeft al zoo dikwijls gezegd dat hij er graag een wou hebben.”

’t Was waar, papa hád meer dan eens gezegd dat hij toch eens een catalogus moest laten opmaken van zijn boeken. Maar hij zou er heel wat liever nimmer een hebben bezeten, dan aan de handen van zijn zoontje dat werk toe te vertrouwen. Dit feit was echter aan Jo onbekend; en ’t gevoel van onbegrensde voldoening, dat hem in ’t eerstvolgende uur bezielde, bewees dat hij er niets van vermoedde.

„Eerst al de A’s, en dan al de B’s, en zoo verder,” zei Jo, met een heel zwaarwichtig gezicht. „Dus nu eerst maar al de A’s voor den dag gehaald!”

Een half dozijn boeken werden uit de kast getrokken en op een stoel gelegd, die er voor was klaargezet. Er was geen enkele A bij te vinden. Weer een half [25]dozijn, met ’t zelfde resultaat. Jo wachtte een oogenblik.

„Stil, ik weet wat. Ik ga er eerst een heelen troep tegelijk uithalen en ze hier ergens neerleggen, dan kan ik daarna naar de letters kijken.”

Zoo gezegd, zoo gedaan. Aan dat prachtige denkbeeld werd onmiddellijk uitvoering gegeven. Vriend Jo zette ’t kleine trapleertje voor de kast, klom er op en begon zooveel boeken te grijpen als hij maar grijpen kon. Bij de onderste planken ging dat tamelijk goed, maar toen hij eenige van de hooger staande boeken wegpakte, tuimelden er een stuk of wat naar beneden, op minder zachte manier dan wel gewenscht was.

Bladz. 25. Vriend Jo begon zooveel boeken te grijpen als hij maar grijpen kon.

Bladz. 25. Vriend Jo begon zooveel boeken te grijpen als hij maar grijpen kon.

„Maar och,” zooals Jo wijsgeerig opmerkte, „wat hinderden een paar losgeraakte omslagen, of een gescheurde bladzijde hier of daar, op zóó’n groote massa boeken?” Hij schrikte een beetje, toen een groote verraderlijke inktvlek juist op het titelblad viel van een in fluweel gebonden deel, dat hij naar de tafel had gedragen om er den naam van op te schrijven. Maar zelfs die opwelling van onrust verdween aanstonds bij de gedachte: „Als een ander dat werk had gedaan, ’t maken van zoo’n kaataalooges, dan zou hij toch ook wel een beetje met inkt hebben gemorst.”

’t Is bepaald verwonderlijk welk een grenzenlooze [26]wanorde een sterke, ijverige jongen binnen den tijd van anderhalf uur in een kamer maken kan. Niemand zou ’t kunnen gelooven, die er nooit de proef van had zien nemen. Zelfs Corrie Holmer zou ’t niet hebben geloofd voordat ze ’t zelf ontdekte, en toch was zij wel eenigszins op de hoogte van ’tgeen een jongen op dat gebied kan uitrichten.

Juffrouw Holmer had heel wat te schrijven, o. a. lagen er een paar lange brieven van vroegere schoolvriendinnen vóór haar, waarvan ’t beantwoorden nog al wat tijd kostte. En daar Florence Elmslie hen niet voor vier uur wachtte, en Jo in een ongewoon rustige stemming scheen te verkeeren, bleef Juffrouw Holmer langer doorschrijven dan haar plan was geweest, totdat er eindelijk een heel stapeltje brieven naast haar gereed lag, die ze straks, als ze uitging, op de post wilde doen.

Eindelijk stond ze op, en terwijl ze even met haar hand over haar vermoeide oogen streek, kwam er voor de eerste maal een lichte zweem van ongerustheid in haar op, betreffende ’t ongewone feit, dat haar jeugdige broer zich in geen tijden had laten zien of hooren. Na haastig haar schrijfcassette te hebben gesloten, liep ze naar de zitkamer en riep:

„Johan—zeg, Jo—waar ben-je? Ik wou je iets [27]vertellen. Waar ben-je, Jo?” en toen liep ze de trap op, waar ze haar geroep herhaalde.

Maar waar hij dan ook wezen mocht, er volgde geen antwoord. De lichte zweem van ongerustheid werd aanmerkelijk grooter.

„Anne, kan je me ook zeggen waar Jo is?”

„Neen, juffrouw, ik heb hem in ’t geheel niet meer gezien sinds hij uit de eetkamer wegliep, terwijl ik de tafel afnam, en dat is heel wat langer dan een uur geleden.”

Corrie’s ongerustheid werd hoe langer hoe grooter. Tot heel boven in huis liep ze om haar broertje te zoeken, maar te vergeefs. Toen snelde ze den tuin in, tot aan den vijver aan ’t eind, waar hij een half jaar geleden bijna verdronken was. Haar hart hield op te kloppen, toen ze zag dat er een dun laagje ijs bovenop lag. Maar ’t volgende oogenblik voelde ze zich al gerustgesteld, want de ijslaag was te dun om zelfs zijn op waaghalzerijen belusten geest in verzoeking te brengen. Bovendien was het ijs volkomen gaaf en heel, en de eerste aanraking van zijn voet zou ’t hebben doen breken, en tevens het feit hebben verraden.

Intusschen ging Jo, zonder aan den tijd te denken, zonder zelfs meer te denken aan ’t beloofde pretje, ter [28]wille waarvan hij zoo druk bezig was, vol belangstelling en ijver voort met zijn arbeid. Terwijl hij allerlei boeken, door elkaar, van de verschillende planken en uit verschillende gedeelten van de kamer weghaalde, had hij een prachtig plan verzonnen. Hij had nu stapels A’s en B’s gevonden, en had één of twee titels opgeschreven. Maar over ’t geheel had hij zich tevreden gesteld met verschillende stapels te maken van deelen, waarvan de titels met denzelfden letter begonnen, omdat hij tot ’t besluit was gekomen, dat ’t opschrijven zelf maar liever door iemand anders moest worden gedaan, die van ’t hanteeren van stalen pennen meer handigheid had dan hij. De iemand anders, aan wie hij dacht, was thans heel dicht in zijn nabijheid.

Nadat ze haar broertje gezocht had, op alle mogelijke en onmogelijke plaatsen die ze kon bedenken, richtte Corrie eindelijk, met looden schoenen en een angstig hart, haar schreden naar de bibliotheek. Ze begon zich langzamerhand op een treurige manier overtuigd te voelen, dat ze hem niet zoo lang aan zijn eigen lot had moeten overlaten. Ze draaide den deurknop van de bibliotheek om met bevende hand, nauwlijks zelf wetende of ze hem daar hoopte te vinden of niet. Was hij daar niet, dan moest hij met schoolkameraadjes zijn [29]weggeloopen, en stellig en zeker zou hij dan iets ondeugends hebben uitgevoerd, ja, misschien op de een of andere manier zich in gevaar hebben gebracht, op dien korten, donkeren wintermiddag. Maar als hij wèl in de bibliotheek was, ook dan moest hij, dat was ontwijfelbaar zeker, iets ondeugends hebben uitgevoerd, want hij kon zich in die kamer nauwelijks bewegen zonder op de een of andere manier wanorde aan te richten.

Nog één oogenblik, zelfs terwijl haar vingers den knop al omsloten, bleef ze wachten. Toen deed ze de deur open, en bleef, sprakeloos van ontsteltenis, staan.

Van uit een dichte stofwolk, die in de kamer hing en Corrie’s oogen verduisterde, klonk haar een juichkreet te gemoet. „O! Cor, ben-jij daar? Dat doet me plezier. Ik had je net willen komen halen. Ik heb er al zoo’n massa bij mekaar die je op kunt schrijven. Kom gauw hier!”

Corrie kwam, over allerlei voorwerpen strompelend en struikelend, als liep ze over een pas beploegd veld. Ze kwam tot in ’t midden van de kamer, waar Jo, van ’t hoofd tot de voeten met stof bedekt, op den grond geknield lag en steeds meer boeken opstapelde. Ze keek hem één oogenblik aan; daarna wierp ze een blik door de kamer, op de volgeladen tafels en stoelen, [30]de half leeggehaalde kasten, en den geheel met boeken overdekten vloer; toen keek ze Jo weer aan, en toen liet ook zij zich, tot zijn grenzenlooze verbazing en schrik, op den grond neerzinken en barstte ze in tranen uit.

Jo liet het boek vallen dat hij in de hand hield, en liep, met een heel verschrikt gezicht, naar haar toe, daarbij een paar hooge stapels boeken omvergooiende, die hem in den weg stonden.

„O, Corrie, wat is er? Ben-je ziek? Toe, zeg ’t me, wat is er?” [31]

En terwijl hij bij haar neerknielde, trachtte hij zijn armen om haar hals te slaan; maar Corrie weerde hem af.

„Ga weg, Jo, ga weg,” snikte ze. „Och, och, ondeugende jongen, had ik je toch maar niet alleen gelaten!”

Met een blos van verontwaardiging op ’t gelaat sprong Jo overeind.

„Maar, Cor, wat bedoel-je? Ik heb vandaag nu toch niets ondeugends gedaan; ik heb zoo hard gewerkt als een man, alleen maar om papa met iets plezier te doen.”

Nu sprong ook Corrie overeind.

„Plezier te doen!” riep ze uit. „Bedoel je dat je papa hiermee plezier hadt willen doen!”

Met een gebaar van verontwaardiging en wanhoop sloeg ze haar beide handen uit naar al de vier hoeken van de kamer, en Jo, die zich omkeerde evenals zijn zuster, nam voor de eerste maal het geheele tooneel van verwarring in zich op. De uitdrukking van zelfvertrouwen verdween van zijn gezicht, en maakte plaats voor een uitdrukking van de diepste verslagenheid.

„Ik wist niet dat ik zóó’n ergen rommel had gemaakt,” zei hij eindelijk. „Maar—zie-je, Cor, zoo heel veel tijd heb ik er niet voor noodig gehad, dus zal ’t ook wel [32]weer gauw in orde te krijgen zijn, vooral als jij me wilt helpen.”

„Helpen,” herhaalde Corrie werktuigelijk. Ze was weer op den vloer gaan zitten en bekeek een der hoopen boeken, die door Jo’s voeten zoo pas door elkaar waren gegooid.

„Neen maar, kijk toch eens, de rug van dat mooie boek is heelenal kapot, en ’t titelblad zit vol vlekken van vuile vingers. Och, och, wat moeten we toch beginnen?”

Jo gaf een practisch antwoord op die vraag.

„De boeken weer op z’n plaats zetten, zou ik zeggen,” zei hij, met een diepen zucht. „Ik zou wel graag eens weten, Cor, wat dat voor een pretje was, dat je me hadt beloofd?”

Door haar schrik over den toestand van haar vader’s bibliotheek, had Corrie haar afspraak voor dien middag heelenal vergeten.

„O ja!” zei ze, toen ze er op die wijze door Jo aan werd herinnerd. „Ik weet niet of ik ’t je kan toevertrouwen om even naar Florence Elmslie te loopen, en haar te zeggen dat we vandaag niet kunnen komen; ze wachtte ons om bij haar thee te drinken.”

„O—o—o!” riep Jo uit, met een héél lang gezicht, en op een toon van groote teleurstelling. [33]

Nu wist hij welk pretje ’t was, waarvoor hij met zulk een verkeerd toegepasten ijver aan ’t werk was geweest, en hij wist ook—gedurende de laatste vijf minuten had hij dit al duidelijker en duidelijker ingezien—dat er voor hem en zijn zuster dien dag geen tijd zou overblijven om uit te gaan, als gevolg van ’t geen hij in het laatste uur had uitgericht.

„Kunnen de meiden”—begon hij. Maar hij bleef midden in die vraag steken, omdat hij dadelijk het onnoodige er van inzag.

De keuken- en de werkmeid, die zusters waren, hadden een halven vacantie-dag gekregen en waren dus uit, en het half volleerde dagmeisje, Anne, was tot nog toe nooit in haar meester’s bibliotheek toegelaten, zelfs niet om er te vegen of te stoffen, veel minder om een van de boeken in handen te nemen.

„Wat was je toch van plan met die boeken te gaan uitvoeren—er een vuurtje van te stoken?” vroeg Corrie eindelijk, met een zwakke poging om op haar gelaat een glimlach te voorschijn te roepen.

Maar Jo voelde volstrekt geen neiging om ook te glimlachen, toen hij antwoordde:

„Ik heb je al gezegd, Corrie, dat ik een kaataalooges wou maken voor papa. Papa heeft gisteren nog tegen [34]mama gezegd dat hij er zoo graag een wou hebben.”

Terwijl hij praatte, sloeg ’t vier uur. Corrie nam haar door en door vuil broertje bij de hand en bracht hem naar de keuken; en toen ze hem daar voldoende had gewasschen en afgeschuierd, om op straat te kunnen loopen, zonder de aandacht te trekken van al de andere vuile en zindelijke jongetjes in de stad, zond ze hem naar de Elmslies. Daarna keerde ze, in gezelschap van de, door ’t gebeurde zeer verschrikte Anne, en gewapend met een heele armvol stofdoeken, naar de in wanorde gebrachte bibliotheek terug.

„Maar, juffrouw, juffrouw!” riep Anne uit, toen ze de kamer, waarin ze nog nooit een voet had mogen zetten, binnentraden. „Och, och, wat zal menheer daar wel van zeggen? Zoo’n jongen is toch nooit alleen vertrouwd, juffrouw!”

„Neen, dat is hij niet,” zuchtte Corrie, terwijl ze de boeken begon op te rapen, en pogingen begon aan te wenden om weer eenige orde in den chaos te brengen. [35]

[Inhoud]

IV.

Boete.

Gewoonlijk maken de dingen zoo’n geheel verschillenden indruk, op verschillende menschen, en onder verschillende omstandigheden. Toen Corrie Holmer kort na half vier de bibliotheek was binnengetreden om haar broertje te zoeken, vond ze dat die kamer ’t naarste, meest ontmoedigende schouwspel opleverde, dat ze ooit in haar leven had gezien. En toen Florence Elmslie er omstreeks half vijf binnentrad, met Jo aan de hand, zei ze, op opgewekten toon, en met een vroolijke tinteling in haar grijze oogen:

„O, hoe kluchtig!”

„Noem-je dat kluchtig?” zei Corrie, met een uitdrukking van groote neerslachtigheid in haar stem. „Ik [36]noem ’t heel, heel goed en vriendelijk van je om hier te komen en ons te helpen in onze ellende, maar ik zie volstrekt niet in dat een totaal bedorven middag iets kluchtigs kan hebben.”

De arme, geplaagde, verdrietige, teleurgestelde Corrie sprak op zóó’n treurigen toon, dat Jo zich eindelijk totaal overwonnen voelde. Hij trok zijn hand uit die van Juffrouw Elmslie, en, om zijn gezicht te verbergen, bukte hij zich en begon Anne te helpen met ’t oprapen van de boeken, die hij over den grond had verspreid. Weldra was Jo de éénige werkelijk verdrietige persoon in de kamer, want in ’t gezelschap en met de hulp van haar opgewekte, vroolijke vriendin, en nu ’t gas was aangestoken en in den haard een lekker vuurtje brandde, begon Corrie al heel gauw haar gewone opgeruimdheid terug te krijgen, en handig en vlug te doen wat ze kon om alles weer in orde te brengen.

Bij slot van rekening, al werd ’t dan ook algemeen als zeker aangenomen dat de heer Holmer ’t meest van zijn boeken hield, na zijn vrouw en kinderen, toch was dit in elk geval maar na hen, en met een heel groote ruimte er tusschen. Er bestond dan ook heel weinig kans, al waren de omslagen van een half dozijn deelen losgeraakt, en van een paar andere de bladen [37]of ruggen gescheurd, dat de heer Holmer vriend Jo daarom tot een achtdaagsch verblijf in ’t kolenhok, of voor een maand tot de water-en-brood straf zou veroordeelen, of dat hij op Corrie zelf heel ernstig boos zou wezen, omdat ze den kleinen man zoo lang alleen had gelaten en hem daardoor voor dit nieuwe staaltje van ondeugendheid gelegenheid had gegeven.

En wat de stof en de wanorde betrof, het jeugdige dagmeisje Anne openbaarde, nu de nood aan den man was, meer vlugheid en handigheid dan waartoe ze zichzelf ooit in staat zou hebben geacht. Toen ’t tegen half zeven liep, liet de toestand van ’t geheel zoo weinig meer te wenschen over, dat Corrie verklaarde, dat zij en Juffrouw Elmslie de rest nu wel in orde konden brengen; en ze zond Anne dus heen om voor ’t theemaal van hen allen te zorgen, en zei tegen Jo dat hij zich boven wat moest gaan opknappen.

Jo kwam naar haar toe, terwijl ze op ’t trapleertje stond voor een der kasten, waarin de boeken alle weer netjes op een rij waren neergezet.

„Weet-je zeker dat ik niets meer doen kan om je te helpen, Corrie—heelemaal zeker?”

„Heelemaal zeker, Jo. Loop nu maar gauw heen, en knap je wat op, en borstel je haar eens flink.” [38]

„Ja, Corrie.” Maar Jo bleef nog eenige oogenblikken naast het trapje staan talmen, totdat zijn zuster er af kwam. Toen fluisterde hij gauw: „Geef me een kus, Corrie.”

„Wel twee, als je wilt, jou kleine, lastige jongen,” luidde ’t glimlachend geuite antwoord, terwijl de beide kussen werden gegeven.

„Zoo’n arme kleine man, hij is er bepaald heelemaal van terneergeslagen! Hij kijkt zoo ernstig als een rechter,” [39]zei Corrie, toen de deur achter hem dicht was.

Juffrouw Elmslie glimlachte.

„Ja. Ik heb hem nog nooit zoo’n diep ongelukkig gezicht zien zetten, als toen hij me kwam vertellen in wat voor ongelegenheid zijn ijver om iets nuttigs te willen doen hem had gebracht. Maar hij zal na ’t thee-uur wel anders kijken, dat zal je eens zien!”

„O, maar dat moet ook,” zei Corrie, heel beslist. „Ik zou niet kunnen hebben dat die arme kleine Jo zoo’n verdrietig gezicht bleef zetten, al moest ik ook den heelen nacht opzitten en hem vertelseltjes vertellen, om ’t te beletten. Zeg, als je er niet om geeft, laat ik je een oogenblikje alleen werken, dan loop ik even heen om wat haast te laten maken met de thee, en ’t een en ander te krijgen wat we noodig hebben. We zijn zooveel later dan anders, dus ik denk haast dat ’t gedeeltelijk door honger komt dat hij er zoo ongelukkig uitziet.”

De bibliotheek had nu weer een vrij ordelijk aanzien, en medelijden met den kleinen schuldige was bij zijn zuster nu het meest overwegende gevoel geworden. ’t Was meer om zijnentwil dan terwille van de gast, dat er tweeërlei soort van jam en een extra schaaltje koekjes op tafel werd gezet. In den tusschentijd waren [40]Jo’s toebereidselen voor het maal van zeer bijzonderen aard.

Toen hij in zijn eigen kamertje was gekomen, begon hij, naar ’t voorschrift van zijn zuster, met grooten ijver zijn gezicht en zijn handen te wasschen, en zijn haar te borstelen, maar toen dat was afgeloopen, haalde hij zijn nachtgoed van onder zijn kussen te voorschijn, en begon hij zich uit te kleeden om naar bed te gaan.

Die bezigheid was zelfs nog gauwer afgeloopen dan met de andere ’t geval was geweest; en toen viel Jo op zijn knieën neer voor zijn ledikantje, en met één droevigen snik barstte hij uit—„Och, och! ik zou toch zoo graag willen, lieve Heer, dat u me wou leeren wat ik doen moet, om de menschen plezier te doen en ze ’t niet altijd lastig te maken. En zegen alsjeblieft onze Cor, en maak dat ik een goede jongen word.—”

Na die uitbarsting volgde er een korte pauze; Jo legde zijn wang een oogenblik tegen den deken aan. De kamer was heelemaal donker; er was niemand die ’t zien kon, toen er een paar tranen langs zijn pas gewasschen wangen rolden. Eindelijk stond hij uit zijn knielende houding op, in zichzelf mompelend:

„Zoo kan ’t nu misschien wel, voor zoolang. Mijn [41]eigenlijk gebedje zal ik straks wel doen, als pa weer thuis is.”

En zoo, met de tranen nog op zijn wangen, en met een meer bezwaard hart dan hij nog ooit in zijn leven had gehad, stapte de arme, hongerige, vermoeide kleine Jo in bed, bijna twee uur vóór zijn gewonen bedtijd en zonder eten of drinken. Toen het theemaal gereed was, en Corrie en Florence Elmslie, met schoongewasschen handen en gezichten, er ook voor gereed waren, maakten ze elkaar, met eenige verbazing, opmerkzaam op den verbazend langen tijd dien Jo noodig had om zich netjes te maken.

„Hij is in zoo’n berouwvolle stemming, dat ik veronderstel dat hij zich extra veel moeite geeft om er héél keurig uit te zien, alleen om je pleizier te doen,” zei Florence Elmslie, terwijl ze zich bij den haard neerzette en zich amuseerde met ’t groote houtblok, dat er in lag, om en om te keeren, om ’t te laten knetteren.

Corrie vond ’t heel waarschijnlijk dat haar vriendin gelijk had in haar veronderstelling, maar ze dacht toch dat hij nu al den tijd had gehad om een model van netheid en keurigheid van zichzelf te maken; en dus zette ze den trekpot, dien ze juist had opgetild [42]om er uit te schenken, weer neer, en liep naar boven om hem te halen, terwijl ze, al loopende, hem bij zijn naam riep.

Maar, zooals ze dien middag te vergeefs geroepen had, zoo ging ’t ook nu. Ze kreeg geen antwoord. Eindelijk kwam ze bij zijn kamer, waarvan de deur dicht was. „Jo, ben je daar?” vroeg ze.

„Ja, Corrie,” riep een heel ernstige jongensstem terug.

Corrie draaide den knop om en keek naar binnen, of liever tuurde in de duisternis. „Maar, Johan, jongen, waar blijf-je? Wat voer-je hier boven toch uit in ’t donker?”

„Ik ben in bed, Cor.”

Corrie Holmer naderde het bed, of eigenlijk ’t gedeelte van de kamer vanwaar haar broer’s stem tot haar doordrong, want ze zag niets; maar bij dat antwoord stond ze plotseling verschrikt stil. „Jo,” bracht ze met gedempte stem uit, „Jo, ben-je ziek?”

Het antwoord volgde gauw genoeg. „Ziek! Wel neen, Corrie, natuurlijk niet. Ik ben nooit ziek, dat weet-je wel. Maar ik heb je vandaag zóó’n naren middag bezorgd door alles heelenal verkeerd te doen, dat ik dacht, ik moest voor dezen éénen keer maar eens zonder eten naar bed gaan. Misschien kan ik mezelf dan wel leeren [43]om niet zoo’n erg lastige jongen meer te zijn op een anderen keer. Ben-je daar, Cor?—hoor-je me?”

Maar Cor’s antwoord volgde niet zoo gauw als dat van haar broertje was gevolgd, want Cor schreide weer. Niemand van de heele Holmers familie was bijzonder zenuwachtig of schreiachtig. Maar het onaangename voorval in haar vader’s bibliotheek, ’t lange brieven schrijven, ’t missen van het gezellige middagje, waarop ze zich al dagen lang had verheugd, dat alles te zamen scheen Corrie Holmer een klein weinigje van streek te hebben gemaakt. Twee uur geleden was Jo, toen hij zag dat zijn zuster schreide, totaal in de war geraakt, en dit laatste, die zelf-opgelegde straf en die berouwvolle bekentenis, hadden nu op zijn zuster dezelfde uitwerking. Ze tilde den jongen boeteling op in haar armen, en stamelde snikkend:

„Och Jo, mijn beste, kleine Jo, hoe ben-je dáártoe gekomen? Wat een verschrikkelijke knorrepot van een zuster moet ik geweest zijn, om je op de gedachte te brengen jezelf op die manier te gaan straffen!”

„Neen, dat ben-je niet geweest,” bracht Jo halsstarrig daartegen in. „Je bent zoo’n aardige, gezellige zus als er maar ergens een bestaan kan; je zou geen knorrepot kunnen wezen, al probeerde je ’t. En ik geloof [44]eigenlijk dat ik ’t wel een klein beetje wist, dat ik niet in de bibliotheek mocht komen, al was ’t ook dat ik papa een pleizier wou doen; want ik herinner me dat ik probeerde om den kruk héél zachtjes om te draaien, toen ik den eersten keer naar binnen ging, en ik heb ’t je nog niet laten zien van die groote inkt—”

Maar hier werd aan de bekentenis voorloopig een einde gemaakt, want er klonk een geratel van wielen, en Corrie vloog de trap af om haar vader en moeder te verwelkomen, en om van de tegenwoordigheid van haar vriendin, en van de oorzaak van Jo’s afwezigheid, een verklaring te geven.

De heer en mevrouw Holmer waren vroeger thuisgekomen dan hun plan was geweest, omdat de heer Holmer toevallig een ongetrouwden broer van hem had ontmoet, die ’t plan had geopperd met hen terug te gaan, om een paar dagen te blijven logeeren. Daar er dus voor ’t in orde maken van een logeerkamer moest worden gezorgd, had Mevrouw Holmer ’t beter gevonden wat vroeger naar huis terug te gaan; en ’t was nog geen zeven uur, toen Jo in ’t donker op zijn vader’s knie zat, om hem volledig en naar waarheid van de gebeurtenissen van dien middag verslag te doen. [45]

„En vindt u nu ook niet, papa, dat dat naar bed gaan nog al goed van me bedacht was, om me er op een anderen keer aan te doen denken?” vroeg hij dringend, toen zijn verhaal uit was.

En de heer Holmer sloeg zijn armen nog een beetje vaster om zijn jongen heen, toen hij antwoordde:

„Ja, beste jongen, ik vind ’t zóó goed bedacht, dat ik er me bepaald dankbaar voor voel dat ik een zoontje heb, die bewijst dat hij zoo ernstig ’t goede wil. En nu, kereltje, wat zou-je er van denken als je je kleeren weer eens aantrok en beneden kwam, om te zamen met ons allen thee te drinken?”

Maar daar zoowel mama als Jo zelf om verschillende redenen bezwaren opperden tegen dat voorstel, eindigde de heer Holmer met, in plaats daarvan, een blad voor twee personen naar de slaapkamer te brengen, en daar voegde zich ook Oom Johan een poosje bij hen, die op die manier met zijn neef en petekind dien avond beter kennismaakte dan hij ooit te voren had gedaan.

„Denk er aan, William,” zei hij, een paar dagen later, bij ’t heengaan, „als Corrie over drie weken bij me komt, met Kerstmis, dat de jongen ook mee moet komen.”

„Wat!” riep de heer Holmer. „Wat!” riep Corrie. [46]Mevrouw Holmer voegde er geen derde „Wat!” bij, maar ze zei: „Werkelijk, Johan, dat is onmogelijk. Onze Jo is zoo’n beste, goede, eerlijke jongen als er maar een op de wereld bestaan kan, maar hij zou veel hebben van een jongen wilden stier in een porceleinwinkel, als je hem daar bij je hadt in je mooi gemeubeld, keurig ingericht huis.”

„Als je hem niet zendt, zal-je me de moeite en den last geven dat ik hem zelf moet komen halen,” zei Oom Johan. En met dat beslissende antwoord nam hij afscheid, en ging heen.

[47]

[Inhoud]

V.

Een onrustige ochtend.

Corrie Holmer had tot nog toe ’t logeeren bij haar oom altijd heel aardig gevonden. Alles ging daar even rustig, stil en geregeld zijn gang. Geen van de dienstboden scheen ooit krakende laarzen te dragen, en zelfs de zwartzijden Zondagsche japon van de huishoudster scheen er in geoefend te zijn volstrekt niet te ruischen. Maar als een korte afwisseling van haar eigen vroolijk, druk tehuis, had Corrie die rustige, ongewone omgeving wel prettig gevonden. Nu ze er echter te zamen met haar broertje was, voelde ze, hoeveel ze ook van hem hield, zich er niet zoo volkomen zeker van of zijn tegenwoordigheid daar haar wel zoo héél gewenscht voorkwam; en die twijfel rees onwillekeurig opnieuw bij [48]haar op, toen ze, den derden dag van hun bezoek, vriend Jo de trap hoorde afglijden, onder luid gefluit en gestommel.

„Wat een ellende toch, die winter, en die vorst, en alles,” bromde de heer Holmer, toen hij dien ochtend binnenkwam om te ontbijten. Hij was buiten geweest op het achtererf, om, zooals hij gewoonlijk deed, zijn lievelingshond goeden morgen te zeggen, en als bewijs van zijn genegenheid had hij aan Trust een been gebracht. En in zijn haast om te toonen dat hij de vriendelijkheid van zijn baas op prijs stelde, had die groote, brave, domme oude Trust, zich verslikt. En daarna had hij, in zijn benauwdheid, zijn bak met water omgegooid.

„Arme stumperd!” zei de heer Holmer, en hij raapte den bak op en liep er mee naar de waterkraan op het erf om dien op nieuw te vullen. Maar door den vorst, of de roest, of doordat er nooit gebruik van gemaakt werd, of door welke reden dan ook, in elk geval bleek de kraan vast te zitten. Hij draaide er eenige malen aan, van rechts naar links, en van links naar rechts, maar ’t hielp niemendal; hij kon er niet de minste beweging in krijgen. Dus gaf hij aan den knecht order den bak van Trust te vullen, die in den tusschentijd [49]al zonder water van zijn benauwdheid was bekomen; en toen trad de heer des huizes de ontbijtkamer binnen, brommende en pruttelende over ’t weer en over alles, totdat hij ’t vriendelijke, opgewekte gezichtje van zijn nicht in ’t oog kreeg, en toen verdwenen op eens alle rimpels, en hij riep uit:

„Och, och, wat een oude knorrepot van een oom heb-je toch, kind-lief! Ik zal nog maken dat je bang voor me wordt en naar huis terugloopt, als ik niet oppas. Schenk me maar eens een kop koffie in, misschien is dat wel geschikt voor iemand die uit zijn humeur is.”

Corrie voldeed lachende aan dat verzoek, en toen ze den bedarenden drank aan haar oom bracht, vroeg ze naar de meer speciale oorzaak waarom hij op dat oogenblik zoo ontstemd was.

„’k Wed dat ik die kraan wel zou kunnen omdraaien,” riep Jo, toen ’t verhaal uit was, en hij sprong van zijn stoel.

Bladz. 49. „’k Wed dat ik die kraan wel zou kunnen omdraaien!”

Bladz. 49. „’k Wed dat ik die kraan wel zou kunnen omdraaien!”

„Jawel, natuurlijk, en tegelijk de tafel ondersteboven gooien,” zei zijn oom wrevelig, want elk kopje en bordje, dat op tafel stond, rammelde, en de helft van zijn koffie was op ’t schoteltje gemorst.

„Corrie, beste meid,” voegde hij er bij, „je zult dit zeker wel willen schoonmaken; en zou je dan alsjeblieft [50]’t bord van je rumoerigen broer eens willen vullen met alles wat je maar denkt dat hij lekker vindt, zoodat er kans bestaat dat jij en ik eens tien minuten rust hebben.”

„Bedoelt u terwijl ik eet, oom?” vroeg Jo.

„Ja, jongen, terwijl je eet. Je praat toch niet terwijl je eet, hoop ik?”

Jo hield zijn hoofd op zij, met een nadenkende uitdrukking.

„N—een, dat geloof ik niet; niet als de dingen lekker zijn ten minste. Maar ik schop onder ’t eten wel eens met mijn voeten tegen de tafel—Corrie en moe zeggen ’t ten minste—en u weet niet hoe de dingen dan soms rinkinkelen. Kijk, zoo!”

En vóórdat de arme Corrie een waarschuwing kon doen hooren, of om de tafel heen naar haar broer kon toevliegen, had Jo de daad bij het woord gevoegd, en een heel duidelijk voorbeeld gegeven van wat hij bedoelde. De heer Holmer sprong overeind, met, voor ’t oogenblik, een uitdrukking van bepaalde woede op ’t gelaat. En Corrie stond, bevend en met in elkaar geklemde handen, toe te kijken. De kleine schuldige staarde met ernstigen blik naar den inhoud van zijn kopje, die over het tafelkleed stroomde, en toen merkte [51]hij, op een toon van diepe afkeuring en ergernis, op:

„Hè, oom, wat is dat een vrééselijk waggelachtige tafel! Hè, u is nog ouder dan papa, en papa zou zoo’n waggelachtig ding niet in zijn ontbijtkamer willen hebben, dat weet ik zeker.”

„Maar, Jo, hoe durf-je toch?” riep Corrie hem met gedempte stem toe. Verbazing over de vermetelheid van haar broertje, en vrees voor de straf, die daarvan een noodzakelijk gevolg zou wezen, streden in haar binnenste om den voorrang. ’t Was een beproeving getuige te moeten zijn van Jo’s onbehoorlijk gedrag, maar er getuige van te moeten zijn dat hij gestraft werd en zich verdrietig en ongelukkig voelde, was een nog zwaardere beproeving. Nog eenmaal wierp ze een blik op ’t gelaat van haar zeer stipten, nauwgezetten oom. En de uitdrukking, die ze daarop las, verbaasde haar nóg meer dan ’t gedrag van haar broertje. Gedurende één oogenblik was de heer Holmer letterlijk sprakeloos geweest van boosheid, maar in ’t volgende oogenblik barstte hij in een onbedwingbare lachbui uit. Bij dat volkomen onverwachte geluid zonk Corrie weer in haar stoel neer, terwijl haar oom uitriep:

„Zeg eens, vriend Jo, ik heb wel eens van brutale menschen gehoord, en ik heb er ook wel eens een [52]paar ontmoet in mijn leven, maar ik heb er nooit een ontmoet, die met jou te vergelijken is! Dat gaat me daar, in de eerste plaats, uit louter baldadigheid tegen mijn arme tafel schoppen, en mijn mooi wit tafellaken totaal vuil maken, en nu wordt van mijn meubilair waarachtig nog kwaad gesproken op den koop toe!”

Snel hief Jo zijn hoofd op.

„Maar ik zal van ú nooit kwaad spreken, Oom Johan,” stamelde hij haastig. „U is een vreeselijk leuke, gezellige oom. Ik dacht dat ik een klap om m’n ooren zou krijgen, en—en—” de krachtige jongensstem begon een héél klein beetje te trillen—„ik had ’t bijna maar liever gewild. Wat ziet dat schoone tafellaken er uit! Als ik een beetje verstand van wasschen had, dan zou ik probeeren om die vlekken er voor u uit te krijgen.”

„Probeer ’t dan maar niet, alsjeblieft,” zei zijn Oom lachend. En toen stond hij op, en, onder voorwendsel van ’t met koffie overstroomde bord van zijn jeugdigen gast voor een ander te verruilen, boog hij zich over hem heen, en voor de eerste maal sinds Jo ’t zich kon herinneren, raakte hij diens voorhoofd met zijn lippen aan. Zijn neefje mocht dan ondeugend en al te vrijpostig wezen, terwijl die plek op zijn hoofd, [53]waar de knobbel van den eerbied moest zitten, wel totaal afwezig scheen te zijn; maar wat zijn hart betrof, dat scheen toch blijkbaar op de rechte plaats te zitten; en daar de heer Holmer zelf, ondanks zijn uiterlijke deftigheid en strengheid, een heel goedhartig man was, was ’t niet onmogelijk, dat zich in den loop der jaren, een meer innige band tusschen hem en zijn petekind zou ontwikkelen, dan als vriend Jo een neefje was geweest, heelenal naar ’t eigen model van zijn peetoom geknipt, en zoo beleefd en onderdanig als er maar één bestaan kon.

De bewijzen daarvan zouden evenwel pas in de toekomst kunnen blijken. Intusschen ging het ontbijt zijn gang en kwam tot een eind, zonder dat er verder iets meldenswaardigs voorviel, met uitzondering van een kort, half fluisterend uitgesproken praatje tusschen Corrie en haar broer, toen ’t maal bijna afgeloopen was. De heer Holmer had zijn bord en kopje achteruit geschoven, en was bezig zijn courant te lezen, naar allen schijn doof voor al wat hem omringde.

„Zeg, Corrie! Waarvoor doe-je dat?”

„Wat bedoel-je, Jo?”

„Wel, om de gelei daarginder te zetten? Ik zou zeggen dat je al moe genoeg moet zijn van ’t koffieschenken [54]en al die dingen, en dat je je dus geen moeite hoeft te geven voor niemendal.”

„O, dat was zoo heel veel moeite niet om dien pot hier te zetten.”

„Neen—maar om ’m dan ook weer terug te geven, zie-je.”

Na dit op veelbeteekenenden toon geuite gezegde volgde er zulk een ongeduldig geritsel met de courant, dat Corrie een oogenblik wachtte, vóórdat ze, met gedempte stem en op gedwongen kalmen toon, antwoordde:

„O, natuurlijk zou ik den gelei-pot niet aan dezen kant van de tafel hebben gezet, als ik gedacht had dat die aan den anderen kant nog noodig kon zijn. Ik heb ’m niet verzet voordat ik zag dat je genoeg hadt gehad.”

„Voordat je dat zag?” zei Jo, terwijl hij heel ernstig zijn hoofd schudde. „Dan kan ik je zeggen, Corrie, dat je je totaal vergist hebt. Ik heb nog niet eens half genoeg gehad, en omdat ik de andere helft ook graag hebben wou, zal-je je de moeite moeten geven den pot nog even hier neer te zetten, waar hij gestaan heeft.”

Corrie schudde haar hoofd. „Onmogelijk. Die extra inspanning zou net ’t laatste stroohalmpje kunnen zijn, zie-je, waardoor mijn arm, die nu al zoo moe is, pijn zou gaan doen.” [55]

„Goed,” zei Jo; „dan zal ik ’m zelf dienen te gaan halen; maar je hebt me gezegd dat oom ’t liever niet had dat ik van mijn stoel opstond als we aan tafel zitten.”

„Dat heeft hij ook niet,” zei Corrie, die eindelijk in ’t nauw gebracht werd en zich genoodzaakt voelde ronduit te spreken. „Er is volstrekt geen reden voor dat je nu zou opstaan, dan alleen om te gaan spelen, want je hebt overvloedig genoeg gelei gehad, eigenlijk al meer dan goed voor je is.”

„Neen, hoor eens, Corrie, dat is ’t nu juist waar je je in vergist,” bracht Jo hier op dringenden toon tegen in. „Ik heb nog altijd een bepaalde leegte binnen in me—en, je weet wel, oom heeft gezegd dat ik hier pleizier moest hebben.”

Daar kwam de ritselende courant naar beneden, en Oom sprong van zijn stoel op, met een nieuwe uitbarsting van gelach. „Jou lastige kleine woelwater, waarom kan je je ouden oom niet rustig zijn courant laten lezen, zeg?”

„’t Spijt me erg, Oom,” luidde ’t berouwvolle antwoord. „Maar ’t is ondeugend van Corrie, is ’t niet, dat ze me niet laat doen wat u me gezegd hebt?”

„Natuurlijk,” zei Oom, „bijna zoo ondeugend als dat ze zelf ongehoorzaam was. Maar omdat ik gezegd heb [56]dat je hier plezier moest hebben, en je gehoorzaamheid aan die order blijkbaar in het eten van gelei schijnt te bestaan, wat zou je er nu van denken als we omtrent dat punt eens een afspraak maakten, terwijl Corrie je uit dien pot nog één lepeltje-vol geeft.”

’t Gezicht van Jo helderde op, en hij reikte zijn zuster zijn bord toe. „Flink zoo, Oom. U begrijpt me, dat merk ik wel—u is niet zoo krenterig als een meisje. Hè, Cor! je hadt dien langen straal wel op mijn bord kunnen laten vallen, in plaats van weer terug in den pot. Dat zou een man nooit gedaan hebben, dat weet ik zeker.”

„En een man zou er niet zooveel spijt van hebben als je ziek werdt,” zei Corrie, verwijtend. „Werkelijk, Oom, ik ben bang dat hij nog ziek zal worden, als u hem zoo overlaadt met lekkernijen. We leven thuis zoo eenvoudig.”

De heer Holmer trachtte een heel ernstig gezicht te zetten, en streek Corrie bemoedigend over ’t blonde haar.

„Kijk eens, kind-lief, je hoort wel dat Jo en ik een afspraak samen zullen maken, en omdat ik zeker weet dat we ons daar allebei aan zullen houden, hoef-je je, dunkt me, niet langer ongerust te maken. Je logeeren hier, Jo, zal, dat weet-je, nog elf dagen duren, als alles [57]goed gaat; dus nu zal ik tegen de keukenmeid zeggen dat ze zes potjes gelei apart zet, die speciaal voor jou zijn bestemd—Corrie en ik zullen van een ander gebruik maken. Zoolang die zes potjes gelei niet op zijn, kan je hier blijven; je zult er heelenal de vrije beschikking over hebben, maar als ze op zijn, vóórdat de elf dagen om zijn, dan is ’t met logeeren hier ook uit.”

„’t Is te hopen waarlijk, dat ze dan nog niet op zullen zijn!” riep Corrie uit. „Meer dan een halve pot per dag!”

„En massa’s en massa’s andere lekkere dingen nog er bij,” zei Jo, met een zucht van tevredenheid.

„Jawel,” stemde de heer Holmer toe, „maar, je begrijpt, geen andere soort van gelei of jam, of zoo iets van dien aard.”

„O, neen. Natuurlijk niet,” antwoordde Jo, met een nadenkend gezicht. „Maar zes potten voor elf dagen—ik zal maken dat ik daarmee toekom. En, ziet u, dan zal ik er nog wel eens met de keukenmeid over spreken ook. Ze zal stellig wel groote voor me uitzoeken, als ze hoort dat ’t voor een pleiziertje moet dienen. Ze zei gisteren nog, dat een beetje pleizier maken en lekker eten wel eens goed was nu en dan, voor jongens die in hun groei zijn. Uw keukenmeid is aardiger dan die bij ons thuis, Oom Johan. Ze maakt ’t heelemaal [58]goed dat u een meer waggelachtige tafel heeft!”

„Maar Johan, houd-je mond toch!” riep Corrie.

Oom Johan zei niets; hij was de kamer uitgegaan.

„’t Is wel aardig een oom te hebben, vind-je niet, Corrie?” zei Jo.

„Heel wat aardiger dan een zuster te hebben, geloof ik dat je denkt,” zei Corrie Holmer, met een halven zucht. En toen verliet ook zij de kamer, om te probeeren, vóór haar broertje, onder vier oogen een woordje te hebben met de al te gulhartige keukenmeid.

Corrie had zich niet zoo behoeven te haasten. Jo’s kleine krullebol was gedurende de laatste twintig minuten heelenal vervuld geweest van nog een andere gedachte, behalve die omtrent de lekkere dingen die hij bij zijn ontbijt kreeg; en, om hem recht te doen weervaren, moet gezegd worden, dat die andere gedachte voor hem verreweg de meest belangrijke geweest was van de twee. Hij zou zelfs zijn twee laatste boterhammen met gelei hebben opgeofferd, om zijn plan gauwer ten uitvoer te kunnen brengen, als hij kans had gezien zijn oom en zijn zuster vóór dien tijd uit den weg te krijgen.

Maar die nieuwe plannen van hem vereischen een nieuw hoofdstuk. [59]

[Inhoud]

VI.

Een moeilijk oogenblik.

Op een tentoonstelling heeft eens een schilderij gehangen, met den titel die boven dit hoofdstuk staat. Een klein kind, dat in een hoogen stoel zijn boterham zit te eten, ziet zich, tot zijn grooten schrik, op eens belegerd door een ontelbare massa kippen en ganzen en dergelijke indringers. „Een moeilijk oogenblik,” inderdaad!

Maar als de knappe maker van die schilderij een tweede voorbeeld van een moeilijk oogenblik noodig had, dan is ’t jammer dat hij niet op het erf achter het huis van den heer Holmer tegenwoordig was, drie dagen nadat diens neef en petekind, dien hij in een ondoordacht oogenblik te logeeren had gevraagd, bij hem was gekomen. [60]

De heer Holmer was de ontbijtkamer binnengetreden, al brommende en pruttelende over een waterkraan, die niet open wou gaan, en hoewel de daarop gevolgde wanorde en strubbelingen aan zijn anders zoo rustige ontbijttafel hem de zaak voor ’t oogenblik hadden doen vergeten, was dit met zijn neefje niet ’t geval. Lekker eten deed Jo heel graag, maar ’t genot daarvan was niets, vergeleken bij ’t genot dat hij zich voorstelde te zullen smaken, door die kraan eens flink onderhanden te nemen, en de koppigheid er van te overwinnen. Water was een element, waar Jo een bepaalden hartstocht voor had, en al menigmaal had die hartstocht hem in allerlei ongelegenheid gebracht. Ook nu zou dit weer ’t geval zijn.

Van uit de ontbijtkamer ging Corrie Holmer naar de zitkamer, om een halfuurtje aan ’t instudeeren van een zangstukje te besteden, dat haar oom haar den vorigen avond gegeven had; en de heer Holmer zelf ging een bezoek brengen aan zijn stallen.

„En daar zal hij wel een goede poos blijven, zooals altijd,” zei Jo tot zichzelf, terwijl hij heel wijs met zijn hoofd knikte, in antwoord op ’t verzoek van zijn zuster om niet ondeugend te zijn. En dadelijk toen hij haar de zitkamer had hooren binnengaan, vloog hij [61]naar het achtererf, dat ’t tooneel moest worden van zijn overwinning. Hij was vol verlangen zijn oom eens een dienst te bewijzen; maar de ondervinding had hem geleerd, dat de menschen uit zijn omgeving wat al te veel geneigd waren bij dergelijke menschlievende plannen tusschenbeide te komen, als ze die ontdekten vóórdat hij tijd had gehad ze in praktijk te brengen.

„Oom zal heel blij zijn, als hij merkt dat ik die kraan voor hem open heb gekregen, dat ’s natuurlijk,” zoo luidde Jo’s alleenspraak, toen hij er een oogenblik vóór bleef staan, voordat hij met zijn werk begon. „Maar als ik er eerst iets van gezegd had, dan zouden hij of Cor stellig gedacht hebben dat ik me zeer zou doen, of ’t een of ander kapot zou maken, of zoo iets, dat is wel zeker.”

En Jo moest stellig wel gelijk hebben. Trust was in die paar dagen bijzonder goede vrienden met hem geworden, maar zelfs hij kwam, met zijn ketting rammelend, uit zijn hok te voorschijn, en legde zijn grooten, harigen kop tusschen zijn twee voorpooten, terwijl hij met ernstigen blik den kleinen indringer aanstaarde, toen deze met alle macht aan de waterkraan begon te wrikken.

„Hè! wat zit dat ding vast!” zuchtte Jo, nadat hij [62]gedurende een minuut of tien vruchteloos bezig was geweest, en zoo rood zag als een boos kalkoensch haantje.

Hij richtte zich overeind en nam een oogenblik rust, om weer op adem te komen, en terwijl hij wachtte, vóórdat hij zijn werk hervatte, keek hij om zich heen, keek naar Trust, keek naar het klimop op den muur, en ’t zou maar goed zijn geweest als hij niet verder had gekeken. Maar ongelukkig kreeg hij ’t in zijn hoofd ook in een berghok te gaan kijken, dat zich op het erf bevond, en daar zag hij, zooals hij met een juichkreet uitriep, „precies ’t ding dat hij noodig had.” [63]

Op een plank binnen in ’t hok lag een groote, zware oude hamer, en Jo pakte dien met gretige handen op. Toen hij, daarmee gewapend, weer naar buiten trad, drukten de oogen van Trust nog meer bepaalde afkeuring uit dan te voren, en hij uitte zelfs een gedempt gebrom, als wilde hij een soort van waarschuwing doen hooren. Maar zijn metgezel was heelenal doof voor dergelijke wenken.

„Nu zullen we eens zien wie ’t winnen zal, jou oude, koppige kraan, jij of ik,” riep hij uit, met de voldoening van iemand, die zich van zijn overwinning al zeker voelt. Te zeker, want bij slot van rekening bleef de kraan toch overwinnaar in den strijd. Hij liep er naar toe, hief den hamer op, met de bedoeling dien op het handvat van de kraan te doen neerkomen, maar, zooals gezegd is, ’t gereedschap was, zoowel wat omvang als gewicht betrof, bijzonder ongeschikt voor de handen die er op dat oogenblik gebruik van trachtten te maken.

Op echte werkmansmanier werd de hamer omhoog geheven, over zijn schouder, en met inspanning van al zijn kracht kwam die weer omlaag—maar niet tegen het handvatsel.

Bij ’t neerdalen ging de hamer, in de onervaren [64]handen die hem bestuurden, een weinigje op zij, en hij kwam met een slag neer, niet tegen het handvatsel, maar op de pijp zelf.

„O—o—o!!” barstte Jo uit, toen de hamer met een tweeden slag uit zijn verkleumde handen op de steenen viel. Voor de eerste maal in zijn leven was hij ernstig ontsteld over de onmiddellijke uitwerking van iets wat hij had gedaan. Dat de benedenhelft van zijn lichaam [65]al door en door nat was, beteekende niet veel. Maar wat zou zijn oom zeggen, wat zou Cor zeggen, wat zouden zijn vader en moeder zeggen, als ze hoorden wat hij had gedaan? Dat waren de vragen, die hem als een bliksemstraal door ’t hoofd schoten, terwijl het water uit de pijp hem overstroomde.

De hamer had aan het water den vrijen loop bezorgd, dat was zeker, want hij had, met dien ongelukkigen slag, de heele kraan, en een flink stuk looden pijp er bij, weggeslagen, en het water stroomde naar buiten met een kracht, dat ’t wel leek alsof ’t nooit meer te stelpen zou wezen. In zijn wanhopig verlangen om dien verschrikkelijken waterstroom tegen te houden, klemde Jo zijn handen, de een over de ander geslagen, tegen ’t gebroken stuk pijp aan, maar hij had even goed kunnen probeeren den waterstraal met een oud stukje spons tegen te houden. ’t Eenige resultaat dat hij bereikte was, dat de groote straal zich nu in kleinere stralen verdeelde, die naar alle kanten heenspatten, zoodat hij, binnen weinige oogenblikken, van zijn hoofd tot zijn voeten, druipnat was.

Met een gebrom, dat weldra in een droevig gejank over den jammerlijken stand van zaken veranderde, stond de arme oude Trust van de doornatte steenen [66]op en trok zich terug in zijn hok, juist toen Corrie aan de achterdeur verscheen om naar haar broertje te zoeken.

„Maar, Jo,” riep ze verbaasd uit, toen ze de overstrooming zag, „wat ben-je nu toch begonnen?”

„’t Kwam niet door mij, maar door den hamer,” luidde ’t op treurigen toon geuite antwoord. „Kom maar eens kijken.”

En de niets kwaads vermoedende Corrie voldeed, onder den indruk van het oogenblik, aan die uitnoodiging. Ze snelde naar Jo toe, maar liet op haar beurt een heel verschrikt „O—o—o!” hooren, toen ze onverwachts een stortbad over zich heen kreeg. De vloed op den grond had ze getrotseerd als iets dat onvermijdelijk was, maar ze was in ’t minst niet voorbereid op den waterstroom, dien ze op zich kreeg, toen Jo op eens zijn handen wegtrok en, met de kalmte der wanhoop, opmerkte:

„Kijk, Cor, dat heeft die ellendige hamer nu gedaan! En ik denk dat er wel geen stelpen aan zal wezen.”

In de eerste oogenblikken scheen ’t wel alsof Corrie, in haar schrik, die laatste hopelooze veronderstelling volkomen deelde; ze deed werktuigelijk precies hetzelfde wat haar broertje had gedaan, en trachtte den waterstroom [67]met haar handen tegen te houden, natuurlijk met hetzelfde resultaat, dat ze druipnat werd. Maar eindelijk viel haar toch, te midden van haar verwarring en ontsteltenis, één verstandige gedachte in.

„Ga eens iemand roepen, Jo, en vraag of ze zoo gauw als ze kunnen wat tobben en emmers willen brengen. Och, och! wat zal oom toch wel zeggen?”

„Dat is ’t juist waar ik ook over sta te denken,” zei Jo, met een uitdrukking op zijn gezicht, alsof hij plan maakte zichzelf tot een levenslang in bed blijven en een levenslange water-en-brood straf te veroordeelen.

Intusschen vloog hij heen om aan ’t verzoek van zijn zuster te voldoen, maar in plaats van het huis binnen te gaan aan den kant waar hij er uit gekomen was, liep hij er om heen, om, zoo druipnat als hij was, geen grooter stuk gang vuil te maken dan noodig was. Juist toen hij den hoek van het huis was omgegaan, zag hij een man, en zonder te wachten om te zien wie ’t eigenlijk was, riep hij hem, vol haast en angst, toe:

„Loop alsjeblieft gauw naar ’t achtererf om Corrie te helpen! Haar handen zullen al wel half bevroren zijn, denk ik, net als de mijne.” [68]

„In orde, hoor,” riep een stem terug. Maar die stem behoorde noch aan John, noch aan James, noch aan een van de andere bedienden, waarmee de jeugdige bezoeker tot nog toe had kennisgemaakt. Maar wie ’t dan ook wezen mocht, hij was in elk geval al verdwenen, toen Jo even stil stond en zich omkeerde, om den man, dien hij tot hulp van zijn zuster had afgezonden, wat nauwkeuriger te bekijken. Toen snelde hij voort naar de dienstboden-ingang. Weer zag hij twee mannen daar in de buurt, die samen stonden te praten. Ook nu weer was hij vlugger met zijn woorden dan met zijn oogen.

„Breng een troep emmers naar het achtererf,” gilde hij, „een heelen troep, anders verdrinkt Trust, en—en Corrie misschien ook—en alles.”

In ’t volgende oogenblik, toen hij zich wilde omkeeren, om naar ’t tooneel van het ongeval terug te rennen, werd hij door een van de twee mannen stevig bij zijn schouders gepakt, en merkte hij dat hij zich in de handen bevond van zijn oom. Met zijn druipnatte kleeren, zijn diep verslagen gezichtje, en zijn handen, die blauw zagen van de kou, leverde de arme kleine Jo in dat oogenblik een treurigen aanblik op. [69]

„Of Corrie verdronken is, weet ik niet, maar ’t lijkt me dat jij ’t zeker wel bent,” zei de heer Holmer, op eenigszins strengen toon, hoewel dit voor ’t oogenblik meer ’t gevolg was van schrik dan van boosheid. ’t Volgende oogenblik keerde hij zich om, maakte de deur open, en riep naar binnen:

„Marian, kom eens hier!”

De keukenmeid snelde naar de deur.

„Och, mijn hemel!” riep ze ontsteld uit, toen ze Jo in ’t oog kreeg. „Die arme lieve jongen, hij zal zich nog een ziekte op z’n hals halen!”

„Daar heeft hij in elk geval z’n best voor gedaan,” antwoordde de heer Holmer; „neem hem dus maar gauw mee, en stop hem dadelijk in een warm bed, en verlies den kleinen deugniet geen oogenblik uit ’t gezicht, vóórdat ik je daartoe permissie geef.”

„Maar het eten, menheer!” waagde Marian even, op twijfelachtigen toon, te zeggen.

„Dat moet van zelf maar in orde komen,” luidde ’t antwoord. „James, breng een stuk of wat emmers naar ’t achtererf.”

En na dat bevel gegeven te hebben, begaf de heer Holmer zich haastig zelf daarheen, in de veronderstelling dat zijn ondernemend neefje er in geslaagd was de [70]weerbarstige kraan open te krijgen, en dat de emmers noodig waren om het water op te vangen, totdat het handvatsel weer zou zijn teruggedraaid. Van de uitgebreidheid van de ramp had hij niet ’t minste vermoeden. [71]

[Inhoud]
VII.

VII.

Corrie in verlegenheid.

„In orde, hoor,” antwoordde de heldere, flinke stem van den eersten den besten persoon, tot wien Jo Holmer ’t verzoek richtte zijn zuster te gaan helpen. En als de eigenaar van die stem zei „In orde,” dan meende hij dat ook, en dan nam hij in den regel de meest vlugge en practische maatregelen, om datgene, [72]wat ’t ook was, waar zijn hulp bij gevraagd werd, in orde te krijgen.

Jo zou onmogelijk een betere keus met zijn verzoek hebben kunnen doen, al had hij uit een paar duizend menschen te kiezen gehad. En toch is ’t óók waar, dat, als Juffrouw Corrie de zaak in handen had gehad, ze stellig en zeker nog liever tweemaal zoo nat en koud zou zijn geweest als ze nu was, dan te moeten ondervinden dat die onverwachts opgeroepen vreemdeling haar te hulp kwam, terwijl ze daar op ’t met water overstroomde achtererf stond, met slappe, druipnatte kleeren, bleek van de kou, en met in den wind fladderende haren.

Nog altijd stond Corrie gebukt over de gebroken pijp, met de palm van haar hand zoo stevig op de opening gedrukt als de verkleumdheid er van ’t toeliet, toen op eens een stem, vlak bij haar, op een toon van oprecht medelijden, zei:

„U mag daar niet zoo blijven staan in dat ijskoude water, en in dien scherpen wind.”

Ze had héél bleek gezien toen de spreker haar voor het eerst in ’t oog kreeg, maar ’t gaf hem een gevoel van verlichting, toen hij den frisschen blos zag die haar gelaat overtoog, nu ze haar verbaasden blik tot [73]hem ophief, en in haar verwarring haar hand van de gebroken pijp terugtrok.

’t Was een vreemde die naast haar stond, een jonge man, met een flink, prettig gezicht, die er bovendien keurig uitzag, wat zijn kleeding betrof, zooals juffrouw Corrie, zelfs bij dien eersten, verschrikten blik opmerkte. Vol medelijden met haar verlegenheid en verbazing, haastte de vreemdeling zich zijn verontschuldigingen te maken dat hij zoo onverwachts te voorschijn was gekomen.

„Uw broertje—ik veronderstel ten minste dat ’t uw broertje was—zond me hierheen om u te helpen.”

„O!” zei Corrie, en onwillekeurig voegde ze er bij, „’t is ook zoo’n lastige jongen altijd!”

De vreemdeling kon niet laten even te lachen.

„Toch niet, hoop ik, omdat hij zoo goed is geweest mij gelegenheid te geven u te helpen?” vroeg hij, terwijl hij nu, op zijn beurt, naar het bewuste schuurtje snelde, om naar een of ander geschikt gereedschap om te zien.

Binnen vijf seconden keerde hij terug, met een voorwerp in de hand, dat voor zijn doel even geschikt was als Jo den hamer voor zijn doel geschikt had gevonden. En binnen nog weer vijf seconden had zijn stevige [74]hand, met behulp van een stevige nijptang, de gebroken pijp voldoende dichtgeknepen om den verderen aanvoer van water tegen te houden. Er druppelde nog maar een klein straaltje uit de twee hoeken, toen de heer Holmer voor den dag kwam. Deze stond met zóó’n verbaasd gezicht ’t heele tooneel aan te staren, alsof hij zich van klinkklare verbazing tot spreken niet in staat voelde.

„Corrie,” riep hij eindelijk, „wat beteekent dit toch allemaal? Jij en Jo zien er uit als een paar verdronken ratten, en waar komt hier al dat water vandaan? En—en—waar is de kraan gebleven?”

„Ik weet ’t niet, Oom,” stamelde Corrie, terwijl ze zich omkeerde en haar best deed haar druipnatte japon wat uit te slaan, en haar verwaaide haren achter haar ooren te strijken.

De heer Holmer liet haar een oogenblik begaan, en hij wendde zich nu, nog altijd in de grootste verbazing, tot den vreemdeling, met de vraag:

„En hoe kom jij, in ’s hemels naam, hier, Russell? Ik had er volstrekt geen idée van dat je mijn nichtje kende.”

„Ik ook niet. Of ten minste”—dit werd er aarzelend en glimlachend bij gevoegd—„ik had er geen [75]idée van tot vóór drie minuten. Maar ongevallen zijn prachtige dingen, geloof ik, om kennissen in eens in vrienden te veranderen. En omdat dit hier nu ’t geval is, en juffrouw Holmer en ik dus vrienden zijn geworden, een paar minuten nadat we elkaar voor ’t eerst hebben gezien, mag ik nu van ’t recht van een vriend gebruik maken en haar verzoeken onmiddellijk die natte schoenen en kleeren te gaan uittrekken? Ze zijn werkelijk gevaarlijk, met zulk weer als dit.”

Terwijl hij sprak, keek hij niet Corrie aan, die rood zag van verlegenheid, maar haar oom. En deze voegde zich dadelijk naar den raad van den vreemdeling, en gaf zijn nichtje de welkome order onmiddellijk naar binnen te gaan.

„Ik heb Jo naar bed gestuurd,” zei hij, „en ik geloof bepaald dat ’t maar ’t best zou zijn aan jou dezelfde order te geven, Juffrouw Corrie.”

„Ja, Oom,” mompelde Corrie, en ze begon, over ’t met water overstroomde erf, den terugtocht te aanvaarden naar de deur, die wel tienmaal zoo ver af leek als werkelijk ’t geval was. Ze had menigmaal tegen Jo gezegd dat hij een lastige jongen was, maar nog nooit had ze de volle beteekenis van dat gezegde zóó gevoeld als op dit oogenblik, terwijl ze vergeefsche [76]pogingen deed om zich met nog eenigen schijn van waardigheid aan den blik van den vreemdeling te onttrekken. Sloep, sloep, klits, klats ging ’t door het water, terwijl haar druipnatte kleeren haar bijna ’t voortgaan beletten, en ze elk oogenblik gevaar liep haar doorweekte schoenen te verliezen. De arme Corrie voelde zich diep vernederd; ze was altijd uiterst keurig en precies omtrent dergelijke dingen, en ’t besef dat de heldere oogen van dien vreemden jongen man thans waarschijnlijk op haar rustten, maakte dat ze Jo’s laatste staaltje van ondeugendheid hoe langer hoe erger begon te vinden. Dat hij naar bed was gezonden, was een dubbel en dwars verdiende straf, vond ze.

„Maar, juffrouw!” riep de tweede meid ontsteld uit, toen ze binnenkwam, „u is net zoo doornat als Jo zelf! Marian is met hem naar boven, en ze heeft een warme kruik meegenomen. En wat zal menheer wel zeggen, juffrouw, als u met die druipnatte kleeren de trap opgaat? Neem me niet kwalijk dat ik ’t zeg, juffrouw, maar menheer is zoo erg precies, ziet u.”

„Ja, ja,” zei Corrie haastig, „ik weet ’t wel, ik zal hier maar binnen gaan.” En daar ze haar oom en den heer Russell hoorde naderen, wipte ze gauw ’t kleine zitkamertje van Marian binnen, naast de keuken, en, [77]de meid met zich meetrekkende, deed ze de deur dicht, totdat de heeren veilig voorbij waren. Toen zond ze Sarah naar boven om een andere japon voor haar te halen, en alles wat ze verder noodig had. Marian’s kamertje werd tijdelijk in een kleedkamer veranderd; en een kwartier of zoo later begaf Corrie zich opweg naar de ochtend-zitkamer, met een ongewoon hooge kleur, gedeeltelijk veroorzaakt door de koude buitenlucht, waar ze in was geweest, en gedeeltelijk doordat ze er tegen opzag den vreemdeling weer te ontmoeten, dien Jo gezonden had om haar te helpen, waar ze dezen alles behalve dankbaar voor was.

„Zeg eens, juffertje,” riep haar oom uit, toen ze de kamer binnentrad, waar de twee heeren bij ’t vuur zaten te praten. „Zeg eens, is dat nu gehoorzamen aan mijn orders? Maar, dat ’s waar ook, hier, Menheer Russell, zei al, dat dat gedweeë „Ja, oom” van jou heel wat anders beteekende als naar bed gaan.”

De jonge man sprong op, en terwijl hij zijn stoel achteruitschoof, riep hij uit:

„O, juffrouw Holmer, neem me niet kwalijk, maar dat moet ik toch beslist tegenspreken. Uw oom beweerde ’t, en toen zei ik alleen dat ik ’t óók dacht.”

De heer Holmer lachte. [78]

„Nu ja, je hebt in elk geval toch toegestemd, dat jij haar ook beschouwde als een echt exemplaar van ’t stijfhoofdig vrouwelijk geslacht. De jongen, hoe ondeugend en lastig hij ook is, heeft zich hierin veel beter gedragen, dat zie je, want die is ten minste naar bed gegaan.”

„Ja, oom, dat ben ik ook,” liet een schelle jongensstem zich hooren, in antwoord op die verklaring; en niet alleen de heer Holmer, maar ook juffrouw Holmer en de heer Russell keken hoogst verbaasd om zich heen bij dat geluid.

Vóórdat ze een van allen iets konden zeggen, ging de deur weer open, en Marian, de keukenmeid, stak haar hoofd naar binnen, met den onrustigen, zenuwachtigen uitroep: „Och, menheer, juffrouw, nou is hij weer weg!”

„Dat zou ik ook zeggen, Marian,” antwoordde de heer Holmer. „Maar hoe is ’t mogelijk dat je ’m hebt laten wegloopen?”

„Ja, ziet u, menheer, hij was zoo huiverig, en toen dacht ik, ’t zou maar goed zijn als ik de kachel aanmaakte; en toen, ik was nog geen minuut weg om ’t hout en de kolen te halen, daar is hij me weggeloopen, niemand weet waar naar toe.”

„O, ja, ze weten ’t al, Marian,” liet de schelle jongensstem [79]zich weer hooren. „Oom zei dat ik naar bed moest, maar hij zei niet wáár, en daarom ben ik maar naar bed gegaan hier onder de tafel. Ik lig hier heel gemakkelijk en lekker, en ’t bespaart jou een heeleboel moeite, zie je.”

Marian bukte zich om onder de tafel te kijken, en toen nam ze haastig, onder den gesmoorden uitroep: „Och, och, hoe komt zoo’n jongen er bij!” den terugtocht aan, om buiten in de gang in lachen uit te barsten.

Intusschen hadden de heer Holmer en de anderen zich ook gebukt en onder de tafel gekeken, en allen uitten hun opmerkingen naar gelang van hun speciale gevoelens omtrent de zaak.

„Heel gemakkelijk, dat is zeker,” merkte de heer Russell droogjes aan.

„Maar, Jo! Jou ondeugende jongen! Hoe durf je?” stamelde Corrie, die zich door de vermetelheid van haar broertje heelenal uit ’t veld geslagen voelde. Hoe ’t hem mogelijk was ergens op zijn gemak te zijn, met de gedachte aan die gebroken pijp op het achtererf, ze kon er zich geen denkbeeld van maken. Maar dan nu hier, in een deken gerold, op zijn gemak te liggen onder de tafel van de zitkamer! Neen, tot zoo [80]iets onbeschaamds had Corrie zelfs Jo niet in staat gerekend.

„Kom er eens uit, vriendje,” zei de heer Holmer, met een vertoon van gestrengheid, dat niet veel beteekende. „Was je niet bang voor straf, na al wat er gebeurd is, dat je zoo maar dadelijk weer een van je onbeschaamde streken gaat uithalen, zeg? Vertel me dat eens.”

Jo hief zich op zijn elleboog op en keek van uit zijn schuilplaats naar boven.

„Neen, oom; ik was niet bang meer voor u, na dat bemorste tafellaken van van ochtend, en die zes potten bessengelei. En, weet u, toen Sarah daar net tegen Marian zei: „Och, och! wat zal menheer toch boos zijn!” toen zei Marian: „Nou ja, hij kan den jongen in elk geval toch niet opeten, dus zoo’n vrééselijk gezicht hoef je niet te zetten.” En toen dacht ik, u zal me ook wel niet opeten, ook al ging ik niet heusch naar bed. Ziet u, zoo vóór ’t eten, en vóórdat ik de konijnen en ’t varken eten gegeven heb, en al die prettige dingen meer, dat zou ik zoo erg akelig hebben gevonden. En och, oom, zou u niet denken, dat ’t beter voor me zou zijn, als ik nu maar onder de tafel vandaan kwam, en liever daar wat op het haardkleedje ging liggen?” [81]

Die vraag werd op zóó overredenden toon gedaan, dat de heer Russell zich tot zijn gastheer wendde, en zei:

„Iemand zou bepaald een hart van steen moeten hebben, om zóó’n nederig verzoek te weigeren. U heeft er zeker niets tegen, dat ik den kleinen smeekeling een meer gemakkelijke positie bezorg?”

En daar zijn gastheer toestemmend knikte, knielde de heer Russell op den grond en haalde een pakje deken en jongen te voorschijn, waarmee hij zich in een fauteuil neerzette, vóórdat hij ’t op het haardkleedje neerlegde.

„Ben ik niet nog al zwaar, zoo ingepakt?” vroeg Jo, toen zijn nieuwe vriend den deken terugtrok en hem ’t verwarde haar uit de oogen streek. „’t Zou, geloof ik, maar beter zijn als u me neerlei. Ik weeg heel wat, dat weet ik, ook zonder dat ding om me heen.”

„Ja,” zei de heer Russell, „nu je ’t zegt, merk ik ook dat je aardig zwaar bent; en toch wil ik dat vrachtje wel eens even vasthouden om je wat beter te bekijken, want je lijkt me een wonderlijke jongen. Wat was je idée daarmee, zeg, om voor je eigen plezier een ondeugende streek uit te halen, en dan weg te loopen en je zuster met half-bevroren handen en voeten aan haar lot over te laten, terwijl je zelf heel makkelijk in een [82]wollen deken onder de tafel ging liggen? Was dat niet een klein beetje leelijk van je?”

Met een driftige beweging trachtte Jo zich uit den deken en uit de armen van den vreemdeling los te wringen, welke poging met een tuimeling op den grond eindigde. Maar vóórdat hij kon opstaan en iets had kunnen zeggen, boog Corrie zich voorover, en, met een zweem van verontwaardiging in haar stem, zei ze:

„Werkelijk, u hoeft mijn partij niet te trekken, dank u. Jo mag ondeugend zijn, maar iets leelijks zal hij nooit doen, dat heeft hij nog nooit in zijn leven gedaan.”

Jo keek naar Corrie om, met den glimlach vol beteekenis, waarmee hij die veelgeliefde zuster een heel enkele maal vereerde. En toen hij zich daarna tot den vreemdeling wendde, stond op ’t schalksche jongensgezicht een ongewoon ernstige uitdrukking te lezen.

„Leuk, hé, om zoo’n zuster te hebben?” zei hij. „Als u Cor maar kende, dan zou u wel begrijpen dat ik tegen haar nooit iets leelijks zou kunnen doen. Ik liep alleen maar weg omdat ze ’t tegen me zei, en omdat ik dacht dat ik haar al meer dan genoeg last bezorgd had. En, ziet u, u is zooveel grooter en handiger dan ik, en daarom zond ik u zoo gauw als ik kon naar haar toe.” [83]

„Waar Juffrouw Corrie je alles behalve dankbaar voor was, kleine plaaggeest, dat kan ik je vertellen,” zei zijn oom lachend, terwijl hij zijn nichtje aankeek, die bij de herinnering aan die eigenaardige ontmoeting op nieuw een kleur kreeg. Algemeen werd de heer Holmer beschouwd als een deftig, tamelijk afgemeten man, maar zoo nu en dan had hij zijn plaagachtige buien, evengoed als zijn kleine neef en naamgenoot.

„Je hebt op school dansen en buigen en al die soort van dingen geleerd, hé, Corrie?” Verwonderd keek Juffrouw Holmer haar oom aan; maar vóórdat ze gelegenheid had iets te antwoorden, ging deze voort:

„’t Zou bepaald een idée wezen, dat voor een dansonderwijzeres geld waard zou zijn, als ze nu en dan haar leerlingen zich liet oefenen om in druipnatte kleeren netjes te loopen. ’t Vereischt veel talent om dat met eenige waardigheid te doen, heb ik gemerkt. Vind-je ’t ook niet, Russell? Ik zag dat je er ook de noodige aandacht aan wijdde.”

De heer Russell wierp een vluchtigen blik op ’t blozende meisjesgelaat tegenover hem, en toen zei hij, op een eerlijken, rondborstigen toon, die Corrie aangenaam in de ooren klonk:

„Foei, foei, Menheer Holmer, u heeft ’t plagen nog [84]niet verleerd, merk ik. Weet u nog wel hoe wanhopig u me indertijd kon maken met uw geplaag? Ik weet ’t nog heel goed. Ik keek Juffrouw Holmer na toen ze heenging, dat ’s waar, maar ik deed ’t alleen omdat ik werkelijk bang was dat ze vallen zou. En hoewel ik heel veel houd van mijn vak, vind ik, als ik eens een dag vacantie heb, ’t zetten van gebroken beenen zoo heel prettig niet.”

„Gebroken beenen! O, dan is u zeker een dokter?” riep Jo uit, terwijl hij zijn nieuwen vriend met meer belangstelling dan te voren aanstaarde. „En waarom vindt u ’t niet prettig om op een vacantiedag gebroken beenen te zetten?”

„’t Is bepaald jammer voor Jo, dat hij u niet in uw waardigheid heeft kunnen zien optreden,” viel Corrie lachend in, om aan ’t gesprek over dat onderwerp een einde te maken. „Misschien hoopte hij wel zelf een of ander drankje van u te krijgen, na ’t koude stortbad van van morgen.”

’t Deed den bezoeker veel genoegen te zien, dat de verlegen blos van daareven verdwenen was, en dat de spreekster haar zelfbeheersching geheel had teruggekregen.

„Ik geloof ’t bepaald ook, Juffrouw Holmer,” riep hij [85]vroolijk uit. „Nu, als ik hem daarmee plezier kan doen, dan wil ik hem wel eens een heel leelijk drankje ingeven. Zou u me den inktkoker even willen aanreiken?”

En in ’t volgende oogenblik lag Jo op zijn rug, over de knieën van den jongen dokter, als voorbereiding tot een zóó luidruchtige stoeipartij, als tot nog toe ooit in ’t huis van den heer Holmer had plaats gehad. [86]

[Inhoud]

VIII.

Een verrassing.

Bij Oom Holmer was ’t de gewoonte het brood in huis te bakken. De heer des huizes had een vooroordeel tegen ander brood, en dat vooroordeel was bepaald een van zijn stokpaardjes. Toen zijn nichtje als klein meisje voor ’t eerst bij hem kwam logeeren, had hij zijn keukenmeid op ’t hart gedrukt haar vooral in te wijden in de geheimen van ’t broodbakken, en bij elk volgend bezoek had ze daaraan meegedaan, om haar kennis er van niet te vergeten.

„Wat gaan jullie tweeën van morgen uitvoeren?” vroeg de heer Holmer, op een morgen aan ’t ontbijt, toen ’t logeeren van zijn nicht en neefje op ’t eind begon te loopen. Sinds het voorval met de gebroken kraan [87]voelde hij altijd een zekere mate van belangstelling in de plannen die voor dien dag werden gemaakt, al wist hij ook bij ondervinding, dat op de uitvoering van die plannen nooit zoo heel vast kon worden gerekend, daar zijn jeugdige neef en naamgenoot nog al geneigd was een of andere variatie in ’t programma te brengen. Maar toch gaf ’t hem een zekere gerustheid als hij eenigszins op de hoogte werd gebracht, en dus had hij, sinds de bewuste overstrooming van het achtererf, de gewoonte aangenomen elken morgen te vragen, zooals hij nu deed:

„Wat gaan jullie tweeën van morgen uitvoeren?”

Corrie keek hem glimlachend aan.

„Ik ben van plan me van ochtend verdienstelijk te maken, Oom, want ik ga brood bakken. En dan zal ik, als Marian er ten minste niets tegen heeft, wat geslagen room voor u klaarmaken, of een blanc-manger.”

„Alsjeblieft geslagen room, hoor, Corrie,” zei de heer Holmer, met een goedkeurenden blik. „Dat is een tractatie, die ik alleen krijg als jij ze voor me klaar maakt. Maar als je van plan bent zoo in de keuken bezig te zijn, wat moet er dan in den tusschentijd van dezen jeugdigen uitvinder van kattekwaad worden?”

„Ik ga ook mee naar de keuken, om te kijken,” antwoordde vriend Jo dadelijk. [88]

„Zóó!” luidde ’t eenigzins twijfelachtige antwoord. „’t Zal me benieuwen, baasje, hoe lang die bezigheid van toekijken je bevallen zal.”

Jo hield zijn hoofd weer op zij, op papegaaien-manier, zooals altijd als hij over iets nadacht.

„Wel, Oom, ik denk net zoolang totdat Corrie ’t brood in den oven heeft gezet.”

„En de geslagen room heeft klaar gemaakt?”

„Neen, zóólang niet, want ik ben er niks benieuwd naar hoe geslagen room gemaakt wordt. Mannen, die in woeste bosschen of in mijnen leven, zullen wel nooit geslagen room eten, denk ik.”

„Neen, dat denk ik ook niet,” zei de heer Holmer droogjes. „Maar zou je ons niet eens even een verklaring willen geven, jongeheer, van ’t geen je vertelt? Wat heb jij daarmee te maken, met den smaak van mannen die in woeste bosschen en in mijnen leven, zeg?”

„Wel, héél veel, Oom Johan,” luidde ’t bedaarde antwoord. „U herinnert u dat boek wel, dat u me verleden week heeft gegeven? Nu, als ik groot ben, dan wou ik worden net als de mannen in dat boek, dan wou ik in een woest bosch gaan wonen, of goud-delver worden, of zoo iets. Ziet u, dáárom wou ik [89]leeren hoe je brood moet bakken; die mannen kenden ’t niet, en toen werden ze ziek omdat ze allerlei ongaar goed aten. Als Corrie ’t erg graag wil, mag ze later met me meegaan, en dan moet zij natuurlijk alles koken en zoo. Maar ik ben wel een beetje bang dat papa en mama ’t niet goed zullen vinden.”

„Dat ik het eten klaar maak voor de expeditie, bedoel-je?” vroeg Corrie, die moeite had haar gezicht in een ernstige plooi te houden.

„Neen, Corrie, dat niet; als je meegaat, zullen ze ’t, denk ik, heel goed vinden dat je ons wat helpt. Maar, natuurlijk, ’t zal wel een beetje eenzaam voor hen zijn zonder mij, en dus—”

„En dus—en dus, baasje,” viel de heer Holmer lachend in, „zal ik je, als je niet oppast, eens helpen aan die gelukkige eenzaamheid, door je op te pakken en je in een waschtobbe te laten verhuizen naar die mijnen daarginder, aan den overkant van den vijver.”

„Mij niet er bij, alsjeblieft, Oom,” zei Corrie vroolijk, terwijl ze haar stoel achteruit schoof, „want als dat de manier van reizen is van de expeditie, dan zou ik maar liever papa en mama in hun eenzaamheid gezelschap blijven houden.”

„Och, als je twee of drie waschtobben aan elkaar [90]bondt, en je hadt wat zeilen en roeispanen, dan zou ’t haast net zoo goed zijn als een schip,” zei haar broer, half tegen zichzelf, op nadenkenden toon, terwijl ook hij zijn stoel achteruitschoof en zich gereed maakte met zijn zuster naar de keuken te gaan.

Een kwartier later stond Juffrouw Corrie, met een groote huishoudschort voor en morsmouwen aan, voor de keukentafel, waarop zich de verschillende artikelen bevonden, die ze voor haar werk noodig had. Alles stond daar bij de hand, met uitzondering van de witte suiker, die voor de geslagen room was bestemd. Deze was in een grijs steenen pot weggezet op de aanrechtbank, uit vrees voor vergissingen, omdat het zout, dat voor ’t brood noodig was, zich in zoo’n zelfden grijs steenen pot bevond, en ’t dus volstrekt niet onmogelijk was zich in die twee te vergissen. Maar nu de suiker veilig was weggezet, kon daar geen sprake meer van zijn.

Juist wilde Corrie aan ’t gewichtige broodmaken beginnen, toen de stalknecht haastig binnenkwam, om haar de boodschap over te brengen dat zijn heer al in ’t rijtuig zat, maar dat deze haar graag nog even iets zou willen zeggen vóórdat hij naar de stad reed.

Snel wierp de jonge dame een half onrustigen blik [91]op ’t gereed liggende meel en op haar broertje, terwijl ze haastig vroeg: „Ga-je ook niet even mee, Jo?” en toen snelde ze heen om aan ’t verzoek van haar oom te voldoen. Aan háár uitnoodiging werd door Jo evenwel niet voldaan. Hij gaf er op dat oogenblik verre de voorkeur aan te blijven waar hij was; en hij vond dat dat wegroepen van zijn zuster al op een buitengewoon geschikt oogenblik was gebeurd.

Waarom de menschen toch zout in ’t brood deden, als ze ’t in hun macht hadden er suiker in te doen; dat was iets dat hij maar niet kon begrijpen.

„’t Is niets anders, wed ik,” mompelde hij in zichzelf, op nadenkenden toon, „als een van die dingen, die, zooals papa dikwijls zegt, alleen uit gewoonte worden gedaan, en ik geloof dat meisjes en vrouwen dat nooit goed kunnen begrijpen. Ik wed dat die goede Cor er niet van zou willen hooren, suiker in haar brood te doen in plaats van zout, maar ik vind ’t vreeselijk aardig dat ik dat nou net eens doen kan. En wat zal Oom ’t een tractatie vinden!”

Zoo gezegd, zoo gedaan. Fluks zette hij den suikerpot op de plaats waar de zoutpot had gestaan, en van den inhoud van eerstgenoemden strooide hij zoowat de helft over het meel, dat in de groote kom gereed lag, [92]waarna hij met een houten lepel, die er in stond, ’t geheel even omroerde. En nadat die menschlievende arbeid ter wille van ’t genoegen en plezier van de heele familie was afgeloopen, nam Jo een oud kookboek terhand, met de bedoeling daaruit nog wat wetenswaardigs op te doen, dat hem misschien later in zijn bosschen kon te pas komen. Hij had zich juist, met ’t boek op zijn knieën, neergezet, toen Marian, de keukenmeid, uit de achterkeuken kwam, om eens naar haar jeugdige gasten te kijken, en tegelijk het zout even te leenen, dat ze voor ’t een of ander, dat ze daar klaarmaakte, noodig had.

„Ben-je hier zoo alleen, beste jongen?” zei ze verwonderd. „Waar is je zuster? Heeft ze ’t broodbakken voor de verandering eens aan jou overgelaten?”

„Neen, ik wou dat ’t waar was,” luidde ’t besliste antwoord. „Ze is alleen maar even weggegaan omdat Oom haar wou spreken. Ze zal wel dadelijk terugkomen.”

„En weet-je soms ook of Juffrouw Corrie klaar was met ’t zout, vóórdat ze heenging?” vroeg Marian verder, terwijl ze den pot met suiker opnam van de plaats waar Corrie, even van te voren, in haar bijzijn het zout had neergezet.

„Ik—ik—neen—ja—ik weet ’t niet,” stamelde Jo, [93]terwijl hij zijn gezicht weer haastig over zijn boek heenboog, met zooveel schijnbare belangstelling, dat de goede Marian over zijn schouder keek om te zien wat hij toch zoo ijverig zat te bestudeeren. Ze had niet verwacht dat Jo’s verlangen om van ’t brood maken op de hoogte te komen, van heel langen duur zou wezen, en toen ze zag dat hij aan de inleiding van ’t kookboek bezig was, dat heel aardig en in den vorm van een verhaaltje was geschreven, begreep ze de oorzaak van zijn afgetrokkenheid volkomen. Ze had zelf menigmaal om die inleiding gelachen.

Er stond een glimlach op haar goedhartig gezicht te lezen, toen ze de suiker meenam en daarmee een wildpastei, die voor ’t middagmaal was bestemd, overvloedig besprenkelde. En die glimlach was nog aanwezig, toen ze den pot terugbracht, op ’t zelfde oogenblik dat Corrie in de keuken terugkeerde, en, half lachend half angstig, uitriep:

„Zoo, kleine Jo, hoeveel ondeugends heb-je, in dien tijd dat ik weg ben geweest, wel uitgevoerd, zeg? Laat me ’t eens hooren.”

Jo hief zijn oogen op van ’t kookboek.

„Ik dacht er over om poppetjes te maken van de gist, Cor, maar ik heb ’t niet gedaan.” [94]

„Neen, hij heeft nu toch zoo goed opgepast als ’t maar wezen kan,” zei de niets kwaads vermoedende Marian, en, terwijl ze den suikerpot weer op tafel zette, voegde ze er bij:

„Ik heb u niet van al ’t zout beroofd, Juffrouw Corrie, maar ik wou mijn pastei graag gauw klaar hebben, daarom heb ik voor ’t gemak hier maar een beetje van genomen.”

„Een flink beetje,” dacht Corrie, met eenige verbazing, toen haar scherpe blik de groote vermindering, die de inhoud van ’t zoutvat had ondergaan, opmerkte. Genoeg zout om wel een vijftig wildpasteien te kruiden was verdwenen. Enfin, ’t ging haar niet aan, en ze stond er dan ook nauwlijks één oogenblik bij stil, toen zij, op haar beurt, een theelepeltje zout over het meel sprenkelde, en eindelijk met het maken van ’t flink gesuikerde brood begon. Toen alles in den oven was gezet, wilde Jo de keuken uitgaan, maar Corrie zei:

„Hoor eens, Jo, ik zou nog een oogenblikje wachten als ik jou was, anders weet-je nog niet half wat je weten moet voor ’t leven in je bosschen. Ik ga nu wat koekjes maken voor bij de thee, en ’t is bepaald noodig dat je ook weet hoe dat gebeuren moet, zeg.” [95]

Jo, die al bij de deur was, keerde zich om en keek haar verwonderd aan.

„Waarom denk-je dat, Cor?”

„Waarom! Wel, omdat ik gezien heb in dat boek, dat in de laatste dagen hier overal in huis lag te slingeren, dat de held, Jim Slapdash—”

„Cor!” klonk ’t op verontwaardigden toon, „je weet niet eens zijn naam. ’t Is Dashwood. Maar wat zou dat met hem? Hij bakte toch geen koekjes, wel?”

„Ja zeker. In dat hoofdstuk, waar dat gevecht in voorkomt met de inboorlingen, herinner-je je niet hoe Dashwood daar zijn bevenden gevangene troost met een groote snee koek? En hoe zou hij op zoo’n oogenblik aan koek zijn gekomen, als hij ’t niet had gebakken?”

Hoewel de schrijver van ’t boek omtrent dat punt ongelukkig het stilzwijgen had bewaard, scheen Corrie’s redeneering toch afdoende genoeg, om Jo te bewegen naar zijn plaats naast de keukentafel terug te keeren. Weinig vermoedde hij aan welk een vuurproef hij zou worden onderworpen.

„Hè, Cor, wat zal dat lekker worden!” riep hij, terwijl hij er naar keek hoe eerst een opgestapeld bord vol glinsterende rozijnen in het beslag werd gedaan, en daarna een flinke hoeveelheid gesuikerde oranjeschillen. [96]„Ik geloof niet dat Jim Dashwood zooveel rozijnen en oranjeschillen in zijn koek zal hebben gedaan, zou ’t wel?”

„Neen, misschien niet. Mogelijk deed hij er alleen maar suiker in. Dat ’s waar, ’t is goed dat ik daar nog net aan denk. Door ’t praten met jou zou ik bijna vergeten er suiker in te doen.”

Dit zeggende, keerde Corrie zich om, ging naar de aanrechtbank, en nam, tot Jo’s grooten schrik, den pot op dien hij had verwisseld. Suiker in ’t brood, in plaats van zout, zou een heerlijke variatie zijn, daarvan voelde hij zich overtuigd; maar zout, in plaats van suiker, in koekjes, kon niet anders als afschuwelijk wezen.

„Cor,” begon hij haastig, „ik geloof niet dat er suiker in die koekjes noodig is. Denk-je niet dat ze zóó zoet genoeg zullen zijn, met al die rozijnen en gesuikerde oranjeschillen?”

Corrie lachte. „Wat, zonder suiker!” riep ze uit. „Stel je eens voor! En oom Johan en jij, die allebei zooveel van zoetigheid houden! Neen, hoor Jo, ik wil mijn reputatie omtrent zulke dingen niet bederven, door de suiker te sparen, als ik iets lekkers voor jou of oom klaarmaak.”

En al pratende nam ze den pot op, en zoowat één [97]half pond zout ging het beslag in. Een klein beetje werd nog achter gehouden voor de geslagen room. Maar Jo bleef niet wachten om naar ’t klaarmaken daarvan te kijken. Hij had genoeg gehad, en meer dan genoeg, van de keuken en de kook- en bakaangelegenheden, nu hij zag hoe zijn zuster, zonder aan iets kwaads te denken, haar koekjes bedierf; en hij uitte een zucht, half van verdriet, half van verlichting, toen John, de tuinman, aan de deur verscheen, en, zijn pet aanrakende, vroeg of de jongeheer soms lust had een ritje te maken in den ezelwagen, om hout te halen uit ’t bosch.

[98]

„John,” begon Jo op eens, „ik wou je iets vragen.”

Jo zat op ’t bankje in den wagen, die door vriend langoor bedaard en langzaam werd voortgetrokken. John, de tuinman, liep er naast, en hij had zich al eens verwonderd afgevraagd wat den kleinen jongeheer toch schelen zou, omdat hij zoo ongewoon stil was. Hij toonde dan ook aanstonds zijn bereidwilligheid om naar de vraag van zijn kleinen metgezel te luisteren.

„Is ’t iets over die konijnen, waarvan menheer zei dat je ze mee naar huis mocht nemen, jongeheer?”

„Wel neen, John,” luidde ’t half ongeduldige antwoord. „Ik wou wel eens weten, John, als je iets hadt gedaan met de bedoeling om een pretje er van te maken, en een gedeelte er van liep heelemaal in de war, wat zou je dan doen?”

„Wel, jongeheer, ik zou mijn best doen om den boel weer in orde te krijgen.”

„Ja maar, als er nu niks meer aan te doen was, als je den boel niet meer in orde kon krijgen, wat dan?”

Nu werd ’t vraagstuk John wat al te moeilijk, dus hij gaf ’t maar op. [99]

[Inhoud]

IX.

Ontdekking.

’t Gebruik van de middagthee was in ’t rustige buitenhuis van den heer Holmer evengoed een vaste gewoonte geworden, als ’t dit in groote steden tegenwoordig in de meeste huishoudens geworden is. En aan zijn beide jeugdige gasten beviel die gewoonte heel goed. Corrie was een even groote liefhebster van thee, als de meesten van ons zich tegenwoordig verbeelden ’t te zijn; en Jo had ontdekt dat zijn peetoom, gedurende dat rustige middaguur, gewoonlijk in zijn meest opgewekte, gezellige stemming verkeerde, en dan heel dikwijls ’t een of andere prettige plannetje opperde, of iets aardigs te vertellen had. ’t Gebeurde dan ook maar heel zelden dat Jo, tusschen half vijf en [100]zessen, zich niet in de zitkamer vertoonde. Maar op elken regel bestaan uitzonderingen.

Dien dag van ’t broodmaken had Juffrouw Holmer voor haar oom en zichzelf al een paar kopjes thee geschonken, en de heer Holmer was op onrustige manier al van den eenen stoel op den anderen gaan zitten, vóórdat vriend Jo voor den dag kwam. En hij zou zelfs toen niet gekomen zijn, als zijn oom hem geen boodschap gezonden had, om te vragen waar hij toch bleef. Met de benijdenswaardige vergeetachtigheid, aan zijn leeftijd en zijn karakter eigen, had Jo al zijn zorgen en verdriet betreffende de gezouten lekkernijen totaal vergeten, weinige minuten nadat zijn geheimzinnige poging om den ouden tuinman om raad te vragen op niets was uitgeloopen. ’t Mennen van een ezel, ’t helpen met het opladen van hout, en daarna ’t naar huis rijden en ’t weer afladen van den wagen, dat waren nieuwe en heerlijke bezigheden, die weldra alle onaangename tobberijen van vriend Jo op de vlucht joegen. Zelfs aan ’t koffiemaal herinnerde hij zich niet wat hij dien morgen had gedaan, en de gevolgen daarvan, want zijn oom gaf hem, toen hij naar binnen kwam loopen, permissie zoo gauw mogelijk voort te maken, en dan weer naar buiten te gaan om John te helpen met ’t opladen [101]van een vrachtje brandhout, dat aan een arme, oude vrouw moest worden gebracht, die een eind buiten ’t dorp woonde. Jo had geen tijd gehad om aan iets anders te denken als aan ’t prettige werkje dat hem wachtte.

„Ziezoo, jongeheer,” zei John, toen ze tegen ’t donker eindelijk terugkeerden. „Je hebt me vandaag uitstekend geholpen, dat moet ik zeggen. Ik hoop dat de thee goed zal smaken.”

„Eten en drinken smaakt me altijd goed,” luidde ’t rondborstige antwoord. „Maar wat je me van middag hebt laten doen, vond ik toch nog veel prettiger. Toe, [102]bedenk tegen morgen weer eens zoo iets. Dag, John!”

En toen rende Jo het huis in, waar Corrie hem beetpakte en hem met opgetrokken wenkbrauwen aanstaarde. „Maar, jongen, wat zie-je er uit!” riep ze.

„Dat wil ik wel gelooven, Cor,” luidde ’t antwoord, „je hadt ook eens moeten zien wat ik gedaan heb. ’t Was heerlijk! Ik zal aan John vragen of jij morgen ook eens mee mag helpen met hout laden; hij is erg goedhartig, dus ik denk wel dat hij ’t zal willen hebben, al zegt hij ook wel eens dat hij ’t gescharrel van vrouwen om hem heen maar lastig vindt.”

„Zoo, zegt John dat?” zei Corrie lachend. „Nu, denk er om, kereltje, dat jij van ’t gescharrel van één vrouw om je heen veel last zou krijgen, als je niet zoo gauw als je kunt naar boven gaat om je flink op te knappen, vóórdat oom je in ’t oog krijgt. Ik heb andere kleeren voor je klaargelegd, en een schoone kraag. Allo, vlug, kleine baas!”

Een kwartier later, toen Jo de trap afkwam, deed ’t zien van een schotel kleine, lichtbruine, smakelijk uitziende koekjes, waarmee Jane, de meid, op weg was naar de zitkamer, hem zóó hevig ontstellen, dat hij plotseling stilstond en, na een paar seconden, weer terugrende naar zijn eigen kamer, waar hij bleef totdat [103]Jane hem, uit naam van den heer Holmer, kwam roepen.

„En ik zou me maar wat haasten, Jo, als ik jou was,” voegde ’t goedhartige meisje er bij, „want die koekjes van juffrouw Corrie zien er uit, neen maar—”

„Afschuwelijk!” schreeuwde Jo, terwijl hij Jane met zóó’n vaart voorbij stoof, dat ze er werkelijk van schrikte.

De heer Holmer keek zijn jeugdigen gast aan toen deze binnenkwam; en de ernstige uitdrukking van zijn [104]gezicht en de ongewoon langzame, bedaarde manier waarop hij naderde, wekten bij zijn oom eenige ongerustheid op.

„Zeg eens, baasje, wat scheelt er aan?” zei hij. „Ik heb gehoord dat je vandaag den heelen dag zoo prachtig hebt opgepast, dat ik daar juist een brief aan je mama heb geschreven om te vragen of je tot na Donderdag mag blijven, zoodat je ’t schoolfeest nog kan bijwonen. Maar als je ziek gaat worden, of verdrietig, zie-je, dan pak ik je zoo gauw mogelijk in en ik zend je weg.”

Jo naderde de theetafel, terwijl hij een haastigen blik wierp, eerst op de schaal met koekjes, en daarna op ’t schoteltje van zijn oom. „Ik ga niet ziek worden, Oom, ten minste dat geloof ik niet, en ik ben niet bepaald verdrietig, maar ik heb iets heel ernstigs in mijn hoofd om over te denken, en John kon me niet helpen, zei hij. Ik wou dat hij ’t gedaan had.”

De heer Holmer lachte. „Zoo, tot welk soort van kattekwaad heb-je John willen overhalen, vertel me dat eens?”

„O! ’t was niet John die ’t doen moest,” zei Jo snel. „Ik vroeg alleen maar hoe hij over iets dacht, en hij zei dat hij geloofde dat hij er niks geen licht in kon zien, en ik kon ’t ook niet.” [105]

„Zou ik ’t misschien kunnen?” vroeg de heer Holmer, zonder recht te weten of hij zou lachen of ernstig kijken. Zijn neefje keek in elk geval ernstig genoeg, terwijl hij antwoordde:

„Ja—o—ik denk dat u ’t wel zou kunnen. Maar u zou dan, denk ik, alles er van willen weten, ziet u; en ik had gedacht dat John me zonder dat wel een beetje had kunnen helpen.”

„Och, jou dwaze kleine Jo,” viel Corrie lachend in, toen ’t raadselachtige gesprek zoover was gevorderd. „Wat voor wonderlijke, gewichtige dingen heb-je toch in je hoofd? Zou je, voordat je verder gaat, mijn koekjes niet eens proeven? Oom heeft bedankt, en nu wou ik graag eens weten hoe ze jou smaken.”

Al pratende trok ze hem mee naar een stoel, dicht bij ’t vuur, want hij was zoo lang boven in de kou gebleven, dat hij er bepaald verkleumd uitzag. Maar hij openbaarde niet veel neiging om de bewuste koekjes te proeven, en de heer Holmer legde zijn boek neer, en begon zich extra veel moeite te geven om zijn neefje weer vroolijk te doen kijken. Eindelijk slaagde hij daarin, maar nog altijd bleef een half afgebeten koekje onaangeroerd op Jo’s schoteltje liggen. De heer Holmer begreep er niets van, en Corrie vond ’t ook [106]vreemd, al was ’t waar dat er op haar schoteltje ook een klein bruin voorwerp lag, waar ze niet naar omkeek.

Verscheiden malen staarde ze haar broertje met wijdgeopende oogen aan, terwijl deze naar de vertelsels van zijn oom luisterde, en dan wierp ze weer een blik op de schaal met koekjes; maar telkens schudde ze ontkennend ’t hoofd, in antwoord op haar eigen gedachten. ’t Was totaal onmogelijk, dat hij ze kon hebben aangeraakt. Hij was bijna voortdurend in ’t kookboek verdiept geweest, terwijl zij ze klaarmaakte, en ze was geen minuut uit de keuken geweest, van ’t oogenblik af dat zij er mee begon, totdat ze uit den oven waren gehaald.

„Oom,” begon ze eindelijk, op bedrukten toon, „als ik weer eens iets voor u klaarmaak, mag ik dan versche boter gebruiken?”

„Ja zeker, kind-lief,” zei de heer Holmer, op de afgetrokken manier, die bij hem gewoonte was als hij over andere dingen dacht. Op dat oogenblik voelde hij zich niet gerust omtrent zijn neefje. Zijn schoonzuster had hem dringend verzocht op te passen dat de jongen niet ziek werd; en toch, ondanks alle goede zorgen, was de oom bang dat zijn kleine gast op de een of [107]andere manier van streek was geraakt. Hij wendde zich weer van Corrie af, en zei:

„Jo, mijn jongen, je vordert niet met je koekjes. Hoe komt dat zoo? Wat heeft Corrie er mee uitgevoerd?”

„O!—’t is—’t is niet bepaald de schuld van Corrie,” stamelde Jo, terwijl hij moedig de versmade snoeperij oppakte en zich gereedmaakte er in te happen.

Maar juffrouw Holmer nam ’t hem uit de hand en zei haastig:

„Neen, oom, ’t is mijn schuld niet, maar hij kan ze bepaald niet eten. Ze zijn zoo zout als iets. ’t Komt alleen omdat er vatboter voor gebruikt zal zijn; dat is goed voor vleeschgerechten, en zulke dingen, maar voor taarten en andere zoetigheden is ’t afschuwelijk. Die heele verzameling koekjes is er door bedorven.”

Corrie keek erg verdrietig en ontstemd, gedeeltelijk omdat ze wist dat haar moeder haar zou hebben gezegd dat ze de boter had moeten proeven, vóórdat ze die gebruikte, als ze eenigszins aan de kwaliteit twijfelde. De heer Holmer was ontstemd omdat zijn nichtje ’t was, en omdat Jo ’t zonder de beloofde lekkernijen moest stellen.

Toen Corrie had uitgesproken, stond hij haastig op en zei: [108]

„Kind-lief, je vertelt me bepaald iets nieuws. Ik had er volstrekt geen idée van, dat Marian ooit kocht wat jij vatboter noemt, en ik ben in de hoogste mate verbaasd dat ze je iets anders als de beste materialen geeft, als je zoo vriendelijk bent iets te willen klaarmaken. Ik zal—”

„Bellen en er haar naar vragen,” wilde de heer Holmer zeggen, maar Jo viel haastig in:

„En Corrie heeft ook ’t beste van alles gehad, Oom, om in die koekjes te doen. Geconfijte oranjeschillen, u weet niet hoe lekker ze er uit zagen; en die smaken zelfs zout, dat weet ik, want ik heb er een stukje uitgehaald om te probeeren. Maar al heb-je nu ook alles van de beste soort, dan kan zout toch niet als suiker smaken, en, ziet u, ik heb—”

Maar hier werd aan Jo’s mededeelingen een plotseling einde gemaakt door ’t binnentreden van Jane, die aan den heer des huizes meedeelde dat in de ontvangkamer een vreemde bezoeker op hem wachtte; en op het meegegeven kaartje las de heer Holmer den naam van een kennis van hem, een vrij gewichtig en voornaam man, zoodat de behandelde keuken-aangelegenheden totaal vergeten werden, en de heer Holmer zich, gedurende een oogenblik, uitsluitend met de vraag bezighield, of [109]het menu van dien middag geschikt zou zijn om Dr. Barton, die nogal een fijnproever was, zonder bezwaar aan tafel te ontvangen. Na zijn gast even te hebben verwelkomd, liet hij dezen weldra aan de zorg van Corrie over, en ging naar beneden om wijn uit te zetten, en tevens met Marian de kwestie van ’t middagmaal eens te bepraten. Haar meening was gelukkig zeer bemoedigend.

„We hebben van middag ook nog die wildpastei, mijnheer. En natuurlijk, ze kan tegenvallen, maar dat ze er prachtig uitziet, is zeker. En dan hebben we den geslagen room van Juffrouw Corrie, ziet u, en die kleine geraspte broodjes, die altijd heel goed staan op een tafel, niet waar, en—”

„En die vandaag puik-puik lekker zullen zijn, dat weet ik zeker,” viel Jo in, die ook het deftige gezelschap in de ontvangkamer was ontvlucht, en die er nu weer heel opgewekt uitzag. Al waren de koekjes dan ook bedorven geworden, hiervan voelde Jo zich in elk geval zeker, dat de broodjes heel lekker zouden smaken.

„Kostelijk!” dacht hij in stilte, toen hij zijn plaats aan tafel innam, en met een blik vol welgevallen naar de schaal met kleine, bruine broodjes keek. [110]

Maar de glimlach op Jo’s gezicht zou, helaas, al heel spoedig worden verjaagd. De soep werd gediend, een smakelijke, krachtige soep, die Marian alle eer aandeed. Dr. Barton proefde er van, en blijkbaar voelde hij zich zeer voldaan. Toen nam hij een stuk van zijn broodje, maar bijna op ’t zelfde oogenblik riep hij, op scherpen toon:

„Een stuk gewoon brood, alsjeblieft.”

De woorden waren nauwelijks gesproken of hij bedacht zich, en wendde zich lachend en met een verontschuldigend gebaar tot zijn gastheer.

„Neem me toch niet kwalijk, Holmer! Je maakt dat ik me hier zoo thuis voel, dat ik waarlijk een oogenblik vergat dat ik niet aan mijn gewone tafel zit in Oxford.”

Natuurlijk nam de heer Holmer de verontschuldiging dadelijk aan, maar juffrouw Holmer keek heel bevreemd op, en dat deed Jo van zijn kant ook. Die jongeheer waagde zelfs zijn gevoelens half fluisterend te uiten:

„Stel je voor, dat iemand méér van gewoon brood houdt dan van die lekkere dingen!”

Dr. Barton verstond die woorden van zijn jeugdigen overbuurman en lachte.

„Ja, vriendje, ik kan me voorstellen dat je je over [111]mijn smaak verwondert. Op jou leeftijd hield ik ook meer van gesuikerde broodjes dan van gewoon brood.”

De heer Holmer keek zijn vriend eenigszins verwonderd aan. Hij had zelf de broodjes nog niet geproefd. Corrie brak nu een stukje af van het hare, terwijl een lichte blos van ergernis haar naar ’t hoofd steeg, omdat de voorname gast ze zoo versmaadde.

Een gedempte uitroep ontsnapte haar, terwijl zij ’t stukje brood in den mond stak, en snel wierp ze een blik op haar broer.

„O, Jo, nu weet ik ’t wel zeker dat jij er mee bezig bent geweest, en met die koekjes ook.”

„Nu, dit is ten minste iets goeds geweest, dat kan je toch niet anders zeggen,” fluisterde Jo, op triomfantelijken toon, terug.

Maar ’t was er nu de tijd niet voor om hem te antwoorden. Dr. Barton had zich weer tot Corrie gewend, en ze moest aan haar verplichtingen als tijdelijke gastvrouw denken. Ze wierp een haastigen blik naar de plaats waar haar oom zat, en merkte, tot haar groot genoegen, dat hij te zeer verdiept was in ’t gesprek, om er iets van te zien hoe ook zijn broodje voor gewoon brood werd verruild, op een teeken dat ze [112]aan Jane had gegeven. Ze troostte zich dus met de gedachte, dat Jo’s bemoeizieke vingertjes bij slot van rekening toch nog niet zoo’n heel groot kwaad hadden aangericht. Maar hoe hij kans had gezien zich met de dingen te bemoeien, was haar bepaald een raadsel, want ’t was haar door ’t hoofd gegaan dat ze door haar oom even was weggeroepen.

Met groote voldoening en veel smaak at Jo zijn heele broodje op. Toen kwam de wildpastei aan de beurt. [113]

Wildpastei was een lievelingsgerecht van den heer Holmer, en Marian, die dit wist, deed altijd haar uiterste best om dat speciale gerecht geheel naar den eisch klaar te maken. Ook Dr. Barton was er zeer op gesteld, en ’t was al meer dan eens gebeurd dat hij, onder ’t gastvrije dak van zijn vriend, daarvan had genoten. Er vertoonde zich dan ook een welbehagelijke glimlach op zijn gelaat toen de pastei op tafel verscheen.

’t Gerecht werd gesneden, rondgediend, en men begon er van te eten, en toen—legde Dr. Barton zijn mes en vork neer, terwijl zijn gezicht een zonderlinge uitdrukking aannam. Corrie en haar oom staarden hem beiden verschrikt aan.

„Barton, beste kerel, ben-je ziek?” riep de heer Holmer uit.

„Ziek! Neen,” antwoordde Dr. Barton, met een gedwongen lachje; „maar je weet, Holmer, ik ben een man van den ouden stempel—behoudend in alles—en dat zoet-gemaakte goed hier is—neem ’t een ouden vriend niet kwalijk dat hij ’t ronduit zegt—totaal verknoeid.”

De heer Holmer staarde zijn vriend nog even in groote verbazing aan, toen gebruikte hij haastig zelf wat van ’t gerecht, en zei: [114]

„Probeer maar niet iets van dat afschuwelijke goed te eten, Barton. Hoe hebben ze me zóó’n poets durven bakken!”

Hij sprong op, en zonder één woord te zeggen tegen Jane, die ’t gezelschap bediende, stoof hij naar de bel. Maar iemand anders was hem nog voor. Een klein, gebruind handje deed een greep naar zijn groote hand, en een tamelijk benauwd stemmetje zei:

„Toe, wacht even, Oom. ’t Is alles mijn schuld. Daardoor is die narigheid nu allemaal gekomen, van den room, en de pastei, en de koekjes, en John zei dat hij me niet helpen kon, als de boel al heelemaal in de war was. En ’t was heusch niet om u of Cor te plagen, dat ik ’t zout en de suiker heb verruild—maar alleen om ’t brood lekker te maken. En nu ga ik naar bed—en—en—” met een hoorbaren snik—„ik heb ’t u nu allemaal verteld—en ik zal morgen den heelen dag in bed blijven, en nog langer, als u dat wil. Maar wees u alsjeblieft daarna niet meer boos op me.” [115]

[Inhoud]

X.

Een ongelukkig gezegde.

„Zoolang ik leef, zal ik nooit, nooit meer in ’t bijzijn van kinderen iets opperen, noch in ernst, noch in gekheid, dat ik ze niet graag zou laten doen.”

Aldus sprak de heer Holmer, op zekeren dag, tot zijn schoonzuster en haar man, en, te oordeelen naar de uitdrukking van zijn gezicht op dat oogenblik, meende hij ’t geen hij zeide heel ernstig. Maar we zullen beginnen met naar Jo terug te keeren, en naar den dag, volgende op ’t feest van de verongelukte pastei.

Het ontbijt was afgeloopen. Jo had het laatste stukje van zijn gesuikerd brood opgegeten, in alle stilte in zichzelf denkende dat zijn aandeel in de kook-aangelegenheden toch, bij slot van rekening, bepaald een [116]verbetering zou zijn geweest van de gewone manier; maar daarna hadden Marian en Corrie de zaak eigenlijk bedorven. Hij stond nu door ’t raam van de eetkamer naar buiten te staren, met zijn hoofd op zij, op een manier, die, zooals zijn zuster wel wist, voor de toekomstige rust en vrede in huis nooit heel veel goeds deed verwachten.

„Wat voor stoutigheid ben-je nu weer aan ’t bedenken, kleine baas,” zei ze, terwijl ze achter hem ging staan en zijn hoofd recht trok.

Jo draaide zich om.

„Cor,” zei hij, ernstig, en op een toon vol verwijt; „weet je dan niet dat mijn stoutheden dingen zijn die altijd in eens opkomen? Ik denk er nooit van te voren over. Gelukkig niet. Als je ziet dat ik over iets sta te denken, dan is ’t altijd dat ik bezig ben iets goeds of iets prettigs te verzinnen, maar nooit iets stouts. Begrijp-je dat nu nog niet, Corrie?”

„Nu—j—a,” zei Corrie, eenigszins aarzelend. „Ik geloof wel, Jo, dat je er meer over denkt iets goeds of aardigs te doen dan iets stouts. Maar, zie-je, je ondernemingen vallen meestal zoo ongelukkig uit, dat—”

„O!” viel Jo bedaard in, „dat komt alleen, zooals papa altijd van de dingen uit de geschiedenis zegt, door [117]de macht van de omstandigheden. En je kunt van mij toch niet verwachten dat ik daar veel aan doen kan, Cor.”

Corrie barstte in zoo’n hartelijk gelach uit, bij ’t hooren van dat antwoord, dat haar jeugdige broer op ’t punt stond ernstig boos te worden. Maar ze bedwong zich en zei:

„Kom, kom, kereltje, wees nu maar niet boos omdat ik zoo lach. Je weet wel dat ’t heel gezond is voor een mensch, nu en dan eens hartelijk te lachen, dus je moest blij zijn dat je ’t mij hebt laten doen. En nu zal ik weer heel ernstig zijn, dat beloof ik je, terwijl je me vertelt welk plan je bezig was te verzinnen.”

Jo staarde met een eenigszins onzekere uitdrukking voor zich heen. Hij voelde zich in zijn waardigheid gekwetst, maar toch vond hij ’t verschrikkelijk vervelend, en lastig ook, om op Corrie boos te blijven.

„Ik zou zeggen dat je volstrekt geen reden hebt om me uit te lachen, Corrie, en—”, dit werd er met een heel ernstig gezicht bijgevoegd, „ik vind dat ’t voor papa ook niet prettig is, dat je zoo lacht om iets wat hij gezegd heeft. Als je me zoo blijft plagen, dan kan ik niks meer verzinnen, en ik was juist zoo aan ’t bedenken van iets waar ik oom eens pleizier mee zou kunnen doen, [118]omdat hij gisteren niet erg boos is geweest om die pastei en dat allemaal.”

„O—o!” zei Corrie, terwijl haar lachlust verdween, en ze haar broer met een blik vol bezorgdheid aankeek. „Dus heb ik toch gelijk gehad, klein papegaaitje, dat je bezig was iets te bedenken, dat misschien weer slecht zou kunnen afloopen. Ik zal je eens iets veel beters vertellen. Wees zoo voorzichtig als je ’t maar met mogelijkheid zijn kan, om niet ’t minste of geringste meer te ondernemen van die dingen, die jij verrassingen noemt, maar waarvan de gevolgen meestal lastig en onpleizierig zijn. Dat zal een veel betere manier zijn om Oom Johan te bedanken dan iets anders, geloof me.”

„Zou-je dat denken?” luidde ’t gemoedelijke antwoord, terwijl de blonde krullebol weer op zij werd gehouden. „Maar, zie-je, Cor, jou plannen zijn allemaal om niets te doen, en ik vind ’t veel aardiger om wél iets te doen.”

Vóórdat Juffrouw Holmer haar spijt kon uitdrukken omtrent dat laatste, welbekende feit, stak de heer Holmer zijn hoofd naar binnen, terwijl hij haastig zei:

„Jo, ik ga vandaag niet naar mijn kantoor, dus als je dadelijk je muts opzet, kan-je met me meegaan om de boerderij rond te gaan; en misschien kunnen we daarna nog wel even een kijkje nemen in de school, en [119]den Kerstboom zien, als we Corrie daar gaan afhalen.”

„Hoera!” schreeuwde Jo, terwijl hij naar de deur holde om zijn muts te halen. Maar opeens scheen hij zich iets te herinneren, en hij bleef met een eenigszins bedrukt gezicht staan.

„Dat ’s waar, oom, ’t spijt me erg, maar ik heb aan Cor beloofd dat ik met haar mee zou gaan om haar te helpen.”

„Wel, wel!” zei de heer Holmer, op een toon van ernst, die door de uitdrukking van zijn gezicht werd weersproken. „Dat is bepaald een lastig geval, jongen! Maar zou-je niet denken dat Corrie je misschien wel van je belofte zou willen ontslaan, als we ’t haar vroegen?”

Corrie trad naar voren, met een lachende uitdrukking in haar oogen, om voor zichzelf te antwoorden.

„Zeker, Oom, ’t zal me zelfs heel veel pleizier doen. Ik bedoel natuurlijk, Jo, dat ik ’t heel best vind, als je met Oom meegaat om al de dieren te bekijken, en ik hoop dat je een heel prettigen ochtend zult hebben.”

En zoo werd Jo door zijn zuster aan de hoede van haar oom overgegeven, terwijl ze niet kon nalaten een lichten zucht van verlichting te slaken, nu ze eindelijk eens in staat was vrij adem te halen, al was de deugniet [120]ook uit ’t gezicht. Die arme Corrie! Weinige uren later schreide ze zich half blind, bij de herinnering dat ze er blij om was geweest haar kleinen, lastigen broer een poosje kwijt te zijn, en deed ze haar best, door middel van allerlei zelf-pijnigingen, uit die gedachte stof te putten tot bitter zelfverwijt.

Voor ’t oogenblik echter begaf ze zich vol opgewektheid op weg, om den zeer welkomen bijstand te verleenen van haar goeden smaak en vlugge vingers bij ’t versieren van den Kerstboom, die in de gemeenteschool dienst zou moeten doen; en Jo liep mee met zijn oom, om een flinke inspectie te houden over de paarden, varkens en koeien, en al het andere gedierte in die omgeving.

Jo was er bijzonder op gesteld niets over te slaan, en dus moest er ook een bezoek worden gebracht aan de geit, die op een veld op eenigen afstand van het huis te vinden was. Voordat oom en neef die plek hadden bereikt, werden ze ingehaald door den dorpsgeestelijke, die gekomen was om met den heer Holmer het een en ander omtrent de regeling van het schoolfeest te bespreken. Jo liep naast de beide heeren voort, nu en dan eens luisterend naar hun gesprek, en dan weer bezig met zijn eigen gedachten. Maar op eens scheen ’t [121]hem toe, dat zijn eigen gedachten en ’t onderwerp van gesprek der beide heeren zóó wonderlijk in elkaar pasten, dat hij er bepaald verbaasd over was.

„Wat een prachtige oude boom!” had de predikant zoo juist gezegd, terwijl hij stil bleef staan onder een breedgetakten kastanjeboom, die er, zelfs in zijn wintersche kaalheid, indrukwekkend uitzag.

„Ja,” zei de heer Holmer, „die oude reus is een van de dingen hier, waar ik bijzonder veel prijs op stel. Maar tot mijn spijt heeft hij door ’t zware onweer van verleden zomer wat geleden. Daarginder zit een tak, zie-je wel, die door den bliksem is getroffen; hij is heelemaal dood.”

Bladz. 121. „Daarginder zit een tak, die door den bliksem is getroffen.”

Bladz. 121. „Daarginder zit een tak, die door den bliksem is getroffen.”

„Zoo!” zei de predikant, terwijl hij haastig eenige schreden achteruit trad. Hij was een eenigszins zenuwachtig man, en de getroffen tak was vrij groot.

„Zou ’t niet beter zijn dat hij werd weggenomen?” vroeg hij, met eenige onrust. „Bij harden wind zou hij bepaald gevaarlijk kunnen worden. Dunkt-je niet?”

De heer Holmer keek met onderzoekenden blik omhoog, en dat deed Jo ook.

„Jawel,” zei de heer Holmer; „daar heb ik zelf ook wel eens over gedacht. Maar de kwestie is dat John, mijn tuinman, zoo zwaar is, dat ik eigenlijk bang was [122]hem zoo hoog te laten klimmen. ’t Zal ’t best zijn dat ik eens naar een of anderen jeugdigen schoorsteenveger uitkijk, om naar boven te klimmen en een touw om den tak te slaan. Die zou dan gauw genoeg beneden zijn, met één flinken ruk. En ik moet zeggen dat ik er blij om zou wezen, want ’t is niet alleen gevaarlijk, maar een leelijk gezicht ook.”

Dit zeggende, kwam hij van onder den boom uit en voegde zich weer bij zijn vriend, te zeer vervuld van ’t gesprek, dat tijdelijk was afgebroken, om de belangstellende, verlangende blikken op te merken, die door vriend Jo op den dooden tak werden geworpen, waarover zijn oom had gesproken.

„Ik ben geen schoorsteenveger,” zei Jo zacht in zichzelf, terwijl hij langzaam achter de beide heeren aanliep; „maar ik kan heel wat beter klimmen dan Fred Mackenzie, en ik geloof dat hij zelfs heel gemakkelijk naar boven zou kunnen klauteren om een touw te slaan om dien dooden ouden tak. Ik kan ’t in elk geval zeker.” [123]

[Inhoud]

XI.

De lastige jongen krijgt een ongeluk.

„En wat zal oom tevreden zijn,” mompelde Jo Holmer in zichzelf, „als ik terugloop en hem vertel dat ’t touw al heelemaal in orde is, en dat ze maar kunnen trekken.”

Vriend Jo zat heel in de hoogte tusschen de takken van den reusachtigen ouden kastanjeboom, toen hij dat zei; en hij keek naar boven om te zien hoe ver hij nog gaan moest. ’t Deed hem wel een beetje pleizier te merken, dat hij nog maar een klein eindje hooger behoefde te klimmen om te zijn waar hij wezen moest, want door de vorst waren de takken eenigszins „glibberig,” en ondanks de inspanning van het klimmen, begonnen zijn handen tamelijk verstijfd te worden van [124]de kou. Hij keek naar het touw, dat hij om zijn middel had gewonden, en wenschte er zichzelf geluk mee dat hij ’t niet met een knoop had vastgemaakt, want die zou moeilijk los te maken zijn geweest. En toen strekte hij zijn arm weer uit naar een hoogeren tak, en klom verder.

Maar terwijl Jo bezig was zijn plan te volvoeren om [125]zijn oom een echten, werkelijken dienst te doen, als teeken van dankbaarheid voor al de aan hem bewezen vriendelijkheden, werd door de personen, die zich voor zijn welvaren en goed gedrag verantwoordelijk voelden, de gebruikelijke vraag gedaan, waar hij ergens zitten zou.

Dadelijk na ’t koffiemaal was Juffrouw Holmer weggeroepen naar de ontvangkamer, om het een en ander met de schooljuffrouw te bepraten. De heer Holmer had een wijsgeerig gesprek op touw gezet met den predikant, die met hem naar huis was gegaan om te blijven koffiedrinken, en Jo had die gunstige gelegenheid waargenomen, om weg te loopen en ongehinderd zijn goede plannen te gaan volvoeren.

De gewichtige kwesties betreffende ’t schoolfeest, het onthalen van de kinderen, de versiering van den Kerstboom, enz., waren eindelijk tot een beslissing gekomen, en Corrie keerde nu naar de eetkamer terug. De onvermijdelijke vraag volgde:

„Waar is Jo, oom Johan, weet u ’t ook?”

„Jo, kind-lief?” zei Oom Johan, terwijl hij, op eenigszins afgetrokken manier, in de kamer rondkeek. „Neen, Corrie, ik dacht dat Jo bij jou was. Heb je hem naar hier teruggezonden?” [126]

„Neen, Oom, ik had hem hier gelaten.”

„Uw broertje is uitgegaan, juffrouw,” zei Jane, die toevallig binnenkwam, terwijl ze er over aan ’t praten waren. „Een minuut of tien geleden zag ik hem ’t keukenraam voorbijgaan.”

„Lieve hemel, waar kan hij naar toe zijn gegaan?” zei Corrie, met een extra gevoel van onrust, bij de herinnering aan ’t gesprek van dien morgen over de verschillende uitingen van dankbaarheid. Ze keek zóó bedrukt, dat haar oom opstond, tegelijk met zijn gast, en op bemoedigenden, opgewekten toon zei:

„Kom, kom, beste meid, je kunt niet verwachten dat die kleine deugniet van een broer je altijd als een hondje naloopt. Maar wees maar gerust, ik wandel met Menheer Robinson terug naar het dorp, en ik wed dat we Jo dan wel hier of daar zullen zien in ’t voorbijgaan—op den schommel, of bezig om de konijnen eten te geven. Als ik hem vind, zal ik hem naar binnen zenden voor een brompartij.”

Corrie lachte.

„Dat ’s goed, oom. Ik zal me er voor gereedhouden. Maar zegt u alsjeblieft, als hij dadelijk komt, dat hij dan met me kan meegaan om naar den Kerstboom te kijken.” [127]

„Bij wijze van brompartij zeker?” vroeg de predikant, glimlachend, en toen gingen de beide heeren heen, en Corrie zette zich, geheel gerustgesteld, neer, om een half dozijn kleine poppen aan te kleeden, die nog voor den Kerstboom noodig waren, maar die, door de macht der omstandigheden, zooals Jo zou hebben gezegd, nooit daarin zouden worden opgehangen.

De heer Holmer zag een van de staljongens staan, toen hij den achtertuin doorging, en hij riep hem toe:

„Sam, is mijn neefje kort geleden in den stal geweest om den ezel eten te geven?”

„Neen, menheer,” antwoordde Sam, naderbij tredend. „Ik heb den jongeheer daarstraks zien loopen, met een touw in zijn hand, ’t veld over, den kant van ’t dorp op.”

De heer Holmer stond plotseling stil, terwijl de jongen sprak, en hij wendde zich tot zijn vriend, met zóó’n zonderlinge uitdrukking op ’t gelaat, dat deze van zijn kant hem verschrikt aanstaarde.

„Wat scheelt er aan, Holmer?” vroeg hij, op bezorgden toon. „Voel-je je niet wel?”

„Neen, maar ik ben bang; dat gebeurt me niet dikwijls,” luidde ’t antwoord, hard en koel. „Maar kom, we verliezen hier maar tijd. We kunnen den kleinen [128]waaghals misschien nog wel inhalen, vóórdat hij bij den boom is, als we ons haasten.”

„Den boom?” hijgde de predikant, ademloos, niet omdat hij den angst van zijn vriend eenigszins deelde, want hij wist dien volstrekt niet te verklaren, maar alleen omdat ’t hem moeite kostte diens snellen pas bij te houden.

Maar al had hij nog zoo verstaanbaar gesproken, dan zou hij toch, hoogstwaarschijnlijk, op dat oogenblik geen volkomen duidelijk antwoord hebben gekregen, want de heer Holmer sprak de eenvoudige waarheid, toen hij zei dat hij bang was. Hij had dadelijk begrepen wat dat touw beteekende, en in welke richting er naar zijn neefje moest worden gezocht.

Eindelijk, toen hij den boom in ’t gezicht kreeg, bleef hij even stilstaan, en, zich naar den predikant wendende, zei hij, terwijl hij naar den boom wees, met heesche stem:

„Robinson, je kunt beter in de verte zien dan ik—zeg eens, zie-je ’t kind?”

Eindelijk begreep de predikant zijn bedoeling. Maar hij voelde zich bijna geneigd om den angst van zijn vriend te lachen.

„Of ik het kind zie!” riep hij uit. „Je neefje, bedoel-je [129]immers, Holmer? Wel neen, natuurlijk niet. Je veronderstelt toch niet, dat die kleine jongen ’t zou durven wagen in zóó’n boom te klimmen, vooral met een weer als dit!”

„Hij waagt en durft een heeleboel. Waar had hij anders het touw voor noodig, als om te doen wat ik opperde?”

De beide heeren waren weer voortgegaan, en bevonden zich nu dichter bij den boom. Op eens kwamen twee boerenarbeiders van uit een ander veld naar hen toesnellen.

„Menheer,” riep de een, „daar zit een jongen in dien boom daarginder. Wat hij er doet, begrijp ik niet, want er zijn nu geen vogelnesten om uit te halen; maar als hij geen armen of beenen breekt, is ’t een wonder.”

Er was nu geen twijfel meer mogelijk, en alle vier snelden ze vooruit naar de bewuste plek, juist toen een luid en vroolijk „Hoera! ik heb ’t gedaan!” van uit ’t midden van den boom weerklonk.

’t Volgende oogenblik hoorde men een luid gekraak, een schreeuw, een schuren tusschen de takken, een bons, en vóórdat de vier mannen de plek konden bereiken, lag de arme kleine Jo naast den afgebroken tak op den grond, bleek en bewegingloos, met een [130]gebroken been, een gebroken arm, en een bloedend hoofd.

„Waar zullen we hem heenbrengen, mijnheer?” vroegen de mannen, zich meer tot den predikant richtende dan tot den doodelijk ontstelden bloedverwant, die met een zoo droevige uitdrukking op het bleeke gezichtje van den armen kleinen knaap staarde. Maar de heer Holmer zei snel:

„Waar! Wel, naar huis, natuurlijk.” En toen voegde hij er, op een anderen toon en als tot zichzelf sprekend, bij: „Maar, o! wat zal Corrie zeggen; wat zal Corrie zeggen?”

’t Herhalen van dien naam trok blijkbaar de aandacht van den half bewusteloozen knaap, want op eens openden zich de stijfgesloten blauwe oogen; de bleeke lippen bewogen zich, een zachte kreet deed zich hooren, gevolgd door de smeekend gedane vraag:

„Och! Oom—vertel ’t niet—aan Cor.”

De heer Holmer boog zijn gelaat nog dieper over het kind, terwijl hij op zachten, vriendelijken toon zei: „Waarom niet, beste jongen? Je denkt toch niet dat ze nu boos op je zal zijn?”

Even vertoonde zich een blos op ’t bleeke gezichtje, en Jo riep, met al de kracht waarover hij nog beschikken [131]kon: „Maar oom!! Cor is immers nooit boos! Ik—ik—ben,” hier klonk zijn stem weer heel zwak, „alleen bang—dat—ze ’t zoo naar—zal vinden—die arme—”

Hij kon niet meer spreken; opnieuw verloor hij ’t bewustzijn.

’t Duurde lang, heel lang, dat die kleine, lastige Jo er niet ’t minste besef van had, wie al of niet van zijn ongeluk hoorde en wie er al of niet bedroefd en verdrietig over was. Door Corrie Holmer was al menige bittere traan geschreid, naast ’t ledikantje waarin haar kleine broer lag, met kort afgeknipt haar en een koortsblos [132]op de wangen, vóórdat een heel zwak stemmetje op een ochtend onverwachts vroeg:

„Corrie, waarom zit-je hier?—Heb ik me verslapen?—is ’t tijd om te ontbijten?”

’t Duurde een oogenblik voordat die vragen beantwoord werden, want juffrouw Holmer scheen niet onmiddellijk tot spreken in staat te zijn. Eindelijk zei ze, op gedwongen kalmen toon:

„Ja, beste Jo, ’t is tijd om te ontbijten. Maar je hebt wat hoofdpijn gehad, en daarom vindt mama ’t beter dat je nog een beetje in bed blijft.”

„Dat ’s goed,” zei Jo, half slaperig, en met een zucht van voldoening. „Dan geloof ik dat ik nog maar een beetje ga slapen.”

En vijf minuten later, toen zijn moeder in de kamer kwam, om Corrie naar beneden te zenden voor haar ontbijt, en zelf haar kleinen jongen te verzorgen, vond ze hem rustig slapende. ’t Was de eerste natuurlijke, verkwikkende slaap, dien hij sinds weken had genoten. De crisis was voorbij. De koorts had opgehouden, de gebroken ledematen begonnen goed te genezen, schrammen en builen waren sinds lang verdwenen, en die veelbeminde, lastige kleine jongen, Jo Holmer, had nu niets meer te doen dan zoo gauw als hij maar kon [133]heelemaal beter te worden. En in den tusschentijd beschouwde hij ’t blijkbaar als een uitgemaakte zaak, dat in bed liggen, met een arm en een been in gipsverband, iemand ’t recht verleende onbegrensde eischen te stellen op ’t gebied van verhaaltjes.

Niet alleen Corrie, maar ieder ander, die zijn ledikantje naderde, werd voor dien dienst geprest, totdat eindelijk, op zekeren avond, Marian, de keukenmeid, die de trap op was gekomen, met ’t speciale doel den jeugdigen dwingeland haar hulde te bewijzen, met den verheugden uitroep werd begroet:

„O! Marian, ik ben erg blij dat je gekomen bent. Ik geloof dat Cor een klein beetje suf in haar hoofd is geworden van al ’t vertellen. Ze heeft vandaag niet heel veel kunnen bedenken, ten minste niks aardigs, dus wil je dat kookboek van je maar boven brengen, ik zou dat grappige begin nog wel eens willen hooren.”

„En ik hoop, baasje,” zei de heer Holmer, „als Marian zoo goed wil zijn je uit dat kookboek voor te lezen, dat jij dan nog eens even zult denken aan zekere gesuikerde pastei en flink gezouten koekjes. Kom, Corrie, kind-lief, ga maar mee naar de ontvangkamer, er is daar iemand, die, geloof ik, op je zit te wachten, en die niet, zooals Jo, je verhaaltjes niet aardig genoeg vindt.” [134]

„Wie is dat, Cor?” vroeg Jo, toen zijn zuster zich, met een eenigszins verlegen uitdrukking, over hem heenboog om hem een kus te geven. „Wie zit er op je te wachten?”

„Ik—ik—weet ’t niet, beste jongen,” luidde ’t vrij haastig gegeven antwoord, dat wáár was ook, want juffrouw Holmer wist ’t werkelijk niet; ze had alleen een vermoeden. Tegelijkertijd ontsnapte ze aan de mogelijkheid nog verder ondervraagd te worden, zoo snel als ze kon, en Jo moest zich dus tot Marian wenden:

„Marian, wie is er beneden, weet je ’t soms, bij mama en Oom?”

Marian aarzelde een oogenblik, voordat ze antwoordde, en toen zei ze:

„Menheer Russell is een poosje geleden gekomen, Jo. Maar ik weet niet of hij er nog is.”

„Natuurlijk kan hij er niet meer zijn,” klonk ’t onmiddellijk, op heel beslisten toon. „Als hij gebleven was, zou hij natuurlijk wel boven zijn gekomen, want hij houdt ’t meest van mij, meer dan van iemand anders hier in huis.”

En daar die verzekering vriend Jo volkomen voldeed, had Marian geen lust er iets tegen in te brengen. [135]

[Inhoud]

XII.

Jo maakt zich verdienstelijk.

’t Was in de allereerste dagen van April. Zacht, liefelijk, helder, heerlijk weer—kortom, juist ’t soort van weer, om iemand er toe te brengen allerlei bijvoegelijke naamwoorden ter eere er van opeen te stapelen. Juist ’t soort van weer, om hoopvolle menschen met een opgewekten glimlach tegen elkaar te doen zeggen:

„Wat een prachtigen zomer zullen we hebben!”

„Hoor eens, Oom,” begon Jo Holmer, „’t is toch eigenlijk nog zoo kwaad niet geweest, dat ik mijn arm en mijn been heb gebroken, want, ziet u, u zou er anders nooit over gedacht hebben Corrie en mij zoo lang hier te houden.” [136]

De jeugdige patiënt lag, door kussens gesteund, op een canapé vlak, voor een groot, openslaand raam, dat uitzicht gaf op een ruim grasveld, waarin kleine bloemperken waren aangelegd, vol frissche crocussen, madeliefjes en hyacinthen.

Niet ver van die canapé zaten de vader en moeder van Jo, zijn oom, de heer Holmer, Corrie natuurlijk, en de heer Russell. ’t Heele gezelschap had gedurende eenige oogenblikken gezwegen, toen Jo aan de kalmte en stilte op eens een einde maakte door zijn, op heel beslisten toon, geuite opmerking. Na een oogenblik gewacht te hebben, voegde hij er bij:

„Is ’t wel, Oom? Zou u wel?”

De heer Holmer lachte.

„Nu, als ik je op een of andere manier hier had moeten houden, dan zou ik toch liever een gezonden logé hebben gehad.”

Jo schudde, met een heel wijs gezicht, zijn hoofd.

„Ja, Oom, ik geloof wel dat u dat denkt. Maar u zou ’t nooit hebben uitgehouden, ziet u. Dat heeft Marian, de keukenmeid, me gezegd. Ze zei vroeger eens, vóórdat ik gevallen ben, tegen me, dat u, als ik nog een week langer bleef, zóó mager zou zijn geworden van al ’t getob met me, zóó mager—ze zei dat u al [137]zoo afgevallen was, sinds ik hier logeerde, en ze zei—”

„Houd nu je mondje maar eens, kleine babbelkous,” zei zijn moeder, lachend, terwijl ze haar hand op zijn mond legde. „Je mag al die vertrouwelijke mededeelingen van Marian zoo maar niet verklappen. Vertel ons liever eens waarom je ’t zoo’n speciaal goed ding vindt, dat je oom je zoo lang hier heeft moeten houden.”

„O! mama, dat is heel makkelijk te vertellen,” antwoordde hij dadelijk. „’s Winters vind ik ’t nu niet zoo’n vreeselijk prettig buiten hier, om op te wonen, behalve, ziet u, wat de ezels betreft, die zijn erg aardig, en de varkens ook. Maar nu ik ’t in de lente gezien heb, nu weet ik dat ’t hier erg mooi is. En dan is er, natuurlijk, nog die andere reden.”

„Is die evengoed als de eerste, kleine baas?” vroeg de heer Holmer lachend. „Kom, laten we ze eens hooren.”

„Dat ’s goed,” zei Jo kalm. „En die reden is eigenlijk nog beter dan de andere, omdat ze mezelf niet aangaat. Als ik niet uit dien boom was gevallen, dan zouden Corrie en Menheer Russell niet zoo dikwijls te zamen bij me hebben gezeten, en ik weet zeker dat ze ’t allebei heel plezierig—O!”

Wel mocht Jo „o!” zeggen, want ’t spreken werd [138]hem dezen keer onmogelijk gemaakt door een plotseling naar boven duwen van zijn kin, waardoor hij zich in zijn tong beet, terwijl Corrie, werkelijk boos, met verontwaardigde blikken en hoogroode wangen, op gedempten toon zei:

„Hoe durf je, Jo? Hoe durf je zulke dingen zeggen!”

En toen werd Jo’s kin losgelaten, en weer uitte hij een benauwd „o!” terwijl Corrie van haar stoel opsprong, en door de openstaande glazen deur naar buiten liep, waar ze dadelijk om den hoek van het huis verdween.

’t Volgende oogenblik was ook de heer Russell opgesprongen, en, blijkbaar aangemoedigd door de lachend geuite opmerking van den heer Holmer:—„Ik zou je maar raden je wat te haasten, Frank, als je die vluchteling nog wilt inhalen”—vloog ook hij naar buiten en verdween om den hoek van het huis.

Sprakeloos van verbazing staarde Jo een oogenblik den tuin in. Toen hief hij zich op zijn elleboog op en keek zijn moeder aan, om op haar gezicht eenige opheldering van de zaak te lezen. Maar ’t gezicht van Mevrouw Holmer leverde voor haar jeugdig zoontje op dat oogenblik al een even groot raadsel op als al het overige. Hij had er nooit zoo’n zonderlinge uitdrukking [139]op gezien. Ze keek volstrekt niet verdrietig, en toch stonden er tranen in haar oogen. ’t Was wonderlijk, heel wonderlijk! Voor kleinen Jo was de zaak in elk geval een ondoorgrondelijk raadsel.

„Wat mankeeren ze toch allemaal?” mompelde hij zacht in zichzelf. Toen keek hij naar zijn vader en zijn oom, die, hoewel ze allebei glimlachten, toch ook op een eenigszins zonderlinge manier elkaar stonden aan te kijken.

Jo raakte een beetje uit zijn humeur door al dat raadselachtige om hem heen.

„Oom Johan,” zei hij eindelijk, op een toon van verwijt, „dat is nu toch geen goede manier om een jongen van z’n hoofdpijn af te helpen, als al de menschen om hem heen een gezicht zetten, alsof iemand hun een massa raadseltjes heeft opgegeven, waar ze ’t antwoord niet van willen vertellen.”

Bij die beschuldiging begon de heer Holmer nog meer te lachen.

„Jij bent ’t zelf, kleine baas, die ’t raadsel hebt opgegeven, en Menheer Russell is nu gaan probeeren of je zuster ’t antwoord er op zou willen vertellen. Hij heeft ’t al eenige malen geprobeerd, geloof ik, maar ik heb zoo’n idée dat jij hem een heeleboel hebt geholpen, om ’t antwoord eindelijk te krijgen.” [140]

„Welk antwoord, Oom?”

„Ja! Dat moet je Corrie zelf maar eens vragen, als ze terugkomt,” zei Oom Johan. „Ik kan ’t alleen maar gissen, en ik denk dat ze je liever ’t ware van de zaak zelf zou vertellen, dan dat ik ’t bederf, door je te zeggen wat ik er van denk.”

En toen, alsof ze ’t hadden afgesproken, stonden alle drie de groote menschen tegelijk op, en gingen te zamen naar een andere kamer. Jo werd alleen gelaten, om voor de raadsels, die zich voordeden, in stilte en eenzaamheid een oplossing te vinden.

De kwestie, die al zijn huisgenooten tegelijkertijd bezighield, was blijkbaar vrij gewichtig, want hij werd gedurende ruim een uur heelenal aan zijn lot overgelaten, een verwaarloozing, waar in de laatste drie maanden nooit van gehoord was geworden. Toch voelde Jo er zich niet door gekrenkt; ’t kon hem volstrekt niet schelen, bij deze speciale gelegenheid, hij had ’t veel te druk met ’t oplossen van zijn raadsel.

Om zijn gedachten een beetje te hulp te komen, maakte hij eindelijk van een potlood en een vel papier gebruik, en schreef, met een vrij beverig krabbelhandje:

„De narigeit begon zoo, ik zei dat ik zeker wist dat [141]Cor en meneer Russell ’t erg plesieriger vonden om samen bij me te zitten, en daar begon de narigeit. Ik denk haas dat meneer Russell ’t alleen maar plesierig vond, en dat Cor ’t maar dee omdat ze niet stout wou zijn, en mama weet dat zeker, en die is blij omdat Cor zoo aardig is gewees. En nou is meneer Russell bang dat hij niet mag blijve eete omdat Cor boos is, en—”

„O!” luidde op eens zijn blijde uitroep, en hij liet het potlood vallen, toen zich een schaduw vertoonde [142]tusschen hem en het licht. Daar stond Corrie zelf op den drempel.

„Hè, je kijkt nu in ’t geheel niet meer boos, gelukkig,” zei Jo, op een toon vol voldoening, nadat hij haar eerst met de noodige opmerkzaamheid had aangekeken. „Wil-je dit alsjeblieft nu eens lezen, Corrie, en me vertellen of ik goed geraden heb?”

Corrie nam ’t bekrabbelde papier aan en las, heel langzaam en met eenige moeite, wat hij geschreven had, en toen Jo daarna nog eens met aandrang zei: „Nou, Corrie?” toen liet ze zich op haar knieën vallen naast de canapé, en sloeg haar armen om den hals van haar broertje.

„Had ik gelijk, Cor?” vroeg Jo nog eens.

„Niet heelemaal, lieveling,” fluisterde ze hem in, terwijl ze haar hoofd op zijn schouder verborg.

„Hé!” zei Jo, op een toon van groote teleurstelling, en toen voegde hij er, met een zweem van onrust, bij: „Maar je bent toch in ’t geheel niet meer boos op me, hé, Cor?”

Bladz. 142. „Maar je bent toch in ’t geheel niet meer boos op me, hè, Cor?”

Bladz. 142. „Maar je bent toch in ’t geheel niet meer boos op me, hè, Cor?”

Met een nog warmer omhelzing dan te voren, en een hartelijken kus, werd die vraag in ’t eerst beantwoord, en toen volgde er: „Neen, in ’t geheel niet, mijn lieve Jo, heusch, in ’t geheel niet. Ik ben daarstraks óók [143]niet boos, echt boos op je geweest, ik vond ’t alleen—maar—niet prettig. Want, zie je, beste Jo, je was toch heusch wel een vreeselijk lastige jongen, om zulke dingen zoo maar te zeggen.”

Jo trok zijn gezicht een eind terug, om zijn zuster met een heel ernstigen, onderzoekenden blik te kunnen aanzien.

„Maar je weet toch wel, Cor, toen ik dat allemaal zei, dat ik toen heusch dacht dat ’t waar was.”

„En dat was ’t ook, lieveling. Je hadt gelijk.”

„O, dat doet me plezier!” zei Jo. En toen legde hij gelaten zijn hoofd weer op ’t canapékussen en viel in slaap. Allerlei merkwaardige oplossingen van de „narigeit” kwamen hem in zijn droomen voor den geest, maar met de ware oplossing hadden ze geen van alle iets te maken. Cor was zijn Cor; en de mogelijkheid kwam niet in hem op, dat iemand ’t zou durven wagen hem van zijn eigendom te berooven. [144]

[Inhoud]
XIII.

XIII.

Een bruiloft.

„Dr. Walter, hoe lang zal ’t, denkt u, nog duren eer ik zal kunnen dansen?”

Jo deed die vraag heel bedaard, en met ’t ernstigste gezicht van de wereld, maar de dokter keek zijn jeugdigen patiënt verwonderd aan, en hij begon hartelijk te lachen.

„Dansen op je hoofd bedoel-je zeker, jou kleine grappemaker! [145]Nu, ik zou ’t voorloopig maar liever niet probeeren, zeg. Wou-je ’t zoo graag?”

Jo schudde zijn hoofd, en hij antwoordde, heel ernstig:

„Neen, Dr. Walter, zoo iets bedoel ik volstrekt niet. Ik bedoel echt, wezenlijk dansen. Zou u me alsjeblieft eens willen zeggen, wanneer ik dat weer zou kunnen doen?”

Nu de vraag zóó ernstig gedaan werd, hield Dr. Walter op met lachen, en hij zei:

„Ik geloof niet dat je been vóór den herfst veel inspanning zal kunnen verdragen, maar ik hoop dat je tegen Kerstmis weer zult kunnen dansen, zoo vroolijk als iemand. Houd-je zooveel van dansen?”

„O, neen!” zei Jo, en hij trok een heel leelijk gezicht. ’t Was een feit, dat hij een afschuw had van dansen, en van kleine meisjes, die hem een arm moesten geven, en van ’t aantrekken van handschoenen, en van al wat er verder bij behoorde.

De dokter keek hem verwonderd aan.

„Maar waarom wil-je dat dan zoo graag weten, kleine man?”

„O, om een heel gewichtige reden,” luidde ’t zeer plechtige en bedaarde antwoord, „maar, ziet u, Corrie heeft misschien liever niet dat ik ’t vertel. Maar ik bedank [146]u wel, dat u gezegd heeft dat ’t niet vóór Kerstmis zal zijn. U zal toch immers later niet iets anders gaan zeggen, hé?”

„Neen, als jij ten minste je been niet nóg eens breekt, om me van gedachte te doen veranderen,” zei Dr. Walter, glimlachend, terwijl hij zijn hoed opnam en heenging, naar andere patiënten, die misschien minder amusant waren, maar die zich ook minder geneigd voelden raadselachtige vragen te doen.

Weinige uren later lag Jo weer op zijn gemakkelijk plaatsje op de canapé, voor het groote open raam, met dezelfde menschen om hem heen, die hij, ongeveer een week te voren, door zijn opmerkingen zoo in de war had gebracht. ’t Bewuste raadsel was al eenige dagen geleden opgelost geworden, en, al was hij met die oplossing volstrekt niet ingenomen geweest, aan duidelijkheid liet ze niets te wenschen over. De heer Russell had zelf aan zijn toekomstig zwagertje verteld, dat hij nog veel meer van Cor hield dan zelfs Jo ’t deed, en dat Corrie hem nu beloofd had in ’t vervolg voor hem te zullen zorgen, in plaats van voor haar broertje.

„Dan hoop ik,” zei Jo ernstig, „dat u er voor zal oppassen dat u haar niet te veel last geeft, want zelfs een klein beetje kan ze niet goed verdragen. ’t Zorgen voor [147]mij was nu toch niet erg, en dáár werd ze zelfs wel eens moe van, geloof ik.”

Maar die opmerking had hij al een dag of wat geleden gemaakt, en ’t was ook al een dag of wat geleden, dat Jo, in de armen van mama, in de armen van Corrie, en daarna in ’t donker, ’s avonds in zijn bedje, zijn eerste bittere tranen had geschreid, om ’t vooruitzicht dat „die goede Cor” het huis uit zou gaan.

„Kom, kom, beste jongen,” zei Marian, de keukenmeid, op een ochtend, op medelijdenden toon, toen ze, boven komende, zijn bedrukt gezicht zag, „ik zou ’t me maar niet te veel aantrekken, als ik jou was. Wie weet of je later niet eens een aardige, lieve juffrouw Corrie van je zelf zult hebben.”

Maar Jo keek haar aan met een verontwaardigden blik. „Zoo, denk-je dat, Marian? Nu, dan heb-je ’t heelemaal mis, hoor! Want ik heb een hekel aan meisjes!! Ik wou dat ze niet bestonden.”

„Maar, Jo, juffrouw Corrie is toch ook een meisje, of ten minste een jonge dame,” waagde Marian hier tegen in te brengen.

„Cor is Cor,” zei Jo kortaf, en toen keerde hij zijn gezicht naar den muur, en legde zijn hoofd weer op het kussen, vast besloten tegen niemand een woord [148]meer te zeggen, misschien wel zoolang als hij leefde, maar in elk geval niet gedurende ’t eerstvolgende halfuur. En in zoover hield hij zich aan zijn besluit, want hij sliep langer dan dat.

Maar al die dingen behoorden, zooals we gezegd hebben, al tot ’t verledene, toen de heele familie en de heer Russell op dien bewusten morgen bij elkaar voor het open raam van de ontbijtkamer zaten, en Jo zich langzamerhand met den nieuwen staat van zaken eenigszins verzoend begon te voelen.

„In elk geval,” zei hij, van de pauze in ’t algemeene gesprek gebruik makende, en nadat hij een poos in gedachten verdiept had gezeten—„in elk geval zal u nog een heel poosje moeten wachten, menheer Russell, eer u haar kan meenemen.”

Jo sprak met een kalmte en beslistheid, die geen van de toehoorders kon verklaren. Corrie boog zich over hem heen, en fluisterde:

„Wat bedoel-je daarmee, beste Jo?”

Hij richtte zich overeind, en zei hardop: „Wel, natuurlijk moet hij wachten. Je herinnert je toch wel, Corrie, die aardige kindermeid, Anne, die vroeger bij ons was? Nou, die zei dat ’t geen geluk voorspelde, als er iemand trouwde, en er werd niet op de bruiloft [149]gedanst. En ik zal vóór Kerstmis niet kunnen dansen, dat heeft Dr. Walter gezegd. Ik vroeg ’t hem. Dus zoo is ’t nou, begrijp-je.”

Natuurlijk zal niemand verwonderd zijn te hooren dat iedereen ’t begreep, en ’t werd dan ook tusschen Corrie Holmer en haar aanstaanden man afgesproken, dat er aan geen trouwen zou gedacht worden, vóórdat kleine Jo tot dansen althans in staat zou zijn, ’t zij hij van plan was ’t te doen of niet.

En toen ’t tegen Kerstmis liep, was Jo weer zoo gezond en flink geworden, dat er besloten werd hem na de vacantie naar een geschikte kostschool te zenden, die zich heel dicht bij Corrie’s nieuwe woonplaats bevond. Dit laatste droeg er veel toe bij om Jo met de nieuwe plannen te verzoenen; en toen Corrie in de eerste dagen van Januari met den heer Russell trouwde, troostte haar broertje zich, bij ’t afscheid nemen, met de gedachte, dat hij haar spoedig zou weerzien. En nu hij zoo groot en zoo deftig werd, zou die goede Cor hem niet meer telkens „zoo’n lastige jongen” noemen, veronderstelde hij.

’t Is voor Corrie’s rust te hopen, dat hij ’t er naar gemaakt heeft! [150]

[Inhoud]

Uitgaven van C. A. J. VAN DISHOECK, Amsterdam.

BERTHA CLÉMENT,

  • 1e deeltje: DeZilveren Kruisjes”,
  • 2e deeltje:,, Gravin Wally.

Bewerkt door Cath. S. M. Kuenen.

Met 4 fraaie platen.

Prijs in gelithografeerden omslag ƒ 1.50
Bijzonder rijk gebonden ƒ,, 1.90

Een derde deeltje volgt binnenkort.

Elk deeltje is echter ook een geheel afzonderlijk verhaal.

De „Holl. Lelie” zegt van DeZilveren Kruisjes” o.a.:

In zijn keurig prachtbandje zal dit werkje, dat slechts ƒ 1.90 kost, een sieraad zijn voor elke Meisjesbibliotheek. Toch is het bovenal de inhoud van dit eenvoudig maar goed geschreven boek, dat er de eigenlijke waarde aan geeft. Ik zou ’t heerlijk vinden als Sinterklaas bij veel meisjes de „Zilveren Kruisjes” thuis bezorgde, enz. enz.

Uitmuntende Meisjesboeken zijn:

MELATI VAN JAVA,

Angeline’s Beloften.

2e Druk.

Fraai gebonden ƒ 1.90.

Dit boek heeft bij de meisjes een zekere beroemdheid gekregen en niet ten onrechte. Vooral het eerste gedeelte, dat in Indië speelt, is zeer aantrekkelijk.

Rapport Commissie Schoolbiblioth.

En een zeer aanbevelenswaardig boek is:

De Kostschool van Mevrouw Arnaud,

DOOR

CATH. S. M. KUENEN.

Fraai gebonden ƒ 1.90.

Reinen zin, naastenliefde en blijmoedige levensernst predikt dit boek op aangename wijze.

Rapport Commissie Schoolbiblioth.

[Inhoud]

Oorspronkelijke rug.

 

Oorspronkelijke achterkant.

Inhoudsopgave

I. Wat Jo van zichzelf wist. 1
II. Het meten van goten. 9
III. „Wat nu weer!” 20
IV. Boete. 35
V. Een onrustige ochtend. 47
VI. Een moeilijk oogenblik. 59
VII. Corrie in verlegenheid. 71
VIII. Een verrassing. 86
IX. Ontdekking. 99
X. Een ongelukkig gezegde. 115
XI. De lastige jongen krijgt een ongeluk. 123
XII. Jo maakt zich verdienstelijk. 135
XIII. Een bruiloft. 144

Colofon

Codering

Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.

Documentgeschiedenis

Verbeteringen

De volgende 19 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:

Bladzijde Bron Verbetering Bewerkingsafstand
n.v.t. GEAUTHORISEERDE GEAUTORISEERDE 1
6 vanzijn van zijn 1
33 kaataaloges kaataalooges 1
41, 102 [Niet in bron] , 1
49 onbijtkamer ontbijtkamer 1
52 jongenstem jongensstem 1
52 ; , 1
61 , . 1
75 vóor vóór 1 / 0
91 inplaats in plaats 1
96 eén één 1 / 0
104 schotelje schoteltje 1
135 allerbei allerlei 1
136 patient patiënt 1 / 0
140 zeg-zeg zeggen 3
147 . , 1
150 Bizonder Bijzonder 1
150 2e 2e 0