The Project Gutenberg eBook of Mieke

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Mieke

een verhaal voor jonge meisjes

Author: Augusta van Slooten

Illustrator: Willem Wiegmans

Release date: November 7, 2025 [eBook #77190]

Language: Dutch

Original publication: Utrecht: A.W. Bruna & Zoon's Uitg. Mij, 1919

Credits: The Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK MIEKE ***
[Inhoud]

Oorspronkelijke voorkant.

[Inhoud]

MIEKE

[Inhoud]

N.V. Boekdr. v/h L. van Nifterik Hzn., Leiden.

[Inhoud]

Gesigneerd portret van Augusta van Slooten.

[Inhoud]

Oorspronkelijke titelpagina.

MIEKE

EEN VERHAAL VOOR JONGE MEISJES
1919
A. W. BRUNA & ZOON’s UITG. MIJ—UTRECHT

[1]

[Inhoud]
HOOFDSTUK 1.

HOOFDSTUK 1.

DONKERE WOLKEN.

Het was dit jaar geen mooie zomer geweest, in den beginne heet en verzengend, later koud en winderig, zonder eens een malsch, verkwikkend regenbuitje na een warm koesterend zonnetje. De bladeren waren dan ook reeds vroegtijdig hard en bruinachtig, en in plaats van vóór in September kon men zich somtijds vrij wat beter voorstellen reeds diep in October te zijn. De late rozen in het kleine tuintje vóór het huisje waren uitgebloeid of hingen verflenst; de nog niet geheel volgroeide dahlia’s, waarvan enkele al bloemen droegen, hadden geleden door de striemende buien; takken ervan slierden, verward in elkander, over den beplasten grond. Het perkje geraniums was geheel verregend. Neen, hoe vriendelijk en lief ’t huisje met z’n kleurige luiken en heldere gordijntjes, z’n glimmend gewasschen ramen en schoon geboende vensterbanken en stoep anders ook mocht glunderen in den zonneschijn, op den regendag [2]waarvan ik spreek lag het daar zeer triest en verlaten aan den eenzamen, open landweg.

Kwam die triestige aanblik ook doordat men dien verfomfaaiden tuin zooveel beter onderhouden kende? Het is waar, de tuin zag er anders veel aardiger uit en nog nooit was het iemand opgevallen, dat het huisje er zoo somber kon uitzien als thans, zelfs niet in ’t vergevorderd najaar of in den winter. Integendeel had het altijd iets fleurigs door z’n goede onderhoud en door de welverzorgde omgeving. Hoe vaak twinkelde het lichtje onder koffie- of theepot den voorbijganger niet vroolijk tegen zoo omstreeks schemeravond, en menig bezoeker gaf dit reeds, vóór hij de woning was ingetreden, een gevoel van gezelligheid. Of wel, wanneer het rossig schijnsel der lamp door de neergelaten gordijnen gloorde, gaf het heele huisje den buitenstaander onmiddellijk die eigenaardig behaaglijke gewaarwording, welke men krijgt op een stille plek, als het buiten onaangenaam is en kil, en waar men, door den lichtgloed uit het bewoonde huisje, daarbinnen warmte vermoedt en vriendelijke gastvrijheid. Ja, altijd had de kleine woning een zekere mate van aantrekkelijkheid bezeten ondanks haar eenvoud, maar nu stond ze daar als iets zeer verlatens in den grijzen nevel van den somberen dag, die een voortzetting was van reeds zoovele dergelijke dagen. De luiken van het raam der mooie kamer, rechts van de deur-in-het-midden, waren gesloten, wat anders nooit het geval was, omdat grootmoeder iederen morgen alle kamers luchtte, en links van [3]den ingang, waar grootmoeders huiskamer zich bevond, was het gordijn scheef opgehaald en lagen op het tafeltje, dat altijd voor de vensterbank stond en waaraan grootmoeder gewoonlijk zat te naaien, te breien of te lezen, nu allerhande dingen, die daar niet hoorden.

Het was heelemaal grootmoeders gewoonte niet zoo’n volle, herrie-ige tafel voor zich te hebben, en van buitenaf zag men anders steeds het keurig roode tafelkleedje met hieroverheen den mooien, gehaakten tafellooper.

Ook boven, op de zolderverdieping van het huisje, zag het er wat vreemd uit thans. Het raampje aan den zijkant, dat het raampje was van Mieke’s slaapkamertje, stond, en dit bij regenweer, den heelen dag reeds wagenwijd open. Het gordijntje slierde, zwaar van vocht, langs den muur en had een winkelhaak gekregen van een spijker, toen het ’t kozijn uitwapperde. Dezen morgen had Mieke ’t zóó druk gehad met grootmoeders ongesteldheid en al de huishoudelijke werkjes, die ze hals-over-kop moest overnemen, (na twaalven had ze zich naar de stad te haasten, waar sedert eenige dagen de lessen, die ze volgde aan de normaalschool, weer begonnen waren) dat ze heelemaal vergeten had het raam te sluiten en beneden de blinden te openen van de „mooie kamer”, want daar het Zaterdag was, had ze dien ochtend bovendien zóóveel te beredderen voor den Zondag, dat ze licht eenige dingen kon vergeten, te meer omdat ze zéér in de war was geweest door grootmoeder, [4]die er vreeselijk slecht uitzag, dien morgen.

Zij had aan één stuk door gewerkt, de gang gedaan en de keuken, ook de bedden opgemaakt en de slaapkamer van grootmoeder en haarzelve in orde gebracht. Toen schilde ze fluks de aardappelen voor vandaag en morgen en haalde ze de boontjes af, omdat ze hiervoor, wanneer ze tegen vijven vanmiddag uit school thuiskwam, geen tijd meer zou hebben, ze dan nog veel te strijken had en wat kousen te stoppen. Ze had ook het plaatsje geschrobd en de huiskamer geschuierd, op uitdrukkelijk verlangen van grootmoeder deze echter niet opgeruimd. Dat kon grootmoeder strakjes wèrkelijk zelf wel doen: zóó ziek voelde zij zich niet, zei zij.

Maar toen Mieke, als vóór de vacantie, op haar fiets naar de stad was gereden, gehuld in den waterdichten regenmantel, dien ze altijd droeg bij slecht weer, en toen grootmoeder alleen in het huisje was achtergebleven, werd het der oude vrouw zéér zwaar te moede, voelde zij dat het toch veel minder goed met haar ging dan zij zichzelve en Mieke wel had willen bekennen. Met de grootste moeite gelukte het haar het middagmaal klaar te krijgen. Telkens moest zij zich vermannen om op te staan, en herhaaldelijk ging zij weer zitten, zóó benauwd was zij, zóó groote inspanning kostte het haar te loopen, de pannen op te tillen of wel de huiskamer eenigszins aan kant te brengen, iets wat ze dan ook niet kon voleindigen … Wat scheelde haar toch?… Kom, zij moest zich verzetten tegen dat vreemde gevoel … Zij was immers [5]nooit ziek geweest … En zóó oud was zij ook volstrekt niet; nog niet eens zeventig … Zij liep nog zoo rechtop, heur stem was steeds zoo krachtig; noch van rheumatiek noch van eenige andere ouderdomskwaal had zij ooit hinder, en iedereen zei altijd, dat zij zoo’n flinke, krasse vrouw was … En zij begon weer, zij wilde,—maar de huiskamer kwam maar niet klaar en den heelen middag liep zij, geheel tegen haar gewoonte, in haar morgenjakje, zonder de grijze japon aan te trekken, waarin ze zich anders kleedde. Haar oogen stonden dof, en toen Mieke weder thuiskwam dien middag scheen het ’t meisje alsof grootmoeder er veel slechter uitzag dan toen ze haar daarstraks verliet. Moeilijk ademend zat zij in het onaankante vertrek, en verschrikt gooide Mieke bij haar binnenkomst heur boeken op een stoel en trad haastig naderbij, angstig vragend: „Gaat het niet beter, grootmoeder? Is het erger geworden? Had u me dan toch ook maar liever thuis laten blijven.”

De oude vrouw deed een poging om te glimlachen, maar het was treurig om te zien hoe dit lachje mislukte.

„Och, kind,” zei ze, nogmaals moeite doende om haar ongesteldheid te verbergen, „heusch ’t is niet zoo erg. Ik was alleen maar wat kortademig telkens, en dan … een beetje pijn, hier soms,” zij wees op haar borst, „en in m’n rug, af-en-toe. Maar ’t gaat wel over. Ik ben blij dat je weer thuis bent, lieveling. Het gaat wel héél gauw weer over. Ik zal vroeg naar bed gaan.” [6]

Wantrouwend keek Mieke haar aan; ook overzag zij de tafel, het penantkastje en den schoorsteen, waarvan nog geen stof was afgenomen. Grootmoeder volgde haar blik. Zij wilde zich voor die nalatigheid verontschuldigen; ze was zoo’n keurige, stipte huisvrouw.

„Ik ben er niet aan toe gekomen,” zei ze, echter zóó mat, dat haar poging om zich op te houden wederom geheel te loor ging.

„Natuurlijk, grootmoeder. U heeft nog veel te veel gedaan. U hadt meer rust moeten houden. Ik zou immers voor al het andere óók nog wel gezorgd hebben.” Doch Mieke, die wist hoe ordelijk en bedrijvig grootmoeder steeds was, leidde uit die ongewone werkeloosheid af, dat het toch wel veel slimmer met de oude vrouw gesteld moest zijn dan deze liet voorkomen.

’t Meisje begon nu zelf de kamer aan kant te maken. Grootmoeder knikte, dat dit goed was en zei zacht: „Span jij je nu niet te erg in, lieverd? Vanmorgen heb je ook al zooveel gedaan, eigenlijk al verscheidene dagen, sedert ik me niet goed voel.”

„Maar grootmoeder, nu kan ik juist eens zien hoeveel u anders wel doet. Ik heb dat nooit zoo precies geweten. U maakt het mij veel te gemakkelijk.”

„Jij moet ook je gedachten voor wat anders gebruiken dan voor het huishoudwerk nu je op die school gaat.” ’t Klonk heesch en moeilijk.

„Maar ik ben jong, grootmoeder,” antwoordde Mieke helder. [7]

De oude vrouw knikte en glimlachte weer.

„Ik zal u een glas melk warmen.”

„Och neen, kind, liever niet, werkelijk niet.”

„Het zal u goeddoen.”

„Dank je, ik heb er geen trek in … Niet doen, Mieke … Is ’t niet rillerig buiten? En zoo vroeg donker.”

„Het heeft hard geregend daarstraks. Heeft u ’t niet gemerkt?”

„Had je de bui, kind? Was je op de fiets?”

„Héén op de fiets tusschen de buien door, grootmoeder, maar terug goot het zoo, dat ’t niet ging. Daarom heb ik de fiets maar gestald. Ik wilde met de stoomtram terug, maar weet u wien ik trof? Geert Wije.”

„Zoo? Is hij dan weer thuis, Geert Wije?”

„Ja, grootmoeder, hij is eergisteren uit Denemarken terug gekomen en hij zal nu zelf de boerderij gaan drijven. Hij heeft groote plannen.”

„Zoo-zoo?” Voor één oogenblik kon grootmoeder zich opwerken tot ongeveinsde belangstelling en even haar benauwdheid lichtelijk overwinnen.

„Ik stond juist op de tram te wachten, ’t gietregende, toen hij langs kwam in het nieuwe, gele wagentje, u weet wel. „Kom, Mieke,” zei hij, „stap in en rijd mee terug, dan hoef je niet zoo lang in de nattigheid te trappelen.” … Hij vertelde onderweg van Denemarken en dat hij de helft van het land van Broers gekocht heeft om in ’t voorjaar haver op te zaaien. Nu hoort, voor zoover wij achteruit ons huis kunnen zien, al het [8]land van de Wije’s, grootmoeder, ook die groote wei en de boomgaard … Wat moeten zij toch rijk zijn!… Geert koopt, zegt hij, ook een nieuwerwetsche dorschmachine, en het woonhuis wil hij van binnen heelemaal laten verbouwen. Hij wil alles nog veel mooier en geschikter maken dan het al is. Hij is wel een aardige, flinke jongen, vindt grootmoeder niet?”

„Ja,” grootmoeder vond het ook. Maar Mieke had wel wat veel gesproken; ’t had haar opeens zóó vermoeid.

„Hij vroeg,” vervolgde het meisje, onderwijl ze de kamer ordende en ze al pratende een beetje vergat, dat de ander zich ziek gevoelde, „hij vroeg wanneer ik nu wel zoowat onderwijzeres zou zijn. Maar dàt duurt nog zooveel jaren, nog bijna twee … Hij vroeg ook naar u, grootmoeder; hij stelt in iedereen van ’t dorp belang. Juffrouw Wije zal u vanavond misschien komen opzoeken. Ik zei hem, dat u niet goed in orde was—want, grootmoeder,” zei ze, nu weer acht slaande op ’t bleeke, ingezonken gezichtje der oudere vrouw, naast haar komend en heur rimpelige wang streelend, „ik geloof, dat het eer slechter met u wordt dan beter, is het niet?”

„Waarom heb je dat nu gezegd, dat ik niet goed was,” schudde grootmoeder wat wrevelig het hoofd, „morgen ben ik immers weer heelemaal klaar. Het is een beetje kou, die vastzit op de borst. Ik moet alleen wat vroeger naar bed.”

„Wilt u nu niet liever gaan?” vroeg Mieke, bezorgd [9]en dringend. „Toe, grootmoeder, ik deed ’t maar.”

„Nu al?” grootmoeder zong een béétje het liedje van verlangen.

„Ja, nu,” tastte Mieke eensklaps door, zich bewust wordend dat zij toch grootendeels verantwoordelijk was voor de gezondheid der oude vrouw, die nu eenmaal nooit ziek-zijn wilde. „Kom, leun op mij, ik zal u helpen.”

Gewillig liet grootmoeder het toe, dat het meisje haar ophief en zachtjes meevoerde naar de kleine slaapkamer, die grensde aan de huiskamer. Daar hielp Mieke haar zich ontkleeden, en toen ze haar in bed had gestopt dekte ze haar toe met de bezorgdheid van een liefhebbend dochtertje. Mieke’s zacht, vriendelijk gezichtje was een-en-al medelijden met grootmoeders toenemende benauwdheid onder het ontkleeden, met de pijn, die zich meer-en-meer afteekende op het gelaat der oudere vrouw. En nu lag grootmoeder zwaar en mat in de kussens, de oogen gesloten, zichtbaar doodmoe.

Langen tijd stond het meisje sprakeloos bij het bed, met angst bemerkend hoe een koortsachtige blos de wangen der zieke steeds hooger kleurde, wat haar, Mieke, een voorgevoel gaf van weinig goeds … Sliep grootmoeder nu reeds?… Luisterend stond zij aan het voeteneinde … Doodstil was het in ’t huisje en een groote vrees overstelpte Mieke eensklaps, toen ze daar zoo alleen en hulpeloos toefde bij de zacht kreunende vrouw … Aan eten dacht zij niet [10]meer. Ze had ook niets geen trek … Ze verweet zich slechts dien middag grootmoeders wil niet sterker weerstreefd te hebben en niet te zijn thuis gebleven. Zij had de school moeten verzuimen en vanmiddag reeds om den dokter moeten zenden.

Nog stond ze in tweestrijd of ze grootmoeder alleen zou durven laten om den arts te halen, vreezende evenwel dat er in dien tusschentijd iets gebeuren kon, tegelijkertijd zich bezwaard gevoelend indien de zieke den komenden avond en den geheelen nacht zonder geneeskundige hulp zou wezen, nog was zij in verwarring wat aan te vangen toen er gebeld werd.

Haastig opendoende trof zij aan de voordeur juffrouw Wije, de naaste buurvrouw. Deze was een groote, welvarend uitziende, knappe vrouw. Heur heldere, verstandige, donkergrijze oogen spraken van een gezonden, levendigen geest in een gezond lichaam. Zij had een groote, harmonische gestalte en droeg stellig een stevig korset onder haar eenvoudige, zwarte japon. Zij was een boerin van den modernen stempel, maar toch sierden haar nog kap en oorijzers, de juweelen naalden en het kostbare, diamanten voorhoofdstuk. (Dit laatste n.l. alleen des Zondags.) Haar regelmatige trekken waren gansch niet ontbloot van intelligentie, en in ontwikkeling en gesteld-zijn op het naleven van zekere vormen stond zij volstrekt niet achter bij menige vrouw, wier „beschaving” men als onbetwistbaar beschouwde. Zij telde burgemeesters en dominee’s in haar moeders afstamming; haar [11]vader was lid van de Provinciale Staten geweest, en al had hij ook een groot deel van zijn leven op klompen geloopen, hij was een verlicht man, die zijn eenige dochter een „opvoeding” gaf. Boerin Wije gold dan ook niet slechts voor de meest gefortuneerde vrouw uit den omtrek, maar tevens als iemand van niet gering persoonlijk aanzien, en de manier waarop zij de boerderij na den dood van haar echtgenoot had bestuurd, toen Geert nog op de landbouwschool ging, was van dien aard, dat geen man, tenminste geen middelmatig man, haar zou verbeterd hebben datgene wat zij had gepresteerd aan doorzicht en energie. Zij was op de hoogte van haar tijd als eene, die „middenin ’t leven” staat; haar warm kloppend hart leidde haar wat nuchtere opinie in de richting van begrijpen bij gematigd oordeel. Zij las de courant met meer profijt dan menige „dame”, die door de modeplaatjes het ingrijpende van ’t wereldgebeuren voorbij ziet, en haar blik op ’t leven, en niet slechts van ’t buitenleven, was meermalen van een groote juistheid. In iedere klasse der maatschappij heeft men zoo nu-en-dan zoo’n enkele, sterke, uit-stekende figuur. In haar boerenstand, haar zeer voornamen boerenstand, was juffrouw Wije zulk een vrouw van meer dan daagsche beteekenis. Vandaar ook, dat grootmoeder zoo gaarne met haar sprak en haar raad inwon somtijds. Het zien der kloeke, rustige vrouw was voor Mieke, die zenuwachtig en in de war opendeed, dan ook eensklaps een groote verademing.

„Ach, juffrouw Wije,” riep zij, met tranen in de [12]oogen en blijdschap in de stem, „u komt als geroepen! Ik wist werkelijk geen raad.”

„Welzoo, dat mag ik hooren, altijd: dat ik als geroepen kom, niet dat je geen raad wist. Ik hoorde van Geert, dat het hier niet al te best ging. „Kom,” dacht ik bij m’n eigen, „ik zal vóór ’t avondeten eens even een kijkje gaan nemen bij Van der Hoeve”… Wat scheelt eraan?”

„Grootmoeder was vanmorgen en daarstraks niets goed, maar ze is nou zoo naar geworden,” en Mieke ontsnapte een snik.

„Kom-kom, niet huilen … Hier zijn wat eieren, Mieke. Het is een dure tijd en grootmoeder is misschien wel wat al te zuinig geweest. Oude menschen hebben weinig maar krachtig voedsel noodig en dat ontbreekt tegenwoordig nog al eens … Wacht, leg de eieren op een schaaltje; zoo. Ze zijn schaarsch den laatsten tijd en onze kippen leggen niet meer zoo best; ’t zijn er niet veel, maar toch is ’t wàt … En waar is grootmoeder nou?”

„Hier ligt ze,” bracht Mieke de bezoekster in de kleine slaapkamer.

Hoewel de zieke met den rug naar het raam gekeerd lag en het sombere, grijze licht uit de bewolkte lucht slechts matig en grauw het vertrek vulde, onderscheidde juffrouw Wije toch maar al te duidelijk den verhoogden blos der opkomende koorts op grootmoeders thans zéér ingezonken gezichtje, dat kleiner en magerder leek dan gewoonlijk. Eenige oogenblikken bezag zij scherp het gelaat der oudere vrouw; ze [13]legde heur koele rechterhand op het voorhoofd der zieke, die haar bij het binnenkomen niet bemerkt had.

„Hoe is ’t?” vroeg juffrouw Wije, zich overbuigend.

Grootmoeder sloeg even de oogen op, herkende haar bevriende buurvrouw, poogde weer te glimlachen en ’t hoofd op te richten, dat evenwel onmiddellijk neerzonk, terwijl haar hand heur pijnlijker wordende borst betastte en de oogen zich wederom mat sloten.

Angstig keek Mieke juffrouw Wije aan. Dacht zij ook, dat het met grootmoeder slimmer werd?

„Mieke,” zei de boerin, zich oprichtend nu, „loop jij eens gauw naar dokter Bos en zeg hem, dat hij dadelijk hier moet komen, compliment van mij.”

„Is … is … het erg?” stamelde Mieke.

„Ik weet het niet,” was het antwoord; menigmalen had juffrouw Wije aan het ziekbed haar diensten bewezen, en gerust was zij thans allesbehalve. „Loop maar zoo hard je kunt. Ga meteen even bij Geert aan en zeg hem, dat ze maar met het avondeten moeten beginnen, want dat ik misschien wel wat later thuiskom. Maar éérst naar den dokter, Mieke—en vlug, héél vlug, meisje.” [14]

[Inhoud]

HOOFDSTUK II.

EEN SLAG.

Mieke schoot haastig den regenmantel weer aan, zette haar zeildoeken hoedje op en liep met snellen pas over den landweg, voorbij de groote boerderij der Wije’s, die op den hoek lag van het breede pad dat zij afkwam, en verder over de met hooge iepen beplante chaussée, den hoofdstraatweg van de stad naar het dorp.

Het was nauwelijks tien minuten gaans om van haar woning de dorpsstraat te bereiken, maar toch scheen haar de tocht langs de aan weerszijden zoo goed als onbebouwden weg met de onophoudelijke regenvlagen in het gezicht eindeloos.

Aan het doktershuis gekomen, gelegen dicht bij den ingang van het dorp, vernam ze, dat dokter Bos nog niet thuis was, maar op haar aandringen beloofde mevrouw, die Mieke zelf te woord stond, ervoor te zorgen, dat dokter zoo spoedig mogelijk komen zou. Mevrouw Bos, een kleine, bijdehante dame, had altijd op haar manier plezier in het aardige, beleefde meisje met haar grooten ijver en leerlust. Zij was het geweest, die met dominee Rensen en juffrouw Wije het van grootmoeder gedaan had gekregen, dat Mieke [15]voor onderwijzeres ging leeren op de school in de stad. Grootmoeder-zelf had liever gezien, dat haar kleindochtertje over een paar jaar haar brood met naaien zou verdienen; dan behoefde ze haar op den duur niet te missen, wat nu mettertijd best mogelijk het geval kon worden, indien Mieke een aanstelling kreeg op een andere plaats, tenzij zij, grootmoeder, het meisje daarheen volgde, wat natuurlijk z’n groote bezwaren meebracht.

Maar Mieke zat studielust in het bloed: vader was onderwijzer geweest en moeder onderwijzeres; ook grootvader had voor de klasse gestaan en oom Egbert, vaders oudste broer in Amsterdam, die door een toeval in den handel verzeilde en daarin veel geld verdiende, was eveneens als schoolmeester begonnen.

En nu Mieke geen harer pioniers beschaamde, spreekt het vanzelf, dat mevrouw Bos haar gaarne zag, al hield het meisje, als men ’t haar op eerlijkheid af zou vragen, meer van de breed-moederlijke juffrouw Wije en den rustigen dominee Rensen dan van de doktersvrouw, die soms zoo kattig-weg iets kon zeggen.

Nu echter deed mevrouw Bos heel minzaam. Ze wist hoe weinig aanstellerig Mieke was en dat het wel erg met grootmoeder wezen moest, wanneer ze zoo van streek bleek te zijn.

„Ik beloof je dokter zoo gauw mogelijk te zullen sturen,” zei mevrouw nog eens uitdrukkelijk, toen ze de deur achter ’t meisje sloot.

Mieke voelde zich verlicht door het weten, dat [16]dokter Bos nu spoedig komen zou; het gaf haar reeds half het uitzicht op grootmoeders spoedige beterschap.

Nu even nog bij Wije aan!

Denzelfden weg terugkeerend scheen deze haar thans veel vlugger aan te loopen en de triestigheid van den dag ging eenige oogenblikken voor haar schuil bij de vroolijkheid van den sterker wordenden wind, die meehielp haar vooruit te brengen. Mieke hield altijd veel van den wind, die zoo grappig je rokken deed zwiepen en zoo uitgelaten langs je heen kon blazen tot je haren verward om je hoofd hingen en je wangen, warm en toch frisch, je een gevoel gaven van gezondheid en levenslust. Na de geruststelling, zooeven ondervonden, liet zij zich een oogenblik wat meer opgewekt gaan om een drafje te nemen met haar levendigen, duwenden vriend in den rug.

Zoo dreef zij het erf op van de Wije’s.

Het was een kapitale boerenplaats. Het huis was breed en hecht en miste het schilderachtige van een vervallen, ouderwetsche boerderij, maar de Wije’s waren menschen van praktische geaardheid en van vooruitgang, menschen, die meer hechtten aan het comfort van een moderne behuizing dan aan het dikwijls meer artistieke aspekt eener bouwvallige hoeve. Toch droeg het geenszins een stempel van ongezellige nieuwheid; het stond dan ook reeds een goede tien jaren en het lag volstrekt niet zonder bekoring onder het lommer van een paar hooge noteboomen, afgesloten van den weg door een flinken vóórtuin [17]met in het voorjaar en in den zomer bloeiende heesters en meidoornstruiken.

Het ijzeren hek, dat het erf van den weg afsloot, stond gewoonlijk open en verleende toegang tot het breede hoofdpad, dat langs den rechterkant van ’t woonhuis liep, langs den ingang, de paarden- en koeienstallen, de groote voorraadschuren, het karnhuis met de kaasmakerij, en eindigde in den uitgestrekten moestuin.

Het huis-zelf mat in het front een vijftien-zestien meter en had zes hooge ramen aan de voorzijde en drie aan den linker-zijkant, waar de slaapkamers zich bevonden. Door de mooie, bruin gelakte deur met het gekrulde smeedwerk voor de gebrande glasruit, trad men in de zelden gebruikte vestibule; meestal liep men om ’t huis heen en ging door de keuken binnen. Achter de vestibule scheidde een breede, met gekleurde steenen geplaveide gang het huis in ’t dwarse in tweeën. Door de eerste deur rechts kwam men in juffrouw Wije’s groote, vierkante huiskamer; door de tweede in de „mooie kamer” der familie.

Ieder dezer vertrekken had twee ramen aan de voorzijde, terwijl de beide overige vensters uitzicht verleenden aan het door den vroegeren bezitter en sedert diens dood in onbruik geraakte z.g. „kantoor”, door Geert sedert z’n terugkomst echter weer in deze kwaliteit hersteld.

Aan het einde van een zijgang, loopende langs de slaapkamers, bevond zich de kolossale keuken, de bijkeuken en het waschhok, die weer verliepen in de [18]opslagplaatsen en de verdere, bij het bedrijf behoorende ruimten, waarvan ik zooeven sprak.

Mieke ging haastig over ’t met gele klinkertjes bestrate, helder geschrobde plaatsje langs het heele front van ’t huis. Dan sloeg zij den hoek om en trad door de keuken binnen, die als gewoonlijk openstond, doch zij ontdekte niemand. Zelfs Jans, de huismeid, die, als juffrouw Wije niet zelf kookte, op het eten lette, was op geen velden of wegen te zien, ook niet in de bijkeuken, waar Mieke speurend rondkeek.

Toen besloot ze nog verder om ’t huis heen te loopen, allicht zag ze dan wel iemand om haar boodschap in ontvangst te nemen. Kees, de waakhond, sloeg even aan bij haar langs-komen, doch haar herkennend en niets gesteld op den regen trok hij zich fluks, hoewel nog zacht nagrommend, in zijn apartement terug. Ook eenige kippen, die dicht tegen elkaar gedrukt, de koppen in de veeren, onder een afdak zaten te slapen, verschrikte Mieke. Zij tokkelden even, maar overigens bleef het stil.

Zij liep tot aan den moestuin, nog steeds niemand ontdekkend, behoedzaam stappend over de op sommige plaatsen gevormde beekjes uit den overloopenden regenbak, om den terugweg te nemen langs den rechterkant van het huis en verder over de gele klinkertjes op haar uitgangspunt terug te komen, er echter niet aan denkend om aan te schellen, wat nooit iemand deed dan dominee Rensen en dokter Bos. Andere menschen meldden zich steeds aan de keuken, dus besloot Mieke ook nog maar eens op [19]deze gebruikelijke manier haar geluk te beproeven.

De knechts, meerendeels getrouwde lieden, schenen reeds naar huis te zijn gegaan; de melkmeid zat stellig in het karnhuis te slapen, waar men haar als ze zoek was, te pas of te onpas, zei juffrouw Wije, steeds vinden kon in een zalige rust. Maar waar Jans uithing begreep Mieke toch totaal niet. Zij besloot, wanneer ze nog geen mensch zag, eens te roepen en dan maar geduldig te wachten tot er iemand kwam opdagen.

Nogmaals trad zij de keuken binnen, tegelijkertijd dat de huismeid aan den ingang van de bijkeuken verscheen.

„Waar zat je toch?” vroeg Mieke verwonderd.

„In ’t waschhok,” antwoordde Jans, met groote oogen om Mieke’s verbazing.

„Ik zocht je,” zei Mieke.

„Zocht je me?”

„Jou eigenlijk niet. De baas.”

„De baas zal nou wel in ’t kantoortje wezen. Wil je een kop koffie?” en naar het groote, wit-geëmailleerde fornuis gaande, waar de koffie, die een opgewekte geur verspreidde, stond te wachten om ingeschonken te worden, scheen zij van plan Mieke een kopje klaar te maken.

Doch Mieke bedankte gejaagd. Zij begon weer onrustiger te worden door het oponthoud, dat ze gehad had. „Ik moet gauw weer naar huis,” zei ze, „want grootmoeder is ziek. Juffrouw Wije blijft zoolang bij ons. Ik moest zeggen, dat jullie maar met [20]avondeten beginnen zoudt. Ze komt misschien pas laat terug.”

Jans verschrikte. „Meid, och!” riep ze, „is ’t zoo naar met de oude juffrouw? Zoo in éénen?… Wacht maar, ik zal de baas effen waarschuwen, loop maar mee.”

Vóór Mieke had kunnen zeggen, dat Jans de boodschap eigenlijk wel zelf kon overbrengen, had de bijdehante meid haar reeds met een duwtje de keukendeur uit en de gang in naar ’t kantoortje gestuurd. Maar Geert Wije was daar niet.

„In de kamer zeker,” vermoedde Jans.

Daar vond ze hem, z’n pijpje rookend bij ’t raam, al niet begrijpend waar zijn moeder bleef, want de ronde tafel in het midden stond reeds lang hoog-en-breed gedekt. Dit was de eenige maaltijd, die zij samen gebruikten; de overige hielden zij met het personeel.

Deze kamer, die den indruk gaf van welgestelde burgerlijkheid, (behoudens de prachtige porceleinkast, die voornaam was) van zindelijkheid en orde, en ook wel van gezelligheid door het vele licht, dat de hooge ramen binnenlieten, deze kamer was Mieke niet onbekend, want menigmalen kwam ze er met grootmoeder bij juffrouw Wije te visite, reeds als klein kind. Maar toch scheen ze nu eenigszins verlegen bij het binnenkomen. Tegenover Geert, die zoo’n „meneer” was geworden, voelde zij zich, evenals vanmiddag in de tilbury, niet al te best op haar gemak. Hij leek niets meer op den slungeligen boerenjongen, [21]met wien ze, tot voor eenige jaren geleden, nog allerlei kattekwaad uitvoerde, en waar ze—al was hij ook zes jaar ouder—als klein meisje zoo gaarne bij te spelen kwam om z’n dikke konijnen te voederen en om de lekkere koek, die z’n moeder kon bakken. Kleine klaploopster!… Later werd de vriendschap belangeloozer, toen ze op de normaalschool kwam. Dan leenden ze elkander in de vacantie, wanneer Geert thuiskwam van de landbouwschool, boeken, en ook, zelfs tot voor twee jaar nog, sneden ze dan zoo’n beetje tegen elkaar op over wat zij moesten leeren. Maar nu, sedert dien, was Geert zoo heel anders geworden, zoo bezadigd, zoo niets kwajongensachtig meer, zoo volwassen, zoo beslist, eigenlijk al zoo’n groote man, terwijl zij, Mieke, pas zeventien, klein van stuk en tenger en met heur haar nog in een vlecht, nog op school, zich een beetje bedeesd voelde tegenover den grooten, rijken, jongen boer, wiens optreden, zoo gedecideerd en onafhankelijk, haar zeer timide maakte. Zij durfde ook niet meer voluit en hardop „Geert” te zeggen. Straks, onder ’t rijden, had ze ’t ook al niet gedurfd en maar wat gemompeld.

De breede gestalte van den jongen man, die met de handen op den rug naar buiten stond te kijken, genoeglijk z’n korte pijpje rookend, keerde zich langzaam om bij het opengaan der deur, en verwonderd niet zijn moeder te zien maar Mieke en Jans, vroeg hij: „Wat’s dàt?”

Jans, voorbarig, wilde uitweiden, doch hij voorkwam [22]haar, verder vragend: „Wat had je, Mieke?”

Mieke herhaalde haar boodschap, zeer zenuwachtig en op heete kolen staande om weg te komen. Opeens vervulde de angst om grootmoeder haar weer met verdubbelde kracht. Ze zag heel minnetjes en bleekjes en de natte regenmantel deed haar heel smal schijnen. De tranen liepen haar over de wangen.

„Kom, Mieke,” troostte Geert met z’n opgewekte, zware stem, „je moet niet zoo schreien. Och, och, wat ben jij toch nog een klein ding gebleven, zeg.” Nu kwam hij naast haar staan en streelde heur wang als een groote, oudere broer een jonger zusje. Hij stond hoog opgericht en trachtte haar door een grapje even wat op te vroolijken: „Je komt een eind onder m’n schouder, hoor. Je moest meer schoppen gehad hebben.”

Mieke lachte gedwongen en wist niet wat te antwoorden.

Toen zei hij ernstiger: „Zeg aan moeder, dat ze maar blijven moet, zoolang ze helpen kan. Wat vindt dokter?”

„Ik kom zoo juist van hem vandaan. Hij zal straks komen.”

Hij volgde Mieke tot de kamerdeur, waar ze hem de hand toestak. „Dàg,” zei ze. „Nou ga ik maar weer. Ze zullen thuis wel op me wachten.”

„Beterschap, Mieke. Dat grootmoeder maar gauw weer klaar is.”

Fluks liep Mieke de lange gang weer door, de keuken in, waar Jans het meisje nog eens wilde aanklampen, [23]maar met een kort antwoord en een groet verliet ze de boerderij, teruggaande langs den modderigen landweg met meer spoed dan zooeven. Aan de huisdeur trof ze dokter Bos, die tegelijk met haar op z’n motorfiets aankwam in een van den regen druipende oliejas.

„Kijk ’s an,” zei hij, „of ik me ook gerept heb! Mijn vrouw liet me nauwelijks tijd om op adem te komen. „Je moet gauw naar juffrouw Van der Hoeve,” riep ze … En wat is er nu? De oude juffrouw aan den sukkel?” Al sprekende had hij z’n bemodderd rijwiel op Mieke’s schoone stoep gezet, doch daar lette ze in de gegeven omstandigheden maar niet op.

Juffrouw Wije kwam, zoodra zij z’n stem hoorde, te voorschijn, hem met Mieke nadere inlichtingen gevend en ’t vermoeden wekkend, dat ’t hier niet ging zooals het behoorde.

„Blijf jij maar hier, Mieke,” raadde de moederlijke vrouw, die graag den dokter alleen wenschte te spreken.

Mieke, zich inmiddels ontdaan hebbend van den druipenden mantel, dezen ophangend in de gang naast de natte doktersjas, schenen de minuten van alleen-zijn en wachten in de stille, half duistere huiskamer uren. Gestadig hoorde zij de droppels lekken in de plassen en het water gutsen langs de dakgoot in den regenton. De deur tusschen de ziekekamer en het vertrekje waar zij zat had dokter Bos gesloten, en de stemmen van hem en juffrouw Wije, die veraf leken en fluisterden, verhoogden de naargeestigheid [24]van Mieke’s stemming, die, straks wat ontspannen, nu weer zéér neergedrukt werd en treurig.

Eindelijk kwamen de anderen weer binnen. Dokter Bos keek hoogst ernstig, en hij was toch niet iemand om gauw zijn patiënten en hun familie te ontmoedigen. Ook boerin Wije scheen bezorgd.

Mieke, bij het raam zittend, hief gretig het hoofd, de oogen groot-vragend naar de binnentredenden, maar onmiddellijk maakte de levendige vraag, die haar op de lippen brandde, plaats voor een inzinking van hoop: die beiden brachten haar geen gunstige tijding, dat zag zij duidelijk.

„Wat scheelt grootmoeder?” vroeg zij, heesch en zacht, nauwelijks verstaanbaar; zij trilde van nerveusheid.

„Ze moet al eenige dagen ziek zijn,” knorde de dokter. „Waarom mij niet eerder geroepen?”

„Zij wilde het niet. Ze is den heelen morgen nog aan ’t werk geweest, toen ik naar school was. Maar daarna was ze ook op.”

„’t Is zonde!” riep hij boos.

„Is ’t zóó vreeselijk?” vroeg Mieke wederom, als straks aan juffrouw Wije.

„Ik kan er nog niets van zeggen. Ze is altijd een sterke, gezonde vrouw geweest moet je maar denken. Het is dus best mogelijk, dat ze deze ziekte doorstaat. Mevrouw Wije—dokter Bos sprak deze steeds aan met „mevrouw”—en ik hebben afgesproken, dat, als ’t morgen slimmer mocht geworden zijn, ik voor een verpleegster zal zorgen.” [25]

Mieke schrok hevig. „O, dan is het ook wel heel erg,” riep ze wanhopend, „als er een verpleegster moet komen.”

„Ik kan immers nog niets met zekerheid zeggen,” kalmeerde hij. „En je zoudt grootmoeder toch niet alleen kunnen helpen.”

„Jawel, o jawel!”

„Dwaasheid, Mieke … Mevrouw Wije is zoo vriendelijk hier tot den nacht te blijven. Onderwijl loop ik even op de boerderij aan om te zeggen, dat ze den ruststoel hierheen brengen. Dan kan die in de huiskamer uitgezet worden en moet jij vannacht daarop slapen, zoodat je grootmoeder hooren kunt als zij je noodig heeft. Want waken vind ik nog niet noodzakelijk en morgen vroeg komt mevrouw Wije weer.”

Mieke voelde hoe men haar wil geheel had buitengesloten. Zij was door ’t haar zoo plotseling overvallen verdriet geheel haar stuur kwijt en wilde daarom juist het tegenovergestelde als de anderen, ook al om dit gevoel van buitensluiten.

„Neen, neen”, verzette zij zich krachtig, instinktmatig ook beangst om alleen te moeten blijven en verantwoordelijk te zijn voor de zieke.

„Wat is dat nu, Mieke?” sprak juffrouw Wije, gebruik makend van de kracht harer persoonlijkheid. „Heb ik me zóó in je flinkheid vergist? Schaam je! Is dat houden van grootmoeder om je zoo aan te stellen?”

Mieke’s snikken bedaarde. Verschrikt zagen haar betraande kijkers in der boerin’s heldere, blauwe oogen, [26]waarboven de wenkbrauwen thans gefronst waren. Zij keken Mieke ernstig en verwijtend aan, en de klaarte en rust erin gaven het meisje haar zelfbeheersching terug, terwijl ze zich beschaamd matigde. Ach, ze was eenige oogenblikken haar tegenwoordigheid van geest kwijt geraakt!… Ze was zoo overweldigd!… Ze hield zooveel van grootmoeder, en zooveel onverwacht leed en zooveel onoverkomelijke moeilijkheden en mogelijkheden grijnsden haar zóó plotseling van alle kanten aan, dat ze er even door overstelpt werd. De vrees voor het leven van de eenige, die haar na stond in de wereld, de vrees voor een gansch onbekende toekomst indien grootmoeder eens mocht komen te overlijden,—als een eensklaps haar eigen leven kapot slaande zee-van-misère overstroomde deze vrees haar bevende ziel. Want wàt zou er met haar moeten gebeuren, waar moest ze heen, àls het ergste bewaarheid werd?… In een dienst?… Daar zou ze niet sterk genoeg voor wezen en wellicht ook niet bekwaam genoeg, al was ze handig … Of zou oom Egbert, vaders broer, haar komen helpen?… Honderdlei gedachten bestormden haar.

Maar kom, zij mocht zich niet zoo zelfzuchtig over haar eigen leven beangstigen. Zij moest die vrees van alleen te zullen blijven verdrijven; dat alles zou zich wel redden,—of niet redden, om ’t even! Zij moest alleen maar denken aan die arme, lieve grootmoeder, die daar nu in haar slaapkamertje lag met hooger koorts dan toen juffrouw Wije Mieke heur grootmoeder goênacht liet kussen en naar boven [27]stuurde om wat te gaan slapen, totdat zij, de boerin, over eenige uren weer naar de boerderij terug zou gaan en Mieke beneden zou roepen.

Doch in haar eigen donker vertrekje met de gestadig tikkende regendroppels tegen het vensterglas en op het dak, was het onmogelijk voor het meisje om den slaap te vatten en kwamen en gingen de gedachten, die grootmoeders ziekte tot een onoverwinnelijk onheil vergrootten. Ze voelde haar aankomen, de ramp, die haar schaduw reeds vooruit wierp.

En later, toen alles liep zooals het loopen moest—omdat alles in de wereld nu eenmaal moet gebeuren zooàls het gebeurt—toen de slag viel en grootmoeder voorgoed de oogen sloot, toen zei ze wanhopend tot zichzelf: „O, ik wist het wel, dat grootmoeder niet beter zou worden. Ik wist het al dien eersten avond.”

Om twaalf uur beneden geroepen door juffrouw Wije, woelde Mieke nog eenige uren rusteloos op den ligstoel, die van de boerderij gebracht was geworden. Zij look echter geen oog.

Den geheelen nacht lag ze maar te luisteren naar grootmoeders moeilijke ademhaling en haar zacht gekreun, naar de overigens hoorbare stilte rondom, want ook het regenen en waaien had opgehouden. Zij lag zich maar om-en-om te wentelen, transpireerend van angst of er ook iets vreeselijks met grootmoeder gebeuren kon, waartegenover zij machteloos zou staan, den nieuwen dag verbeidend met onrust en verlangen,—totdat het haar tegen half vijf te [28]machtig werd, zij zich kleedde en voor het raam ging zitten, waardoor de vale schemer van den aanbrekenden dag weer weinig zonneschijn beloofde, de boomen en planten slechts vaag omlijnend.

Juffrouw Wije kwam tegen half zeven, een zwarten doek omgeslagen, reeds weer over den eenzamen weg haar buurvrouw te hulp. Ze zou de kerk dezen Zondag maar verzuimen: zij was vroom, doch van een produktieve vroomheid, namelijk steeds vervuld van warm medelijden en hulpvaardigheid, voortkomend deels uit een gevoel van moederlijke liefde, deels uit Christelijk plichtbesef. Zij was iemand, die zich zeer veel rekenschap van haar daden gaf en dezer gevolgen,—en zij was niet spoedig tevreden over zichzelve … Nu ook had zij zich verweten niet den heelen nacht te zijn gebleven bij de zieke, al werd des morgens ook haar tegenwoordigheid op de boerderij reeds vroeg vereischt. Zoo gauw zij kon was zij dan ook weer naar het kleine huisje gegaan, wat heete melk dragend, wetende dat Mieke gisteravond door de drukte vergeten had voor melk te zorgen en vermoedend dat een warm glas het meisje wel goed zou doen.

Ook dokter Bos kwam vroegtijdig. Z’n eerste rit ging, ondanks den Zondag, al om acht uur naar de vriendelijke, oude vrouw, die hij zoo gaarne lijden mocht … Doch bedenkelijker nog dan gisteren keek hij. En ’s middags reeds arriveerde er een pleegzuster uit de stad … Maar wat baadt menschenhulp als ons lot in het boek des levens anders is opgeschreven [29]dan wij en degenen die ons liefhebben zoo vurig hopen?

Drie dagen na dien ongelukkigen Zaterdag telegrafeerde dokter Bos den eenig overgebleven zoon der oude vrouw. Den zevenden dag erna stierf zij. [30]

[Inhoud]

HOOFDSTUK III.

JUFFROUW WIJE HEEFT EEN FIJN GEHOOR.

De eerste dagen waarop het Mieke duidelijk werd dat hoop op herstel voor grootmoeder uitgesloten was, leefde zij als in een droom. Geen eigenlijk verdriet beheerschte haar, eerder een soort verdooving. Zij hielp de verpleegster, zij deed de gewone huiselijke bezigheden van school thuisblijvende, zij stond allen, die haar iets vroegen, duidelijk te woord, maar als zij later wel eens terugdacht aan dezen tijd, konden slechts vage herinneringen alles, wat zich toen zoo ongeloofelijk vlug achtereenvolgens afspeelde, doen herleven. Slechts het groote, diepe heimwee-gevoel, dat haar beheerschte, vooral na het oogenblik waarop zij wist dat grootmoeder voorgoed was heengegaan, voelde zij als een schrijnende realiteit, nog jaren daarna.

Oom Egbert reisde, onmiddellijk nadat hij het telegram ontving, af. Hij scheen oprecht bedroefd door den dood zijner moeder, die hij zeer had liefgehad, al eischten de zorgen voor zijn gezin en zaken steeds het leeuwenaandeel zijner interesse en al zag de oude vrouw hem zelden sedert zijn huwelijk. De kring, waarin hij leefde, zoo hemelsbreed verschillend van [31]dien, in welken hij als jongen op het dorp opgroeide, had de levens van moeder en zoon zeer uiteenloopend gemaakt, doch op den bodem van beider hart vonden zij toch altijd weder de oude liefde, die de enkele dagen in ’t jaar waarop zij elkander zagen nog zeer duidelijk door hen beiden werd gevoeld. En of het alleen om de smart van het oogenblik dan wel het bewustzijn van verschuldigde verplichting tegenover z’n moeder was, oom Egbert had op grootmoeders sterfdag zijn jong nichtje vaderlijk in de armen gesloten en gezegd: „Nu moet je in ’t vervolg in mij een tweeden vader zien, Mieke. Er staat je op de wereld niemand zoo na als ik en ik beloof je, dat ik zal trachten je veel te vergoeden van wat je verloor.”—Oom Egbert zei dit uit den grond van zijn hart.

Bij zulke droeve gelegenheden, evenals op hooge vreugdedagen, belooft men wel eens meer in een beneveling van innig leed of overmatig geluk iets, welks uitvoering men niet steeds vermag te volbrengen, want ach, het dagelijksch leven eischt zooveel kleine plichten, waaraan men op zulke momenten nooit denkt. Men wil iets edels doen in ’t aanzicht van ’s levens grootsche uitersten, smart of blijdschap. Het is iets echt goed-menschelijks om die oogenblikken, waarop dit eerbiedwaardig hooge in ons leven tegenover ons staat, óók iets hoogs en roerends te willen geven, en wij beloven plechtig, o, allerlei nobels. Dit is geen huichelen, al drijven de kleinheden in ons bestaan ons later ook in een andere richting, al [32]vergeten wij door duizend nietige beslommeringen ook de edele leuze, die ons eens, op dat gewichtig moment, zoo vanzelf sprekend uit den mond vloeide, een leuze, die wij zoo gemakkelijk te volvoeren hoopten en waarmee het ons heilige ernst was. Slechts weinige, sterke naturen—maar zij beloven niet zoo licht—strijden om dergelijke eens gegeven beloften te vervullen, zelfs tègen hun eigen belang en genoegen in. Zij steken dan ook, op dit punt, boven het gros uit. Doch daar het grootste deel der menschen minder gewetensvol is en met minder zelfkritiek begaafd, gaan de meeste dier schoonklinkende beloften strijdloos te loor (of bijna te loor) in de groote massa der kleine levensdingen.

Maar laat ons dankbaar zijn voor den troost dier woorden op de tijdstippen, dat wij geen uitweg meer weten. Wij behooren er dankbaar voor te wezen, ook al wordt die troost niet omgezet in daden. Hij helpt ons in elk geval heen over de zwaarste oogenblikken in ons leven en geeft ons weer hoop op de toekomst.

Ook Mieke, hoezeer ze eenige dagen geleden nog opzag tegen de mogelijkheid bij oom Egbert en familie in huis te zullen komen, staken zijn woorden een riem onder ’t hart. Wel bleef er in haar een onverklaarbare tegenzin, maar niettemin berustte ze, zij ’t afgetobd, bij dat ééne: „Oom Egbert zal me helpen. Waar moet ik anders ook heen?”

Op den dag der begrafenis kwam Erik, ooms eenige zoon, student in de rechten, een jongen van een jaar of twee-drie-en-twintig, om z’n grootmoeder [33]mede de laatste eer te bewijzen. Vroeger, in z’n kindsche jaren, was hij vaak meegekomen met z’n vader, maar allengs, naarmate hij ouder werd, waren die bezoeken in onbruik geraakt,—ook die van Olga, grootmoeders oudste kleindochter. Noch Erik noch Olga voelden zich op den duur aangetrokken tot het hoogst eenvoudig milieu der stille, oude vrouw met het onbeteekenende, kleine nichtje, zoodat mevrouw Van der Hoeve, die zelf „o, een vreeselijken hekel aan burgerlijkheid had”, meende de kinderen niet te moeten dwingen. „Tjakkes,” zei Olga, „’t is er zoo nauw bij vaders moeder,” en sedert dien—dat was sedert haar dertiende jaar en nu telde ze er een-en-twintig—had grootmoeder haar kleinkinderen niet meer gezien, behalve dan Loes, de jongste, die echter de laatste jaren wat aan den sukkel was geweest, juist op de tijdstippen, dat Egbert de oude vrouw bezocht.

Tante Sophie voelde noch lust noch de verplichting „haar schoonmoeder te overloopen,” zooals ze het uitdrukte. „O, ze apprecieerde haar keurigheid en degelijkheid, maar werkelijk, haar schoonmoeder bleef overigens zóó buiten haar sfeer, dat ze er zich nooit op haar gemak voelde.”—En meneer Van der Hoeve, zijn gezin niet willende dwingen tot sympathie-betuigingen, die niet van harte kwamen, ging alleen. Slechts Loes betreurde dit. Zij vond grootmoeder „een lief oudje”, heel oneerbiedig.

Niettegenstaande dit alles schreef tante Sophie Mieke nochtans een roerend briefje van leedbetuiging. Zij was gaarne bij de teraardebestelling tegenwoordig [34]geweest, maar zulke emoties schokten gewoonlijk te zeer haar gestel om dit plan ten uitvoer te brengen. En Mieke troffen de welgekozen woorden op het fraaie papier diep.

Erik toonde zich heel voorkomend en belangstellend, doch na zijn komst scheen oom Egbert haar niet meer zoo in ’t oogloopend hartelijk als eerst, al bleef hij vriendelijk. Hij imponeerde Mieke zéér, de deftige neef. Hij boog zoo beleefd voor dokter Bos en dokter Bos weer heel beleefd voor Erik. Mieke werd er zelfs eenige oogenblikken door afgeleid, zoo vreemd leek haar dit alles in het kleine, stille huisje van grootmoeder, al die voorname heeren, die zoo mooi spraken.

Later kwam ook dominee Rensen nog, in het zwart en met handschoenen aan,—en Geert Wije. Zij kwamen allen om grootmoeder.… O, het werd zoo wonderlijk … En mevrouw Bos zeide tegenwoordig te wezen „om alles te regelen, nu geen vrouwelijke familie dit deed”. Doch dit regelen had juffrouw Wije, die ze weer allemaal „mevrouw” noemden en die ook al op haar Zondagsch was aangekleed, reeds gedaan. Mieke bemerkte heel goed, hoe mevrouw Bos en juffrouw Wije daarover elkander allerlei bedekte hatelijkheden zeiden, of liever hoe mevrouw Bos die debiteerde. Mevrouw Bos namelijk wilde, sedert mevrouw Rensen’s dood, zoo’n beetje overal moederen in het dorp, zoo’n beetje „de goede mevrouw” spelen, maar juffrouw Wije, die van het begin af aan bevriend was geweest met haar buurvrouw, liet zich niet door mevrouw Bos uit ’t veld slaan en nam de [35]honneurs waar, die behoorden bij een ordentelijke begrafenis, meenende, en niet ten onrechte, alles in den geest van de overledene te bestieren, maar stekeligheid zettend bij de doktersvrouw.

Mieke, hoewel dit alles waarnemende, ontging het wezen der dingen. Haar denkvermogen scheen stroef, haar gevoel stug te zijn en onontvankelijk. Alleen toen grootmoeder het huis werd uitgedragen, toen het tot haar doordrong, flijmend wreed en duidelijk tot haar doordrong: „Nu gaat ze voor altijd van me weg,” toen overstelpte haar een vloedgolf van weedom en verdriet en barstte ze uit in hartbrekend schreien.

De mannen verlieten ernstig zwijgend het huis, en juffrouw Wije sloeg den arm om het jonge meisje heen. Zij drukte het zwaar bezorgde hoofdje tegen zich aan en streelde Mieke’s bleeke wangen. „Zoo,” zei ze, haar kussend, „zoo, hè, lieverdje? Kom maar bij me, hoor; kom maar hier.” Zij beloofde niets, maar Mieke’s oor hoorde het hart kloppen in de borst, waartegen haar hoofd rustte,—en zij werd stil.

Mevrouw Bos dekte met een gebaar van ongeduld de tafel: op die manier zou men niet klaar zijn vóór de heeren weerom kwamen. Het kerkhof was dichtbij en véél zou dominee Rensen wel niet kunnen zeggen aan het graf; de oude juffrouw had nooit iets bijzonders gedaan in haar leven, waarover men spreken kon.

Toen men kort daarop terugkeerde, medebrengend de frissche geur van prikkelende najaarslucht, [36]allen warm van de zon, die thans verwonderlijk krachtig straalde voor midden September, trad er met dien terugkeer een nieuwe phase in Mieke’s gemoedstoestand, een van leegte en verbazing. Het scheen haar of heur leed weg was opeens, of ze nu nog maar eenzaamheid voelen kon, hopelooze, vale verlatenheid. Niemand had haar immers meer noodig en wie zou zij haar vertrouwen schenken?… Verwonderd werd zij tevens, toen ze al die mannen aan tafel zag gaan, een boterhammetje zag eten en koffie zag drinken en hoorde praten over allerlei, behalve over grootmoeder. Later vernam ze wat dominee Rensen voor vriendelijks had gezegd aan het graf, en ook bemerkte zij, dat hij slechts een kopje koffie gebruikte en enkel maar antwoordde op wat oom Egbert en Erik hem vroegen: of ’t nogal een rijke en uitgestrekte gemeente was en of hij allang hier stond, of er veel Katholieken waren op ’t dorp en of hij een mooie pastorie had. Geert werden vragen gedaan in denzelfden geest: naar de oppervlakte van zijn land, hoeveel paarden hij wel op stal had, wat zoo’n boerderij nou opbracht jaarlijks, ongerekend de onkosten. Vooral Erik bleek hierin veel belang te stellen en sprak op een eenigszins minzamen toon met den jongen boer, alsof deze maar een doodgewoon pachtboertje was, zichtbaar tot Wije’s ergernis. Eén oogenblik, om welke reden ontging Mieke, zag zij met plotselingen schrik hoe Geert’s gebruinde kop van kleur verwisselde. Ze zag hoe hij zich over iets gruwelijk ergerde, en aan zijn toon [37]hoorde ze, dat ’t een sneer was, die hij Erik toediende. Deze stond één moment verbluft en draaide bij om zich met een taktvollen zwenk, liever dan om ’t gesprek met den boer voort te zetten, tot dokter Bos te wenden, bij wien hij fluisterend, op ietwat ironischen toon informeerde „wat die kaffer hier eigenlijk in huis uitvoerde?”

Juffrouw Wije, die Mieke’s handje onder tafel vasthield en terzijde het gesprek volgde, vluchtigde een oolijk glimlachje over ’t blozend gezicht. Zij drukte steviger de kleine hand in de hare.

„Eet nou toch een stukje, lieverd?” drong ze aan bij Mieke. „Toe, een klein stukje?”

Mevrouw Bos bediende goeie-gastvrouwachtig en sprak zeer levendig nu met Erik, terwijl de dokter een min-of-meer geanimeerd gesprek hield met oom Egbert, en dominee Rensen en Geert langen tijd zwegen.

De dokter stond het eerst op. Hij moest weer naar zijn patiënten. Mevrouw werd ook eensklaps lichtelijk gepresseerd en verliet met hem, na een hoffelijk afscheid van de beide stadsche heeren en na een niet al te vriendelijken groet aan de overigen, met haar man het huis. Erik raadpleegde het spoorboekje hoe laat hij wegkon met den trein uit de naaste provinciestad en welke stoomtram-aansluiting hij dan gebruiken moest. Hij wilde graag zoo vroeg mogelijk teruggaan, want hij had een afspraak voor vanavond, en vader zou hem bij het afwikkelen der zaken stellig niet noodig hebben. Nadat hij een geschikten [38]trein gevonden had, moest hij nog hals over kop afscheid nemen om niet te laat te komen. Dominee Rensen liep zoover met hem mee den weg uit om hem tot de halte van de stoomtram te brengen, hij ging toch dien kant op,—en oom Egbert bleef dus alleen met de Wije’s en Mieke, totdat kort daarna ook Geert vertrok.

Juffrouw Wije begon nu de kopjes en bordjes om te wasschen en vroeg aan Mieke haar te helpen, wat deze deed, onderwijl oom Egbert in gedachten zat, die blijkbaar vrij bezwaarlijk waren, want hij sprak, aarzelend en onvast, toen hij begon.

„Mieke,” zei hij, „ik heb je gezegd, kindlief, zooals je je herinneren zult, dat je op mij ten allen tijde rekenen kunt, dat ik je een tweede vader ben als-’t-ware. En ik neem geen syllabe hiervan terug … Daarbij ben ik van nu af aan je voogd.—Maar ik heb nog eens nader met Erik gesproken, vanmorgen, over je komst, over allerlei. Je weet, tante Sophie is niet zoo heel sterk van gestel en bovendien is het bij ons nu eenmaal een heel ander huishouden dan waaraan je bij grootmoeder gewend bent geweest. Daarom moet ik, voor ik je mee kan nemen, tante even voorbereiden op een-en-ander en overleggen hoe wij in het vervolg het best voor je zullen zorgen. Ik voor mij zou het ’t eenvoudigste vinden, wat ik je ook al zei, als je bij ons in huis kwam. Maar Erik was het vanmorgen daarover niet onvoorwaardelijk met me eens. Vóór ik iets definitief zou vaststellen, vond hij het beter, dat ik eerst eens met tante Sophie hierover [39]sprak. Hij meent, er konden zich bezwaren voordoen, die zij wèl ziet en ik niet … Je zoudt dan misschien naar een kostschool moeten …”

„Een kostschool? Och neen!” viel Mieke verschrikt in de rede.

„Och neen!” riep de boerin, de theedoek neerleggend met een onwillekeurig smeekend gebaar. „Ze heeft wat anders noodig dan dat, meneer.”

„Het zal zich allemaal ten goede schikken, geloof mij,” beloofde oom Egbert, minder spontaan echter dan in de eerste dagen van het verdriet om grootmoeders verlies, en zéér nerveus thans. Hij sprak vlugger en met meer aplomb dan gewoonlijk; hij had het heel warm. „Mijn vrouw zal waarschijnlijk ook wel m’n opinie deelen om Mieke bij ons te houden, maar ik stel een mogelijkheid daartegenover.—Verder, mevrouw Wije,” zoo richtte hij zich eenigszins plechtig tot deze, een manier van doen, die Mieke niet van hem kende, tegenover grootmoeder en haar was oom Egbert steeds eenvoudig en gewoon geweest, „verder kwam ik tot u met een vriendelijk verzoek. Mijn vrouw is, zegt Erik, door ’t doodbericht van mijn moeder zeer geschokt.”

„Kende zij uw moeder?” vroeg juffrouw Wije, haar theedoek weer opnemend, het klonk argeloos, maar de boerin kon wel eens meer dergelijke argeloosheden ten beste geven.

„Ja … ja,” antwoordde hij, bijna verdedigend, zoodat men neiging gevoelde om te gaan twijfelen. „Mijn vrouw hield veel van haar. Maar de reis hierheen [40]vermoeide haar altijd vreeselijk. Het is een vrij lange, vervelende reis,” ’t klonk ook excuseerend. „En daarbij is ze nogal … eigenlijk verwend … en hier …”

„Zeker, zeker,” begreep de boerin tegemoetkomend, „hier nogal klein behuisd …”

„Juist, klein behuisd, precies,” zei meneer Van der Hoeve opgelucht. „En mijn vrouw …”

„Ja, ja.”

„Maar à propos van ’tgeen ik u wilde verzoeken. Zou Mieke niet nog eenige dagen hier mogen blijven, totdat wij een besluit hebben genomen haar aangaande? Mijn vrouw is niet zóó dadelijk op streek om haar te ontvangen. Is dat een bezwaar?… Alleen hier in huis durf ik haar niet laten. Ik wil desnoods wel een vergoeding …”

„Vergoeding! Wel foei!” De boerin kleurde. Ze werd kortaf, scherp nu. „Mieke mag gráág bij me blijven, zoolang ze wil en totdat zij bij anderen welkom zal zijn.”

„Dat is edel van u, mevrouw,” zei hij krachtig, maar ook een beetje verlegen.

„O neen, meneer, ’t is alleen maar Christelijk en doodgewoon. Ik zou me schamen voor Onzen Lieven Heer, die zelfs den muschjes een warm nestje geeft, als ik een lief, braaf kind een dak boven haar hoofd ontzegde. Ze is mijn meid, hè, lieverd?” en juffrouw Wije kneep Mieke in de wang, en Mieke slikte haar tranen weg. Ze wilde niet meer schreien. Ze antwoordde niet. [41]

Oom Egbert stond op, gebaarde breed. „Mevrouw Wije,” sprak hij, „laat me u de hand drukken tot dank en uit erkentelijkheid.”

Zij weerde z’n hand af. „Geen dank, meneer Van der Hoeve, en erkentelijkheid hoeft ook niet. „Heb u naasten lief als uzelf,” dat moeten we maar bedenken, wat u?”

„Ja, ja, zeker, zeker, u hebt groot gelijk … Ik wil dan ook alles doen om Mieke’s toekomst te verzekeren.” Dan, na een stilte: „Ik ben van plan nu naar den notaris te gaan. Mijn moeder bezat niet veel, ze leefde van haar pensioen, zooals u weet, maar wàt ze nalaat is voor Mieke … Mieke bezit bovendien wel ’t kapitaaltje, dat ze van haar moeder erfde, maar daarmee wil ik geen rekening houden. Ik heb een beste zaak, misschien kent u ze: de firma Van der Hoeve en Van Leent …”

„Neen,” antwoordde juffrouw Wije hoofdschuddend, „die ken ik niet.”

„Nu, een flink kantoor, waar goed wordt verdiend. Mijn moeders erfenisje kan daarom geheel aan Mieke blijven. Ze mag …”

„Dat ’s mooi,” viel de boerin bij, krachtig, „dat ’s heel mooi. Daar geef ik je graag de hand op,” en haar warm, prettig gezicht werd één lieve glimlach, heur blauwe oogen één stralende glans, terwijl haar ontviel: „Dat had ik niet achter je gezocht.”

Oom Egbert werd een beetje beduusd nu. Zóó had hij het eigenlijk niet precies bedoeld! Hij zei ’t zoo losjesweg van dat geld, wèl gemeend natuurlijk, [42]maar behoudens enkele lichte wijzigingen. Hij wist nog volstrekt niet of zijn vrouw omtrent dit financieele gedeelte van hetzelfde gevoelen was als hijzelf, en deze boerin met haar telkens hinderlijk doorbrekende positiefheid en doorzettingskracht, trok herhaaldelijk de leidsels zóó aan, dat ’t je bijwijlen benauwde … Niet om Mieke niet ruimschoots, zeer zeker ruimschoots, haar deel te geven! Volstrekt niet. En best, heel best mogelijk zou Sophie met hem instemmen, wat Mieke’s vermogentje betrof. Natuurlijk zou ’t het meisje aan niets ontbreken: hij bleef immers zelf de nalatenschap beheeren,—maar daar behoefde hij een vreemde toch geen verantwoording van te doen!

Inmiddels gerustgesteld door de wetenschap Mieke zoolang op de boerderij te kunnen achterlaten, nam hij zijn hoed, van plan te vertrekken, doch niet zoo spoedig z’n vorigen toon kunnende laten varen ging hij voort: „Ik moet u toch hartelijk bedanken voor uw welwillendheid,” en z’n lichte ontstemming niet botvierend, maar glimlachend, hoewel wat geforceerd: „Ik zal het nooit vergeten.”

Guitig twinkelden de oogen der boerin; de dwarsrimpeltjes bij de ooghoeken werden groefjes. „Dat mag je anders gerust, hoor,” antwoordde ze opgewekt. „Maar als dit is om nooit te vergeten, kan u werken aan je onsterfelijkheid.”

Hij keek haar aan met verwondering, niet begrijpend.

„Ik bedoel door voor uw nichtje alles te doen wat [43]je beloofde,” en juffrouw Wije genoot met al den humor en de goedhartigheid van haar opgewekten, schranderen geest van wat ze daar leukjes-weg bij haar neus langs zoo vriendelijk-raak zei.

Oom Egbert keken die klare oogen wel wat àl te koen in de zijne; heelemaal op z’n gemak voelde hij zich nog steeds niet. Hij zweeg wijselijk en kreeg plotseling nogal haast om naar den notaris te komen.

Mieke hield hem nog even staande … Mocht zij alles wat haar hier in huis toebehoorde meenemen en bij elkaar pakken? Werd alles, waar grootmoeder en zij aan gehecht waren, tot later bewaard?

„Zeker, zeker,” deed oom hartelijk, „natuurlijk, alles waar je op gesteld bent pak je maar bijeen … Wat het huisraad betreft, wat daarmee gebeurt weet ik niet. Tante Sophie moet maar beslissen, of ze daarvan iets gebruiken kan. De ouderwetsche linnenkast is wel mooi en de antieke Friesche klok …”

„O,” viel juffrouw Wije in de rede, het klonk eenigszins verwonderd, „zijn die dus niet van Mieke, de linnenkast en de Friesche klok? Omdat u zooeven zei …”

„Natuurlijk, óók … ja, ja … van ons beiden, natuurlijk. Alles wat Mieke kiest zal ze hebben. Dat regelt zich, dat regelt zich … Nu ga ik dus werkelijk. Het wordt anders te laat voor me. Dag, kind,” hij kuste z’n nichtje. „Mocht ik je niet meer zien, dan, vermoedelijk, tot ’t laatst van deze week. Maar ik zie je nog wel, denk ik. Je bent anders in goede handen … Mevrouw Wije, m’n respekt.” [44]

„Dag, meneer. Goed succes met je onderhandelingen en denk nog maar eens aan je onsterfelijkheid,” zei ze met bijzondere opgewektheid.

„Hahaha,” meneer Van der Hoeve lachte verbazend om dat grapje, diep z’n hoed afnemend voor de boerin, die hem uitliet, want juffrouw Wije had manieren. Juffrouw Wije stamde uit een kranig, oud geslacht en dat behoudt toch steeds zijn tradities. Haar onopgesmukte hoffelijkheid was er een van eigen bodem, al schatten stedelingen, juist door de ongekunsteldheid ervan, deze niet altijd op de juiste waarde. Zij had daarbij dat imponeerend onafhankelijke, dat slechts die menschen bezitten, die van ouder tot ouder onbekrompen leefden en hadden te gebieden. In haar soort was zij aristokratisch, als men maar wil aannemen, dat er genres zijn van voornaamheid. De hare uitte zich niet in minzaam bevallige, gemakkelijke bewegingen en in ’t omhulsel van een correkt Engelsch tailor-made met een gedistingeerden hoed, noch in fijne, kunstzinnige ontwikkeling, wat neigende naar overbeschaving. Neen, in een aangesloten wandelkostuum met een modieus hoofddeksel en in een drukke stadsomgeving zou juffrouw Wije haar glorie missen, in een zwierige kleedij zou ze er even ridikuul uitzien als een beweeglijke, tengere, artistieke gestalte in haar gladde, stijve japonnen van deugdelijke, zware stof. Men moet een ieder mensch zien in zijn eigen licht, en van dat standpunt beschouwd zag men juffrouw Wije’s onloochenbare voornaamheid als eene van [45]frisch, krachtig allooi. Vroolijk en onbevangen, was zij voor iemand met gemaakte deftigheid de verklaarde vijandin door de guitigheid en den geest, die uit haar spraken,—voor anderen echter, door de beschaving harer medelijdende, liefderijke ziel, een vriendin. Den minsten boerenarbeider zoowel als het pietluttigst gesoigneerd heertje moest hetzelfde ontzag vervullen voor haar klaren eenvoud en natuurlijke schranderheid, die, in welken vorm gegoten, nooit dan tot erkenning en eerbied dwingen,—zij het dan ook ten laatste dwingen en niet steeds met des tegenstanders wil.

De heer Van der Hoeve, die toch op zijn kantoor, tegenover zijn personeel, tegenover menschen van aanzien, bij zijn zeer respektabele kennissen als een persoon gold van niet onaanzienlijk gewicht, werd tegenover deze boerin maar een doodgewoon middelmatigheidje. En toen hij den landweg afliep en daarna in de richting van het dorp voortwandelde, z’n hoed afzettend en zich ’t zweet van het voorhoofd wisschend, terwijl hij z’n tred, zoo vlug begonnen, een weinig matigde, mompelde hij: „Een aardige vrouw, alleraardigst … heel gedienstig en hartelijk … maar tjonge-jonge, een bijdehandje,” voelende hoe hij niet tegen haar opkon, omdat ze duidelijk zag alle kleine onwaarheidjes, die z’n leven niet bevlekten, volstrèkt niet bevlekten, maar toch versmoezelden. Hij verwerkte deze gedachte absoluut niet. Hij dacht over dit geval niet eens, hij onderging alleen de waarheid ervan. En dat stemde hem onprettig. [46]Hij vond zichzelf niet in ’t minst onwaar. Integendeel. Hij jokte nooit en hij deed nooit iemand een cent te kort, hij was zoo eerlijk als goud, daarvoor stond hij bekend. En toch …! Woorden klinken zoo anders dan wanneer daden spreken, en als woorden het accompagnement vormen, dat de daden vooruit loopt, al is het ook slechts even, dan krijgt de harmonie van denken-en-doen licht iets détonneerends. Eén kwart toontje verschil is al niet een zuivere samenklank!—Doch wie bespeelt zuiver de viool in het leven? Het zijn alleen de grooten,—en hen ziet men gewoonlijk het minst hun genialiteit aan.

Maar juffrouw Wije had een fijn gehoor. Dat is óók een gewichtig ding. En het maakt een speler wel eens zenuwachtig, zoo’n geoefend, kritisch toehoorster! [47]

[Inhoud]

HOOFDSTUK IV.

DE ZEKERHEID.—EN ’T AFSCHEID.

Een week omtrent duurde Mieke’s verblijf op de boerderij nu reeds. Ze was hulpvaardig en gedienstig, ze hinderde juffrouw Wije niet in ’t minst, zelfs vond deze ’t wel aardig het meisje bij zich te hebben, maar niettemin verwonderde ’t de boerin, dat tijding uit Amsterdam zoo lang achterwege bleef.

Op een morgen had Jans met haar slag om iedereen werkjes op te draaien Mieke aan ’t koffiemalen gezet. De deur stond wagenwijd open en vol scheen de zon in de groote keuken, waar ’t, met ’t flink brandend fornuis, verbazend warm was.

Mieke, den koffiemolen tusschen de knieën, draaide de stroeve machine met flink wat routine, begeleidende daarmee den deun, dien Trijn, de boerenmeid, in ’t waschhok aanhief, tot ergernis van Jans, die, zelf niet kunnende zingen, ook geen zingen van een ander kon verdragen. Trijn, een dikkerd met een onbenullig, goedig gezicht, kwam, de armen dampend van zeepsop, uit ’t waschhok om een nieuwen pot water te halen, die stond te koken. Lachende, met een zwaai, joeg ze de kippen de keuken uit, knipoogend naar de ijverige Mieke: „Jans zal wel maken dat je je niet [48]dood verveelt.”—Jans en Trijn waren nu eenmaal vuur en vlam, en de oorzaak hiervan lag bij de vrijers. Trijn, dom maar jolig, was in trek; Jans, die een grooten neus had en vinnig leek, maar die zich op een vrij wat hooger standpunt plaatste van „bijna huishoudster”, Jans scheen zonder charmes. Dit werd een kritiek punt. Juffrouw Wije, van allebei gediend, moest soms heel wat schipperen.

„Ik help wel graag,” zei Mieke vergoelijkend.

Jans triumfeerde; Trijn mokte … Háár best, als ’t kind dien spitsneus naar de oogen keek!… Maar ze glunderde alweer tegen den postbode, nam met een grap een brief van hem in ontvangst, deed moeite ’t adres te ontcijferen, hoewel lezen niet behoorde tot haar „fort”.

Jans, fluks naast haar, keek over haar schouder, bitste: „Voor jou, Mieke,” griste den brief de ander uit de hand.

Mieke, gereed met de koffie, stond haastig op, zette den molen op tafel. Hoewel ze ieder oogenblik tijding kon verwachten kwam deze haar nu toch nog onverwachts. Een beklemd gevoel overviel haar, toen ze den brief aannam.

„Van je oom, Mieke?” veronderstelde Jans, Trijn geen tijd latend tegen haar kattigheid te protesteeren.

„Ja,” antwoordde Mieke, huiverig om de enveloppe te openen en nochtans popelend om den inhoud te weten … Maar niet lezen onder de speurende blikken der nieuwsgierige meiden!… Langzaam liep ze [49]de keuken uit, vóór ’t huis om, en zich ten laatste vermannend scheurde zij het couvert los en las, met knippende oogen, zenuwachtig den eersten persoonlijk aan haar gerichten brief. Een uitdrukking van onzekerheid teekende zich meer-en-meer af op haar gezichtje … Zij wist, toen ze het epistel uit had, zelf niet of het haar plezier deed of tegenviel … Lag dit nu aan haar?… Kon niets, niets haar dan meer schelen?… Zoo leeg en zonder opgewektheid bleef zij … Wat heerlijk als je nog zoo galmen kon als Trijn of als je je zoo hartstochtelijk in ’t zweet poetste op ’t koper, iets waaraan Jans zooeven haar krachten wijdde, meenende, dat er geen gewichtiger werk op de wereld bestond dan dat … Eens had ook zij, Mieke, het hoogste lied uit gezongen, wanneer ze het keukentje bij grootmoeder wit-schuurde, het plaatsje schrobde of de ramen zeemde … Weg dit alles! Genadebrood zou ze eten, bij die vreemde familie, zooals ze híér genadebrood at!… O, vriendelijk waren de Wije’s voor haar, maar Jans had haar reeds een paar malen, als ze haar allerhande karweitjes opdroeg, gezegd: „Hartelijk van de vrouw, dat je zoolang kunt blijven. Je mag wel dankbaar zijn,”—en daarstraks had Thijs, de goeie, oude sul, die voor den moestuin zorgde, zonder eenig kwaad bedoelen gevraagd: „Ben je der nou nóg al, juffertje?”… En dat was reeds nu!… Juffrouw Wije zou dergelijke dingen afkeuren, o, zeker, maar zij, Mieke, voelde toch den grond dier vragen … Hoe zou ’t dan in de toekomst worden?… Waarschijnlijk uitte familie zich anders, [50]oom Egbert sprak zelfs van „tweede vader” en „verplichtingen”, maar Mieke’s hartje was zéér beducht. Deze brief bracht haar niet de hulp van oom Egbert’s spontane beloften, de hulp, die men ontvangt van hartelijkheid wanneer men eenzaam is. Deze brief bracht slechts twijfel, onzekerheid, wantrouwen aangaande de toekomst.

Zij besloot juffrouw Wije op te zoeken en met haar te spreken.

Langs de stallen loopend vroeg ze Geert, die inspande om naar de stad te rijden, waar z’n moeder was.

Druk bezig, vroolijk fluitend, zag hij op. „Achterin,” antwoordde hij. Zijn knap, open gezicht straalde van zorgeloosheid, zijn heldere, schrandere oogen van levenslust en vergenoegen. „Mooi weer, Mieke!” riep hij haar vroolijk na; z’n jonge stem schalde.

Zij knikte, ongeïnteresseerd. Zij voelde niets van de heerlijk pittige najaarslucht, ze zag niets van den warmen zonneglans, van ’t prachtig donkergoud op het najaarsloover. Heel het opgewekte, krachtige der frissche atmosfeer miste zijn invloed op haar, vervuld als zij was van de aldoor weerkeerende zorgen, der aldoor weerkeerende zelfde gedachten.

Na de verdooving door het groote verdriet veroorzaakt, leefde zij, al de dagen dat ze nu op de boerderij logeerde, in een stemming van lijdelijkheid. Ze wilde ieder zooveel mogelijk van dienst zijn, maar het heele woelige leven op de drukke plaats deed [51]haar niets, ging langs haar. Juffrouw Wije bemoeide zich weinig met haar, eerstens omdat ze er niet veel tijd voor had, tweedens omdat ze het beter vond Mieke zichzelf te laten overwinnen. Zij hielp haar somtijds met een enkel woord, maar niet met opgedrongen troost. Men moest het meisje niet lastig vallen met goeden raad als: „Verzet je toch, kind.” Spoedig genoeg zou het leven-zelf haar hier wel toe noodzaken.

Mieke trof juffrouw Wije bij het kippenhok. Zij had de handen vol eieren, vijf in iedere. „Kijk eens,” riep ze verrast, „om dezen tijd van ’t jaar nog tien. De kippen zijn in haar schik met den zonneschijn.” Heur blozend gezicht was warm; ze had gebukt gestaan en kwam juist uit den moestuin, waar ze de laatste boontjes plukte in een mand, die ze op het hok had gezet. Voorzichtig legde ze daar de eieren nu bovenop. „Maar wat is er, kind?” vroeg ze belangstellend verder. „Heb je een brief?”

Mieke knikte. „Lees u eens.” Zij reikte haar den brief over.

„Kom even mee naar binnen; niet hier.”

Mieke volgde haar, droeg ’t mandje.

„Samen aan den wandel?” schertste Geert bij ’t langs-komen.

Juffrouw Wije wees op den brief in haar hand. „Nu zullen wij Mieke wel gauw kwijtraken.”

„Kom?” vroeg hij ernstiger.

„Heel gauw,” knikte Mieke.

Zij liet het mandje met de boontjes en de eieren in [52]de keuken, en juffrouw Wije ging haar voor naar de huiskamer, zich zettend in haar breeden armstoel aan ’t raam, lezende:

Beste Mieke,

Na overleg met den notaris ontving ik dezer dagen opgave van de som, die je van je moeder erfde, en van de grootte der nalatenschap, waarvan wij beiden de erfgenamen zijn.

„Haha,” dacht juffrouw Wije, „wij beiden,”—en zij las verder:

Die van grootmoeder is slechts klein, doch wat je door je moeder bezit vertegenwoordigt een niet onaardig kapitaaltje.

Tante en ik, die er eerst over dachten, met het oog op mijn vrouws minder sterk gestel, een eenvoudige kostschool voor je te zoeken, zijn echter na rijp beraad op dit plan teruggekeerd, overwegende, dat ook jij liever te onzen huize wildet verblijven dan op een pensionnaat. Indien wij kinderloos waren zouden wij er in ’t minst geen bezwaar in zien je kosteloos tot ons te nemen, maar waar de studie van Erik en Olga en ook de opvoeding van onze Louise ons groote verplichtingen oplegt, is ons dit onmogelijk. Bovendien zou een kostschool voor jouw middelen wellicht ook nog wel wat te prijzig [53]wezen en zal het beter voor je zijn, indien je bij ons een klein kostgeld betaaldet veel minder groot dan op een pensionnaat, om welke concessie jij je tante dan in de hand zoudt moeten komen met de huishouding. Dat je intusschen voor onderwijzeres blijft doorleeren spreekt vanzelf. Hierover mondeling nader.

Ik wil een-en-ander geheel aan jezelf overlaten, ofschoon ik natuurlijk als je voogd je zou kunnen dwingen, maar dit wensch ik in geen geval. Vermoedende dat je met ons voorstel accoord gaat, zouden wij gaarne vernemen wanneer wij je mogen verwachten. Liefst met den trein, die vóór vijven arriveert. Tante zal dan je kamertje in orde laten brengen. Dit zal je wel plezier doen.

Doe mijn beleefde groeten aan de familie Wije en betuig haar nogmaals mijn welgemeenden dank. Tot ziens dus, beste Mieke. Steeds gaarne:

Je liefhebbende oom
Egbert.

Mieke stond tegenover de boerin aan ’t raam. In verwachting keek ze naar de lezende, was ze toch wel zeer benieuwd en zenuwachtig.

„Wat dunkt u?” ze kon het oordeel ternauwernood afwachten. Nu bleef ze niet lijdelijk meer. Alles aan haar was bevend uitzien.

„Wel, kind,” sprak de boerin langzaam terwijl ze [54]’t papier opvouwde en weer in ’t couvert stak, „daar zit veel goeds in dien brief.” Hoewel een egoïstisch doel vermoedend—juffrouw Wije’s gehoor had zich dus onlangs niet bedrogen—wilde zij Mieke niet vooruit verontrusten. Zij begreep hoe getroffen het meisje moest zijn nu voor het feit te zijn gesteld, dat onherroepelijk verwacht werd, maar toch steeds nog mijlen ver weg werd geloofd. Zij wilde niet spreken van alles wat haar bij het lezen zoo onaangenaam had getroffen, hoe alleen de noodzakelijkheid (en het winstbejag? juffrouw Wije kon dit niet gehéél constateeren, niet wetende hoe groot Mieke’s middelen waren) aan ’t woord was en het rechte welkom ontbrak. Zij mocht Mieke niet ontmoedigen. Integendeel werd het nu zaak haar te helpen bij het begin van den moeilijken tocht, dien het kind ondernemen ging.

Mieke’s angstig op haar gevestigd gezichtje ontspande zich na de opbeurende woorden der oudere vrouw, wier oordeel zij niet alleen op prijs stelde, doch dat zoo grooten invloed op haar uitoefende.

„Veel goeds? Vindt u? Vindt u dat werkelijk? Valt het u mee?” ze vroeg het rad, weifelend ook, en blij half, met een wat bevend stemmetje, in de blauwe oogen opkomende blijdschap, de bleeke wangetjes nu warm gekleurd door een zachten blos, die haar innemend, kinderlijk gezichtje iets roerend liefs gaf. Juffrouw Wije zag met warme sympathie naar haar. Wat een onwetendheid met de wereld sprak er uit dit jonge schepseltje!… Het was eigenlijk niet goed geweest [55]van de oude vrouw het meisje zoo heelemaal onkundig te laten met alles wat er in ’t leven te koop was. Eenmaal moest een elk de moeilijke levensles leeren, en waarom een kind daar niet reeds jong op voorbereid? Zeker, de grootmoeder liet haar goed onderwijzen, wees haar den weg om op te groeien tot een braaf mensch, maar van het verkeerde dat zij op dien weg ontmoeten zou leerde zij haar niets … Doch ook, moest juffrouw Wije verontschuldigen, zij had haar taak nog niet volbracht, toen ze weggerukt werd. Men mocht daarover eigenlijk niet oordeelen.

Met dat al vervulde haar een diepe deernis voor ’t meisje, dat zoo gansch onwereldkundig het leven in een groote stad tegemoet zou gaan. Zij wilde haar echter niet beangstigen, zij mócht haar niet beangstigen. Slechts een riem onder ’t hart was ’t, wat Mieke noodig had en wat haar helpen kon de toekomst met moed te aanvaarden.

En juffrouw Wije zei: „Zeker valt het me mee. Je oom schrijft immers heel aardig. Natuurlijk zal er veel zijn, wat je vreemd voorkomt, waaraan je in ’t eerst niet wennen kunt, maar je moet er doorheen, kind. Geen mensch zeilt door ’t leven zonder tegenwind, maar met Gods hulp kom je in veilige haven … Is niet alles naar je zin geregeld? Me dunkt. Je wilde liever bij je oom in huis dan naar een kostschool,—nu kàn dat. Dus is ’t best!… Je oom is geen kwaje man, Mieke. En hij blijft door alles heen de zoon van z’n moeder. Dat moet je maar goed onthouden. Trouwens dat zal je ook altijd ondervinden.” [56]

Mieke monterde geheel op. „Ja,” zei ze opgeruimd, „ik ben werkelijk ook heel blij, nu ik zekerheid heb. U heeft gelijk, oom schrijft aardig; vooral van mijn kamertje. Ik zal er heel netjes op wezen en ik wil tante Sophie graag flink helpen in de huishouding.”

Juffrouw Wije sprak haar verwondering over dat behulpzaam-zijn ter vergoeding van het kleinere kostgeld bij de familie dan op een pensionnaat maar niet uit. Het klonk wel zeer vreemd na Van der Hoeve’s genereus gebaar: „Mieke behoudt alles van grootmoeder. Ik wensch daarvan niets.”

De boerin wist hoe Mieke de verklaring hiervan schuldig zou blijven, en daarenboven, wat nut stak erin slapende honden wakker te maken? Zij zag met voldoening den meerderen glans in de oogen van haar vriendinnetje, ze zag hoe heur heele persoontje langzaam-aan weer ’t opgerichte, veerkrachtige van de jeugd begon te krijgen. Tot-nu-toe had Mieke onafgebroken haar leed en angst gekoesterd, aangekweekt bijna, niets anders was er, dat sterk-overwegend haar belangstelling vroeg. Deze brief echter zette haar aan tot dóórdenken, tot klaar doordenken aan de toekomst, tot naderend handelen. Het leven dwong met z’n onverwachte eischen: het vroeg haar volle aandacht en haar heele persoon … Juffrouw Wije sprak juist van pas. En de gezonde, normale geest van ’t meisje nam gretig aan de bemoediging, de voortstuwing van het ernstig optimisme en de meerdere ervaring der rijpere vrouw. Mieke begon nu [57]zelfs een weinig belang te stellen in daarginds; het trok haar langzaam-aan met al de kracht van ’t onbekende nieuwe. De apathie week,—met kloppend hart dacht ze aan het vele, dat haar begeerlijk ging lijken, en ze had niet nog maar zeventien jaar moeten zijn om zich niet illusies en voorstellingen te maken omtrent alles wat dat nieuwe nog voor schoons voor haar verborg … Deze ommekeer overmeesterde haar heel plotseling. Nog passief toen ze bevende den aanhef: „Beste Mieke” las, zelfs nog onzeker nadat ze den heelen brief gelezen had, ontwaakte ze eerst ten volle bij het besef, door juffrouw Wije helder belicht, om nu het komende niet angstig tegemoet te zien maar met vertrouwen en blijmoedigheid te aanvaarden.

En toen dit besef eenmaal doordrong, goed tot haar doordrong, was het met snel groeiend verlangen, dat ze op de toekomst zelfs hóópte. Juffrouw Wije bemerkte het met vreugde, al overzag zij daarbij ten volle de onvermijdelijke teleurstellingen voor Mieke … Maar geen woord hierover! Waar ’t kind zelf den moed herwon bleef haar niets anders te doen dan dien te versterken.


Alles wat ze aan kleeren bezat, zoowel zomer- als wintergoed, laadde Mieke in den grooten koffer, dien ze van Geert ter leen mocht. Om elf uur kwam de bode de bagage halen. Er was ruimte in overvloed, want veel garderobe bezat ze niet, ofschoon Mieke-zelf [58]haar bescheiden bezittingen uitgebreid genoeg vond. Terwijl ze zenuwachtig opvouwde en bergde en weer verlegde, leken haar die eenvoudige spulletjes lang niet onaanzienlijk. Vuurrood van agitatie, de handjes bevend, had ze eerst al haar kleinigheden ingepakt: doosjes, vaasjes, portretjes en wat boeken. Verleden week bracht ze alles, wat ze uit grootmoeders boeltje wilde behouden, naar hier. Van de meubels, waaraan ze bijzonder gehecht was, had ze bij den notaris een lijstje moeten inleveren, en deze meubels waren opgestuurd geworden naar Amsterdam om daar haar kamertje te completteeren.

Mevrouw Van der Hoeve behield voor zich slechts, zooals de notaris zeide, de antieke kast en de oude klok. En omdat er van de rest niet zooveel overbleef, wat Mieke begeerde, zou er veel bestemd zijn om verkocht te worden … Als ze daaraan dacht schrijnde ’t haar. Leeg het lieve, gezellige huisje, zoo grootmoeders trots!… Wat waren ze er gelukkig en tevreden geweest! Nooit had ze dit beseft vóór ze die onbezorgdheid verloor.

Bij deze gedachte beheerschte haar wederom een overweldigende weemoed. Het mooie, groote, lichte dorp met zijn vriendelijk kerkje, de uitgestrekte weiden en de schaduwrijke boomgaarden, de vruchtbare bouwlanden en den breeden straatweg, en niet ’t minst het overbekende landpaadje met het onvergetelijk tehuis, de prachtige hoeve harer hartelijke buren,—hoe zou ze dit alles missen tusschen de torenhooge huizen in de stad, in de straten, waar de menschen [59]elkander verdrongen en waar je nooit zien kon of het zomer of winter was. O, het werd haar zoo moeilijk te scheiden! Eenige dagen geleden, toen ze pas den brief ontving, dacht zij, dat ze nu wel voorgoed zoo dapper en opgemonterd zou blijven, had ze bij zichzelf reeds allerlei plannen gemaakt, voorstellingen van genoegens, waarover ze dikwijls gelezen had, die haar opwonden en deden haken naar het nieuwe leven,—maar nu, onder het inspannend zich reisvaardig-maken, nu nog maar enkele uren haar scheidden van die vreemde toekomst, nu werd het haar wederom zeer bang te moede en bekroop haar weer dat gevoel van hopelooze verlatenheid, dat sedert grootmoeders dood haar zoo herhaaldelijk overviel.

Zij kende de geslotenheid van haar karakter, dat zich heel moeilijk en schuchter uitte. Haar aanhankelijke, liefderijke natuur gaf gaarne en veel, maar ze gaf niet gemakkelijk en meer in zelfvergeten en gestadig hulpbetoon dan in spontane, licht te begrijpen hartelijkheid. Daardoor onderschatte men dikwijls de grootte en de zuiverheid harer oprecht gemeende bedoelingen. Zij wist, dat veel menschen haar wat stug vonden, koel zelfs, en maar al te goed voelde zij, hoe’n moeite ze vooral den eersten tijd zou hebben om zich daarginds aan te sluiten en aan te passen. Al de luchtkasteelen, sedert de ontvangst van den brief opgebouwd, vervaagden, terwijl ze daar nerveus zwoegde aan ’t ongewone werkje van kofferpakken. O, het zou haar onmogelijk zijn dadelijk al [60]innemend te doen, veel te praten en te lachen en belangstelling te toonen. Ze zou niet genieten van al hetgene, dat ze in die onbekende omgeving te zien kreeg; altijd zou ze voelen, dat ze er toch niet tehuis hoorde … Wanneer zij terugdacht aan vele jaren geleden, toen zij nog maar een jong kind was en oom Egbert nog wel eens Olga meebracht bij grootmoeder op zijn korte bezoeken aan het eenvoudig ouderlijk huis, wanneer zij terugdacht aan het mooie, sierlijke meisje met heur groote, donkere oogen en glanzende, lange krullen, aan heur opgerichte houding en vlugge, bevallige bewegingen, aan de fijne jurken, die zij droeg, en de groote strikken in ’t prachtige haar, dan prangde er iets in Mieke’s borst van angst om dat meisje weer te ontmoeten, om met haar te moeten samenleven. Oom Egbert had het vaak genoeg gezegd, hoe mooi en hoe begaafd Olga geworden was! Mieke luisterde altijd naar die verhalen met verwondering en eerbiedige belangstelling, maar ook als naar iets dat, veraf en onbereikbaar, slechts als een merkwaardigheid voor haar gold.

Zij herinnerde zich hoe Olga’s aanwezigheid de enkele keeren, dat zij bij grootmoeder geweest was, haar had geïntimideerd en gehinderd, onverklaarbaar gehinderd. Nóg kon zij zich dien vreemden indruk op haar jong kinderzieltje herinneren, het gevoel van onvoldaanheid en van verzet om zich niet door het nichtje te laten overheerschen. O, die duidelijke herinnering aan de gewaarwording half van vijandschap, [61]half van overmachtigen eerbied, waartegen haar kindertrots zich altijd verzette. Jarenlang sluimerde deze ondervinding,—slechts wanneer oom Egbert in later tijd eens over zijn kinderen sprak schemerde ze haar vaag voor den geest. Thans echter beklemden die herinneringen haar zóó sterk, dat ze even de handen moest laten rusten en de verslapping, die haar overviel, moest laten wijken om opnieuw voort te kunnen gaan. Nu wist ze ’t plotseling, dat dit ’t geweest was, waar ze het meest tegenop had gezien. Niet de nieuwe omgeving noch de groote stad waren ’t, niet enkel het afscheid van haar oude vrienden en van ’t vele liefs, dat zij achterliet, noch de gedachte gedeeltelijk afhankelijk te worden van voor-haar-zoo-goed-als-vreemden, dat alles bedroefde en bezwaarde haar, zèker,—doch wat haar nu eensklaps verklaarbaar werd, het was het gevoel van onoverkomelijkheid van iets, dat haar in de toekomst wachtte, en dit „iets” was de wetenschap in ’t vervolg elken dag te moeten samenleven met het nichtje, dat eens, als kind, haar onder haar sterken, overheerschenden wil bracht en een overmachtigen invloed op haar uitoefende, wier schoonheid Mieke overschaduwde met al de kracht eener indrukwekkende, opvallende persoonlijkheid. Het werd Mieke glashelder: die antipathie benauwde haar bij vlagen tot stikkens toe. Mieke wist, hoe zij naast Olga tot niets zou worden, en hoewel zij nooit begeerde ook slechts eenigermate op den voorgrond te treden, ze kende te goed het gevoel van achteruitzetting zoodra [62]de ander met heur stralende gaven haar op zijde drong, om het niet te duchten. Want zij kende het leed erom. Zelfs grootmoeder, bekoord en gestreeld door het bezit van zulk een kleindochter als Olga, bevoorrechtte deze eenmaal. Dat gebeurde, toen Mieke, bemerkend hoe men háár wat linksche voorkomendheid over ’t hoofd zag, háár pogingen tot liefheid en gehoorzaamheid totaal veronachtzaamde, zich stug terugtrok en grootmoeder haar daarna om „koppigheid” en „stuurschheid” berispte. En iemand—wie wist Mieke zich niet meer precies te herinneren—sprak toen schouderophalend van „jaloezie.” Dit had het kind gegriefd, zóó onmeedoogend en onuitwischbaar (misschien omdat ze de waarheid ervan doorvoelde, die haar fel kwetste), dat, hoewel door de jaren verdoezeld, dit heftig gevoel van vernedering haar nu nog pijn kon doen en vrees aanjagen voor een herhaling.

Zij sloot den koffer, warm en moe van inspanning, het blonde haar, dat over heur voorhoofd viel, wegstrijkend naar achteren in de gladde vlecht. Heur handen en armen, bevend van onnoodig reppen, gleden slap langs haar lichaam … Wat nu?… Zij kon er zich niet indenken nu klaar te wezen; de onrust dreef haar tot allerlei overtollige schikkingen. Zij zette nog wat recht en ruimde nog wat op, maar dan zakten weer de armen, stond ze in bevreemding bij het weten: „Nu heb ik hier niets meer te doen.”

Zij besloot nog eens voor ’t laatst op dezen schoonen najaarsmorgen de boerderij rond te loopen. [63]Alles wat zij vroeger nauwelijks opmerkte en wat toen langs haar ging trof haar thans als een verrassende merkwaardigheid … Wat een bedrijvigheid en wat een rijkdom!… Kijk dat begeerig gepik der kippen, die Jans aan ’t voederen was!… Even lachte Mieke om de hoekige bokkesprongen van den sik, die, vastgebonden aan een paal, het kleine bleekveld afgraasde achter het wagenhuis … Trijn hoorde ze galmen bij ’t regelmatig geschuur der melkemmers en somtijds luide lachen om de kwinkslagen der knechten, die op de korenzolders bezig waren en haar door een openstaand venster beschreeuwden.

Als je een oogenblikje stilhield en luisterde, waren het honderdlei klanken, die je opving: gepraat, gezang, geklop, geschuur, dierenstemmen op eigenaardige menschengeluiden lijkend, het ruischen der boomen, getok en getjielp van vogels, waarvan de meesten wel-is-waar reeds vertrokken waren, doch welker achterblijvers ook hun stem, zij ’t gedempt, verhieven in het harmonisch lawaai, dat je onwillekeurig tot een glimlach dwong om de veelheid en de eigenaardigheid der instrumentatie. Nog nooit had Mieke daar zoo bewust en intens naar geluisterd, nog nooit had zij de boerderij zoo vol en rijk gezien als thans, nu ze op ’t punt stond er een vreemdelinge te worden.

Alles was hier met haar jeugd en herinnering saamgegroeid, en eenzaam en bedroefd sloop zij rond, tot ze in de verte de torenklok hoorde slaan … Ze wilde nog naar mevrouw Bos en naar dominee [64]Rensen; ’t werd tijd als ze vóór het middageten om twaalf uur terug wilde zijn. Ze nam haar hoed en gaf aan Jans de boodschap waarheen ze ging.

Mevrouw Bos deed koel. Ze meende Mieke had haar niet de eer gegeven, welke haar toekwam. Juffrouw Wije’s bereidwilligheid deed haar zich gepikeerd terugtrekken. Zij was wat stekelig tegen ’t meisje en dit speet Mieke, want al had ze nooit erg van mevrouw Bos gehouden, ze had gaarne aan elk-een-hier een prettige herinnering bewaard. Maar mevrouw Bos sprak bits en terechtwijzend, zoodat Mieke zeer ontmoedigd bij dominee Rensen kwam.

Hij was een bejaard man, al over de zestig. Menig groote smart gaf hem die opbeurende blijmoedigheid, waarmee hij de menschen in hun verdriet kon steunen door zich te beroepen op eigen ervaring in leed. Men voelde niet slechts zijn medeleven, maar meer nog en troostrijker vaak zijn medebegrijpen. Hij had zijn vrouw ten grave zien dragen en aan het sterfbed zijner eenige dochter gestaan, doch hij had in vrome overgave het leven leeren overwinnen en liefhebben na harden, innerlijken strijd. Nu stond hij dan ook op de hoogte van zijn vertrouwen, kende hij de waarde van het leven, dat hem zooveel ontnomen had maar daarvoor in plaats had gegeven het diepe geluk der aanvoeling van Gods nabijheid, ’twelk vreugde en kracht schenkt ook in den zwaarsten rouw. Als hij daarover sprak tot de menschen waren het geen phrases, geen mooi klinkende woorden, die hij verkondigde, maar zelf ervaren vreugde, die den [65]moeden steun gaf en den bedroefden hoop en troost.

Hij nam Mieke’s hand in de zijne en zei aan ’t eind: „Ik weet, kind, hoe eenzaam je je zult gevoelen dikwijls, hoe nameloos leeg, als daar niemand is om je hartelijk lief te hebben en van wien je zelf het meeste houdt op de wereld. Maar wanhoop nooit. Wanhoop ook nooit aan jezelf. Je gaat den levensweg niet alleen: God is altijd met je, Mieke. En altijd, àltijd, m’n kind, komt er de groote uitkomst, in welken vorm dan ook … Je schrijft je ouden leeraar nog wel eens, nietwaar?”

Mieke knikte. Ze zou hem zoo missen, haar ouden vriend.


Bij haar terugkeer op de boerderij was de koffer gehaald geworden.

Nu schoot haar tijd op.

Het middagmaal verliep vlug. Toen telde iedere minuut. Geert had beloofd haar zelf naar het station te brengen in het gele wagentje, waarmee hij haar voor eenige weken geleden uit de school naar huis bracht. En nu leidde oude Thijs het reeds naar buiten.

„Heb je alles?” vroeg juffrouw Wije, oogenschijnlijk heel bedaard, maar innerlijk toch zenuwachtig. Ze had ’t nooit gedacht zóó aan ’t kind gehecht te zijn. Goed, dat ze nog maar wat lekkere appels en van die zachte peren in ’t valies had gestopt! Schááp!…

Juffrouw Wije vond ’t eigenlijk, wel beschouwd, [66]mal van zichzelf haar zoo te beklagen. Kreeg Mieke ’t niet goed?… Maar als ze naar haar gemoed te werk ging zou ze zeggen: „Blijf maar hier, lieverd.”—„Och kom, die onzin,” verweet de boerin zichzelve. Ze deed heel opgewekt en riep schertsend: „Als je ons nou maar niet gauw vergeet, meisje!”

„O neen, juffrouw Wije,” zei Mieke, vuurrood wordend bij die veronderstelling, ’t klonk overtuigend, „ik zal u nooit vergeten, en meneer Wije ook niet.”

„Kom, Mieke, nooit?” deed Geert vroolijk. Hij plaagde haar weer een beetje, maar ’t lukte niet best, omdat hijzelf ’t ook jammer vond haar te zien vertrekken. Ze was zoo’n aardig, stil, klein ding met haar groote, vragende oogen en haar zachte stem. Hij zette z’n hoed op en nam ’t zwarte valies, Mieke’s handbagage. „Ziezoo, gaan we?”

Hij liep vast vooruit.

Juffrouw Wije en ’t meisje volgden. In de keuken zei ze Jans nog eens goeiendag; de anderen had ze daarstraks al allemaal een hand gegeven. Jans deed heel luidruchtig. Mieke luisterde nauwelijks.

Geert zat al op den bok.

„Nou, kind,” sprak de boerin hartelijk, haar arm om Mieke’s schouder, „je moet ons dikwijls wat van je laten hooren. Ik wil je ook nog wel eens schrijven en zal je vertellen, wie er nou in jullie huisje gekomen is. Goeie reis en goeie moed! God zegene je, Mieke.”

Mieke kon niet spreken. Het kropte in haar keel; [67]een floers kwam voor haar oogen. Ze knikte maar en trachtte te glimlachen,—en later bedacht ze, hoe ze heelemaal vergeten had te bedanken.

Geert gaf haar een hand bij ’t instijgen … Met een langen blik nam ze alles nog eens in zich op. Het paard trok aan en aldoor maar wuifde ze naar juffrouw Wije, wier struische, groote gestalte, hoog opgericht, sterk en positief, haar nog lang bijbleef, zooals zij daar vóór het huis stond, terwijl zij, Mieke, zich zwalkend schip zonder roer voelend, klein, zonder bestemming, zonder idealen, dacht: „O, zóó te zijn als de boerin, zoo zeker van jezelf.” Frisch en kloek scheen haar alles wat zij achterliet. De boerderij lag zoo breed, zoo zelf behaaglijk schier. En zijzelve, wat was zij?

En aldoor maar wuifde ze naar Juffrouw Wije.

En aldoor maar wuifde ze naar Juffrouw Wije.

Pag. 67.

Langzaam reed het wagentje ’t erf af, draaide den straatweg op. Ze keek met een haastige hoofdbeweging nog eenmaal om de bekapping van het rijtuigje, toen het langs het landpaadje reed, waar ze, door de lindeboomen heen, voor het laatst en in een oogwenk grootmoeders huisje zag schemeren. Dan ging het paard in draf met kletterend de hoeven op de groote keien van den breeden straatweg.

Mieke leunde naar achteren tegen het bankje; ze sprak niet. Haar hoofd was leeg van al het gepieker … O, nu eens eventjes niet meer behoeven te denken! niet aan vroeger en niet aan het komende … Straks moest ze weer voort … nu èven rusten. Ze zei maar ja op alles wat Geert haar vroeg en vertelde. [68]

[Inhoud]

HOOFDSTUK V.

IN DE STAD EN DE NIEUWE OMGEVING.

Doch in de stad moest ze wel weer aktief worden. Geert kon het paard niet alleen laten, dus, nadat hij haar hielp uitstijgen en het valies overgaf, diende zij voor zichzelf te zorgen.

Heel hartelijk nam hij afscheid, haar nog allerlei goeden raad gevende voor haar aankomst in Amsterdam, wat haar echter allemaal gemakkelijker gezegd dan gedaan leek. Hulpeloos en onhandig voelde zij zich bij het binnengaan van het station; zenuwachtig frommelde zij in haar beursje bij het betalen van ’t spoorkaartje, en toen ze even daarna, van af het open perron, Geert in het wagentje zag wegrijden, zonk haar de moed in de schoenen.

Zij had nog ongeveer een kwartier den tijd, en zittend op een bank in de kleine wachtkamer, onwillekeurig afleiding vindend in het gaan en komen der reizigers, werd haar aandacht gaandeweg afgeleid van persoonlijke bezwaren. De noodzakelijkheid van het heilig moeten dwong haar wederom onherroepelijk tot meerdere innerlijke zelfbeheersching, en zij werd kalmer. Het verleden lag nu gansch-en-al achter haar … Nu niet weer week worden en lafhartig, nu [69]dapper zijn en willen… Rechter ging zij zitten; het hoofd richtte zij op. Zij deed er grootmoeder geen dienst mee te treuren en zich telkens terneer te laten slaan. Zag grootmoeder haar niet altijd gaarne opgewekt en hoopvol?… Wat hadden zij samen niet al plannen gemaakt! Nu ging zij die ten uitvoer brengen, alleen, maar tóch. Nu moest zij toonen wat grootmoeder haar geleerd had, wat ook dominee Rensen haar zeide: te vertrouwen… En was ’t onlangs onder juffrouw Wije’s invloed, dat zij haar vrees overwon, nu behaalde zijzelve een overwinning op haar wankelmoedigheid.

Daar stoof de trein binnen, dampend en snuivend. Zij zocht en vond een vrij goed plaatsje in een niet te volle coupé, en eenmaal op weg naar de plaats harer bestemming zag zij zóóveel, wat haar boeide, zóóveel wat afleidde, dat de reis haar veel draaglijker werd dan ze ooit had geloofd.

Maar toen in Amsterdam!

Als verdoofd stond ze middenop het stampvolle perron. Van alle kanten gedrongen en geduwd zag ze geen veilig heenkomen. Er was niemand, dien ze kende of die op haar lette, aan wien ze vragen kon waarheen ze gaan moest. Een onafgebroken stroom van menschen daalde de breede steenen trappen van de perrons af. Zwijgend vragend staarde ze rond,—geen sterveling, dien ze herkende. Zij was als verbijsterd.

Tot-nu-toe was haar voorstelling van Amsterdam geweest als van de provinciestad, waar ze schoolging, [70]op marktdag, en dan misschien iets drukker. Maar zoo!… En heel alleen stond ze te midden van die haastige menigte.

Daar voelde zij een tikje op den schouder. Een vriendelijk uitziend meisje, haar hulpeloosheid bemerkend, vroeg: „Naar den uitgang?”

„Ja,” knikte Mieke gretig.

„De trap af,” onderrichtte de ander, inmiddels zelf dalende en in een ommezien verdwijnend.

Mieke besloot dus maar den stroom, die reeds wat verminderde, te volgen, en, komende in het sousterrein van het station, liep ze denzelfden weg als de zich voortspoedende reizigers, de loketten langs, waar ze haar kaartje moest afgeven.

Zij voelde een tochtige lucht van buiten komen bij het open- en dichtflappen der groote glazen deuren, en zag daarachter het gewirwar van trams op de straat, ’t af- en aanrijden van karren, en nogmaals angstig rondkijkend hoorde zij zich opeens aanspreken door een bekende stem, die zei: „Welkom, Mieke, in Amsterdam.”

„Oom! Oom!” riep ze, zich met een ruk omkeerende.

Hij nam haar ’t zwarte valies uit de hand en zette haar wat op haar gemak, ziende hoe in de war zij was, rustig pratend met haar over de reis.

In de tram zat ze maar stil. Honderderlei gewaarwordingen bestormden haar, en af-en-toe keek ze naar het achterbalkon, waar oom Egbert, kalm een sigaar rookend, stond te praten met een paar heeren, [71]zich afvragend of hij, die blijkbaar in het minst niet op haar lette, haar bestaan niet vergat en zelf uit zou stappen zonder haar te waarschuwen. Ondertusschen verdrong het ééne na ’t andere zich om haar interesse, zoodat ze opschrok, toen oom Egbert haar onverwachts toeriep: „Hier uitstappen, Mieke.”

Haastig oprijzend, geagiteerd, eensklaps overdruk pratend, legde zij naast oom Egbert het korte eind af van de tram naar de woning der Van der Hoeves. Het was een tamelijk aanzienlijk huis, wel niet dien overweldigenden indruk makende op Mieke als de menschenmassa aan het station, de drukke, breede straten en pleinen en de hooge gebouwen, maar toch haar wederom intimideerend, wellicht meer door de gedachte aan de bewoners dan door het imponeerende van den gevel, die trouwens niet veel anders vertoonde dan wat men dienaangaande doorgaans in de nieuwere stadswijken te zien krijgt: een deur ter zijde en twee ramen ernaast, behoorende bij een suite gelijkvloers; daarboven twee étages, elk met drie vensters aan straat, en een zolderverdieping.

Slechts een oogenblik duurde voor Mieke deze overval van nieuwe beduusdheid. „Nu niet kinderachtig zijn,” dwong zij zichzelve, „maar beleefd en vriendelijk, niet schuw en linksch en kortaf,”—en ondanks een groote innerlijke spanning, gelukte het haar uiterlijk kalm en beheerscht te schijnen, veel meer dan bij aankomst, al beving haar ook een hevige ontroering bij het binnentreden.

Zij volgde oom Egbert in de breede, wit-marmeren [72]gang, waar een dikke looper de voetstappen dempte.

„Loop maar door, kind, loop maar door,” en oom Egbert opende, langs haar heen reikend, de deur der huiskamer.

Ofschoon het buiten nog dag was, brandde hier de elektrische lamp reeds en wierp haar vroolijk schijnsel door een hel-gebloemde kap op de druk geornamenteerde meubelen in ’t ruime vertrek met z’n vele glimplekjes van koper en kristal. De kamer stond overvol met kleinigheden, die echter geen van allen den smaak der huisvrouw deden vermoeden, zoo varieerden zij tusschen dansende Saksische poppetjes en streng belijnde moderne vazen, tusschen Rozenburgsch en fijn Deensch porcelein. Olga waren mama’s „bij-elkaar-raapsels” altijd een gruwel, maar mevrouw Van der Hoeve verkoos nu eenmaal, als op zoovele punten, haar zin door te drijven en wenschte haar huiskamer te versieren naar háár behagen en naar háár wil, zonder zich te storen aan kritiek.

Maar Mieke, onoordeelkundig, getroffen door het in haar oog zoo weelderige van het vertrek, overblufte deze impressie van glans zeer. ’t Flitste haar door ’t hoofd: „Hier moet je nu wonen in ’t vervolg,” en tegelijkertijd moest ze vechten tegen den overweldigenden angst: „Maar nooit zal je hier wennen. Nooit zal je je hier thuis voelen.”

Zij klemde de handen tot vuisten … Kom, nu moest ze zich groot houden, praten, vriendelijk begroeten, [73]glimlachen, niet bedeesd zijn, de tranen in je oogen terugdringen …

Uit den rechtschen kamerhoek verrees langzaam een slanke dame van middelbaren leeftijd, gekleed in een voyante blouse van gekleurde zijde en onberispelijk gecoiffeerd in keurig modernen trant. Zij had gemakkelijke, bevallige bewegingen en een mooi, hoewel reeds verwelkend gezicht. Haar stem klonk wat krakend en voor dengeen, die haar voor ’t eerst ontmoette, eenigermate geaffekteerd, maar daaraan wende men spoedig; de intonatie ervan was niet onvriendelijk.

„Zoo, Mieke,” begroette ze ’t meisje, deze de hand reikend, „hoe gaat het? Heb je een goede reis gehad?”

Wat haperend, zichzelf echter tot duidelijk spreken dwingend, antwoordde Mieke, ofschoon met snel kloppend hart, rustig en oogenschijnlijk op haar gemak.

Mevrouw Van der Hoeve, in de meening „aan het ongemanierde buitenkind vermoeiend veel te moeten polijsten” werd eensklaps, bij het zien van het volstrekt niet zóó ongeciviliseerd persoontje, als zij vreesde, milder gestemd. Erik overdreef werkelijk, toen hij haar „boersch” en „onbeschaafd” noemde. „Voorloopig onpresentabel,” was juister geweest. Maar er zou nog wel wat van te maken zijn, geloofde tante Sophie welwillend; en zij had meestal een goeden kijk op dergelijke situaties, naar zij meende.

Buitendien het voordeel aan Mieke’s verblijf hier [74]verbonden bleek niet onaannemelijk na de opgaaf van den notaris. Wel viel de nalatenschap van grootmoeder niet mee, maar ’tgeen Mieke van haar moeder erfde overtrof verre aller verwachting. Egbert’s voorstel om alles van grootmoeder maar aan Mieke te doen vervallen was dan ook te zot om op te antwoorden. Zij, tante, had uitgerekend, hoe, na aftrek van Mieke’s onderwijs- en kleedgeld, het overblijvende van ’s meisjes inkomen van dien aard was, dat ze het er graag voor over had ’t kind in huis te nemen, vooral wanneer ze tegelijkertijd hulp in de huishouding van haar krijgen zou. Egbert had een flink inkomen, zeer zeker, maar den laatsten tijd kostte het huishouden zooiets, en niet te vergeten de kinderen, tenminste de beide oudsten, die geen notie schenen te hebben van de waarde van geld, om te zwijgen van al de uitgaven, die mevrouws zwak gestel veroorzaakte.

Met dit al kon mama evenwel Olga’s grieven in zake Mieke wel plaatsen: natuurlijk was het niet plezierig elken dag aan tafel te moeten zitten met een onmogelijk burgerkind en haar aan je vriendinnen als je nichtje te presenteeren, maar je kon haar toch immers vervormen en er voorloopig een mouw aan passen?… Olga moest ten slotte ook eens bedenken, dat het nog vrij wat vervelender zou geweest zijn, wanneer Mieke geen sou had bezeten en ze dan óók genoodzaakt waren voor haar te zorgen. Maar dit zagen de kinderen geheel voorbij in hun zorgelooze weelderigheid,—behalve Louise dan, [75]die, hoe onbeteugeld ook somtijds in haar oordeel en manieren, in zulk soort kwesties gauw toegaf.

Tante Sophie had alles rijpelijk overwogen; zij was een praktische vrouw, namelijk waar het aankwam op eigen voordeel. Het deed haar daarom veel plezier het vooroordeel der oudsten in zooverre overwonnen te hebben, dat zij haar zin doordreef. En na het onderling gehaspel en gewik en geweeg aangaande Mieke’s komst, viel het te begrijpen, dat zij zich eenigszins triomfantelijk tegenover hen voelde bij de zooveel gunstiger impressie van Mieke’s persoontje dan zij verwachtte. Vervuld van deze tevredenheid werd ze voorkomend.

Wel week de beklemdheid daardoor niet van Mieke, doch haar bedeesdheid loste zich op in toenemende ongedwongenheid, door oom Egbert met blijde verrassing en een zucht van verlichting waargenomen, gevreesd als hij had voor een wederzijds verkeerden indruk.

Hij was er nu eenmaal de man niet naar de meening zijner vrouw te leiden, te weinig opgewassen als hij bleek te zijn tegen de handige wijze waarop zij z’n wil wist te vervormen naar haar eigen wenschen. Hij werd zelden weerstreefd, maar niettemin kreeg hij nooit, of bijna nooit, zijn plannen—tenminste door vrouw en kinderen—uitgevoerd. IJverig, begaafd met een flinke dosis gezond verstand en deugdelijke handelskennis, schoot hij te kort in krachtige doortastendheid, (wederom slechts in familieverband) en in z’n hart eenvoudig en onopgeschroefd leidde hij [76]voornamelijk in huiselijken- en familiekring, door z’n al te groote toegevendheid eigenlijk een gekunsteld leven, gansch anders dan waaraan zijn geaardheid behoefte had.

Hoevaak ook gebukt gaande onder den staat, dien zijn vrouw en kinderen voerden, onder hun begrippen omtrent huishouden, opvoeding, vormen, gemeenschapsverhoudingen en honderderlei kleinigheden, die hem menigmalen met een zorgelijk gezicht voor z’n brandkast deden staan,—heimelijk bepleitte hij dit alles toch in opgewekter oogenblikken, zichzelf onder ’t oog brengend dat hij, een gewone burgerjongen, dan ook maar niet zoo’n verwend, voornaam meisje als Sophie had moeten trouwen, al bracht ze ook nauwelijks een uitzet mee ten huwelijk. Men kon van haar niet verlangen haar leven sober in te richten, zooals hij dat gewend was; evenmin van de kinderen, die zij nu eenmaal had opgevoed naar ’tgeen zijzelf had geleerd.

Niet bij machte dus tegen den stroom op te roeien had hij, zij ’t somtijds zuchtend, offers gebracht aan eigen persoonlijkheid, meening en gevoel, wel niet steeds tot eigen best, vooral niet in moreelen zin, maar schaduwen van zelfbeschadigingen doezelt men gewoonlijk graag spoedig weg!… Sedert de vijf-en-twintig jaren van zijn huwelijk was dat min-of-meer verwringen van zichzelf hem langzamerhand tot een tweede natuur geworden, voornamelijk en ’t meest toen de kinderen grooter werden. O, noch Olga noch Erik brutaliseerden hem, zij respekteerden hem [77]ongetwijfeld zeer, de wederzijdsche verhouding in huis was die als van een geacht vader en tamelijk welopgevoede jongeren, maar niettegenstaande dit waren zij hem toch boven het hoofd gegroeid, stonden zij,—zij ’t correkt—zoo tegenover elkaar, dat er van kinderlijke afhankelijkheid en liefderijk vertrouwen nauwelijks sprake kon zijn.

Olga was z’n glorie, haar schoonheid z’n roem; Erik z’n trots;—maar zelden had hij hun bezit, vooral in later jaren, gevoeld als een diepe, onvergelijkelijke innigheid, hoezeer hij daarnaar soms ook hunkerde. Loes alleen gaf hem heur hart, geheel en zonder voorbehoud; Loes alleen bracht zonneschijn in zijn leven, al gold zij ook voor de minst begaafde zijner kinderen. Zij, het kleine bijdehandje, werd de eenige, die hem nader bracht tot zijn eigen, gaandeweg vergroeide natuur.

Oom Egbert in zijn omgeving scheen Mieke dan ook een heel andere man dan in grootmoeders huisje … Waar was zijn openlijke hartelijkheid?… Zij had zijn vormelijkheid met bevreemding waargenomen, tot plots, bij tante’s toeschietelijkheid, zijn van vroeger bekende, voorkomende manier-van-doen haar verheugd deed opzien.

„Kom, Mieke, doe eindelijk nu eens je manteltje uit. Je moet ’t je maar gemakkelijk maken, is ’t niet, tante?” het klonk opgewekt, alsof hij zich bevrijd voelde van iets, dat hem gehinderd had.

Tante Sophie keek lichtelijk verwonderd thans. „Ja zeker,” zei ze niettemin vriendelijk, „zet je hoed af.” [78]Haar groote, ronde, wat uitdrukkingslooze oogen gingen vragend naar haar echtgenoot.

„Zij moet zich hier heelemaal thuis voelen,” ging oom Egbert ijverig voort, zóó blij en enthusiast als gold het een feest, dat ’t nichtje gekomen was.

Dit hinderde mevrouw … Hemel, zóó gelukkig behoefde Egbert zich nu óók weer niet te toonen! Die overdreven familieziekte van dien man altijd!

„Tenminste,” antwoordde zij daarom, meer gereserveerd dan zooeven, „als Mieke ervan overtuigd is, dat dit thuis-voelen van haar eigen gedrag zal afhangen. Ze moet beginnen met niet eigenwijs te zijn, en buitenmenschen zijn op dat punt hardleersch.”

Deze woorden troffen Mieke onaangenaam en oom Egbert’s gezicht betrok een weinig. Hij hielp haar, zonder spreken nu, zich van haar mantel te ontdoen, toen onverwachts, van uit het aangrenzend vertrek, een jonge dame te voorschijn trad.

Oogenblikkelijk had Mieke haar herkend: Olga. Vele jaren waren sedert de laatste ontmoeting verloopen, doch precies zooals zij leefde in Mieke’s herinnering stond het meisje voor haar met al de overmoedige schoonheid van vroeger, met dezelfde spottende, koele oogen van toen zij kinderen waren. Verbluffend, evenals eertijds, werkte Olga’s blik, die haar van top tot teen opnam, en eenige oogenblikken overheerschte Mieke een bijna onoverwinnelijke verlegenheid. ’t Stereotiepe glimlachje om den mond van het groote, mooie meisje verwarde haar onbeschrijfelijk. [79]Zij kende dit gevoel. Dit was dezelfde gewaarwording als die, waarmee ze als klein kind reeds had geworsteld, toen tevergeefs. Nu streed ze opnieuw, ze spande al haar krachten in om niet als een dom, schuw wezentje het veld te ruimen voor de imponeerende verschijning tegenover haar. Haar trots om zichzelve te handhaven streed kort maar heftig en onverdroten. Zij wìlde zich niet in een hoek laten duwen als vroeger! Zij wenschte volstrekt niet Olga op zijde te streven, maar evenmin wilde ze onder den voet raken … En haar blik hield den stillen spot uit, die haar onafgebroken vasthield vanuit de mooie oogen harer schoone nicht.

Het ironisch lachschemertje op Olga’s fijn gezichtje werd intusschen duidelijker, toen Mieke ook haar hoed afzette en ’t glad naar achteren gestreken haar te zien kwam … Wat een coiffure!… En wat ’n chapeau, dat geel strooien modelletje met wit zijden strikjes en stijve margrietjes,—in Octòber!… Kon je je iets méér provinciaals denken? En die mantel, wat een snit!… ’t Kind had gelukkig géén groene-zeep-gezicht, dat op mijlen afstands al glom van de frisschigheid. De arme!… Ofschoon dat horlepijpsche, zwarte valies weer je reinste bagage was voor de Rivièra, andersom!… Eén voordeel echter dat ze klein was en wat bleek zag. Zoo’n groot, kleurig buitenmensch elken dag om je heen irriteerde ontzettend … Wat zij zich van Mieke herinnerde was akeliger dan dit. En onbewust met mama instemmend overzag ook zij: „Er viel misschien nog wel een snippertje [80]te fatsoeneeren aan ’t kind,”—want zóó zou ze in geen geval kunnen blijven.

„Hoe maak je ’t, Mieke?” vroeg ze, langzaam haar hand uitstekend, waar Mieke slap de hare inlegde. En op den haar eigen slependen toon vervolgde zij: „Wij hebben elkaar in lang niet gezien.”

In ’t eerst haar stem nauwelijks meester, vermande Mieke zich, en hoewel met moeite antwoordde ze vlot: „Ja, ’t is lang geleden. Ik maak ’t goed.”

„Zoo?” Met een wat loome beweging zette Olga zich in een lagen, grooten stoel, spelend met de kwasten van ’t koord om haar middel. Dat antwoord klonk niet praatziek! Zelfs geen wedervraag: „Hoe is ’t met jou?”—Zie je, daar kwam al dadelijk dat lichtelijk onwellevende te voorschijn … Toch vermakelijk ook, die blooheid, want daardoor ontstond dat kortaffe. En weer vlogen spottende blikken langs ’t tengere figuurtje aan den overkant der tafel.

Mieke had, ondanks zichzelf, Olga’s bewegingen gevolgd in open bewondering. Dit óók voelde Olga, en ’t streelde haar ijdelheid te zien hoe Mieke vocht tegen die bewondering, die haar zoo verlegen maakte.

O, dit rijzige, voorname meisje, mooier nog dan vroeger leek ze Mieke thans in die rijke japon van donkergroen fluweel! Doch bij deze bewondering ondervond zij niet de minste vreugde om ’t weerzien. Integendeel, de bezwaardheid, zooeven bij tante’s voorkomendheid wat lichter geworden, legde weer haar vollen last op haar van vrees voor de toekomst, [81]en het oude gevoel van vernedering en eigen kleinheid kwelde haar opnieuw grievend, toen ze Olga’s kritiek over haar simpele kleeding las in den voor-mal-houdenden blik, waarmede ze vroeg: „Of Mieke haar blousjes altijd zelf maakte?”

Oom Egbert, na hoed en mantel der logée in de gang gebracht te hebben, kwam weer binnen en schoof den stoel, waarvan Mieke bij Olga’s begroeting opstond, nogmaals aan. „Ga toch weer zitten, kind,” drong hij, moeite doende ’t gesprek, ’twelk dreigde te hokken, gaande te houden. „Misschien heb je nog wel een kop thee voor haar, mama?”

„Als ze wil?” informeerde mevrouw. „Maar de thee zal afgeschonken zijn.”

Mieke, strak nu ’t gezichtje, de lippen op elkaar geklemd, schudde ’t hoofd. „Neen, dank u,” antwoordde ze met een onverklaarbaren drang tot weigeren, ofschoon ze graag een kopje gedronken had.

„Dus niet?” verwonderde tante zich, vooral over de wijze van refuseeren.

„Dank u,” bleef Mieke volhouden, later spijt hebbend van haar gedrag, zich verwijtend, hoe dit weer dezelfde „stuursche koppigheid” was als waarover grootmoeder haar eens berispte ten aanzien van heur ander kleindochtertje. Deze „koppigheid” werd geboren uit dezelfde oorzaak. Zij was ’t innerlijk, instinktmatig verzet tegen de machtige, spottende bekoring, tegen de bevallige, laatdunkende ironie, die Olga zoo pijnigend kon toepassen op menschen, die niet geraffineerd genoeg waren om haar te doorzien of te [82]weerstreven, en voor wie ze het niet de moeite waard rekende haar gaven aan te wenden tot het kweeken van sympathie. „Zij was nu eenmaal geen gevoelsmensch,” zei ze vaak,—uitsluitend echter tot hen, die „buiten haar sfeer stonden,” zooals ze ’t noemde. En waar Mieke nog niet in de verste verte die „sfeer” benaderde, is ’t te begrijpen, dat Olga zich dus niet de geringste moeite gaf te bekoren door de tegemoetkoming en belangstellende vriendelijkheid, waarmede zij degenen, op wier oordeel zij prijs stelde, zoo spoorslags kon betooveren.

Mieke’s kalm, effen bestaantje, zonder eenige ingrijpende emotie, had haar levensontwikkeling in zeker opzicht tegengehouden. Des te forscher schokten haar daarom nu al deze aandoeningen van ziel en geest, deze ups en downs, maar ook des te sneller schoot haar zelfkritiek de hoogte in, (ook al omdat ze met zichzelf te worstelen had) evenals haar ontwakend begrip van anderer karakter-eigenschappen. Na uren van schemering doet het ontstoken licht de oogen pijn, maar ook worden ons de duistere hoekjes helderder dan ooit.

Tante Sophie schonk voor zich nu de thee, en oom Egbert ging juist weer zitten, toen allen opschrokken door een luid gebel. Even daarna brak een hooge meisjesstem de ingetreden, wat pijnlijke stilte. Olga’s wenkbrauwen fronsten. Een trek van kribberigheid, die haar gezicht overschaduwde, deed geen goed aan de schoonheid ervan.

„Dat onhebbelijke kind,” zei ze vinnig. „Aan mama [83]stoort ze niets en u, papa, is veel te toegevend … Hóór toch eens!… Wat is dat nu weer?”

Meneer Van der Hoeve opende de deur.

„Wat is er toch, Loes? Val je?”

„Welnee,” en de jongste, warm van ’t harde loopen, ’t haar slordig om de ooren, kwam in, klein, donker ding van een jaar of zestien, in de verste verte niet op schoonheid kunnende bogen, in niets gelijkend op haar zuster en wel ’t allerminst in voornaamheid. „Hè, die Betje laat je soms toch zóó lang aan de deur wachten vóór ze open doet. Geschrokken van me, vadertje?” en lachend, over z’n schouder heen: „Is ze dat nou, je nicht?”

„Louise,” ergerde mevrouw zich.

Maar ze hield zich Oost-Indisch doof en bleef vroolijk doorbabbelen, zoodat vader weer, ondanks zichzelf—wat Olga „gebrek aan prestige” noemde—lachte. Zijn bestudeerde waardigheid van bezadigd, deftig man moest het nu eenmaal herhaaldelijk afleggen tegen haar spontaniteit en onontkoombare liefkozingen, en hoewel Mieke zich verbaasde, dat een dochter zóó oneerbiedig als tegen een broertje tot haar vader spreken durfde, zij glimlachte erom en voelde bij den vriendelijken blik van ’t opgeheven, doodgewone meisjesgezichtje een straal van heerlijke warmte in zich vloeien, die ze zoo noodig, zoo broodnoodig had, en die geen van allen haar hier nog schonk.

Nu kwam de kleine druktemaakster op haar toe. [84]Haar lachende, ondeugende oogen hadden een zacht glansje, toen ze Mieke een stevige hand gaf.

„Ach,” zei ze, „ik vind ’t toch zoo naar voor je, dat grootmoeder gestorven is. Zal ik je in ’t vervolg nu es een beetje gaan vertroetelen?”

En opeens wist Mieke, dat ze hier één mensch in huis tenminste volkomen welkom was, en de drukkende veronderstelling er nooit te zullen aarden, verloor eensklaps voor haar de helft harer zwaarte. [85]

[Inhoud]

HOOFDSTUK VI.

LOES TOOVERT.—EENZAAM.

De dag was om. Elkeen was naar zijn kamer gegaan; de lichten in de gangen waren uit. Het huis lag donker en rustig in de stilte van den komenden nacht. Een enkel vaag geluidje van zacht gehoest, van langzaam pantoffelgeslof, een paar maal onderbroken door een vinnigen tik van laarzen, die buiten de deur werden gezet,—dan vulde weer een hoorbaar zwijgen de ruimten van het tot slapen gereede huis.

Boven, in haar kamertje, zat Mieke nog op bij ’t helle gaslicht. Zij voelde zich moe en dof en een zware hoofdpijn belemmerde haar zich fluks te ontkleeden en behaaglijk onder de wol te kruipen.

Het hoofd gesteund op de hand zat ze bij de tafel, te óp van den ongewonen, emotievollen dag om zich te verzetten tegen de vermoeidheid, die haar beheerschte, er maar niet toe kunnende komen om naar bed te gaan. Ze herdacht in herhaaldelijk weerkeerenden kringloop al ’tgeen zij vandaag had beleefd, nog niet in staat tot samentrekking harer ondervindingen om daardoor tot een zuiver begrip te geraken van haar toestand, die nu nog als een chaos [86]van allerlei gewaarwordingen voor haar bleef.

Het eene moment vertrouwend en hoopvol, dan weer diep verslagen en terneergedrukt, streed het jonge meisje daar alleen op haar nieuw kamertje den grooten, eenzamen strijd met zichzelf en de omstandigheden. Herinnerde zij zich met warmte en blijheid Loes’ spontane voorkomendheid en ongekunstelde hartelijkheid, tegelijkertijd overschaduwde reeds weer de gedachte aan wat daarop volgde dit gouden lichtpunt.

Oom Egbert had, na Loes’ thuiskomst, de damesfamilie aan elkaar overgelaten. Was zijn wachten op de jongste geweest?… In elk geval stond hij na haar binnentreden op om vóór den eten nog even een brief op zijn kamer te gaan schrijven.

Loes met haar kwieke opmerkingsgave, geleid door haar goedhartige, vriendelijke natuur, zelf steeds in strijd met mama’s en Olga’s beginselen, begreep maar al te goed hoe Mieke zich als een kat op een vreemd pakhuis moest gevoelen. Ook hadden de debatten vóór Mieke’s komst haar doen inzien hoe ongeveer de opinie was der toekomstige wederzijdsche verhouding. Moest „het buitenkind” niet tot dame gefatsoeneerd worden?… En dat Olga bij dergelijke hervormingsplannen niet overliep van takt was iets, waar Loes-zelf ruimschoots van mee kon praten. Daarbij mama’s denkbeelden kennende op dit punt, voorzag zij met haar „griezelige burgermansbegrippen” (volgens haar oudste zuster) maar al te duidelijk het lang niet benijdenswaardig te ondergaan [87]proces, dat de nieuwe huisgenoote diende te metamorfozeeren.

Loes redeneerde daarom honderd-uit om aller aandacht wat af te leiden, voelende hoe na vaders vertrek wel onmiddellijk een aanvang zou worden gemaakt met de onvermijdelijke „opvoeding” der nieuw-aangekomene. Druk en humoristisch spon zij een grappig schoolverhaal in den breede uit.

Mieke, geboeid, ging op in de interessante geschiedenis. Hoewel stil en niet beweeglijk, had zij toch geen koele, flegmatische natuur. Haar levendige, bezige geest hield van menschen, die zich vrij en gemakkelijk uitten, al trok zijzelve zich altijd min-of-meer bedeesd terug met een lichte vreesachtigheid belachelijk te worden bij impulsiviteit. Zij had nog niet den durf—en misschien zou ze dien wel nooit veroveren—om zich geheel te geven en onmiddellijk te handelen naar de ingeving van haar warm gevoel, maar zij stond ook nog pas zoo kort, nog zoo schuw en ongewapend tegenover het brutale, overbluffende, onbekende leven. Loes’ ongedwongenheid, hoewel deze haar bevreemding wekte, deed haar plezier, zag ze met groote, héél groote sympathie.

Doch de goed bedoelde pogingen der jongste nicht mochten al eenigen tijd de aandacht afleiden, afdoende bleken zij niet.

„Nu raad ik je eindelijk eens uit te scheiden met je interessante confidenties, Loes,” bracht Olga, na eenige malen tevergeefs haar zuster in de rede te zijn gevallen, op scherpen, ongeduldigen toon in ’t midden. [88]

„Ja,” beaamde mevrouw, maar al te gaarne de bal opvangend, „nu weten wij het wel. Je moest je nu eens gaan klaarmaken voor de tafel, want er komen twee gasten. En Mieke, jij ook.”

„Best, tante;” volgzaam stond de laatste op, weer tot de werkelijkheid terugkeerend nu Loes haar levendig verhaal besloot. „Waar zal ik dan mijn handen wasschen?”

„Niet alleen je handen wasschen,” sprak mevrouw wat afgetrokken. Zij monsterde ’t meisje eens. „Louise zal je je kamertje wijzen, en dan had ik graag, dat je je daar verkleedde.

Mieke schrok.

„Je zult toch nog wel iets anders bij je hebben in je valies?”

„Neen, tante. Alleen mijn nachtjapon en kleinigheden. Is mijn koffer er nog niet?” Mieke raakte in de war.

„Maar lieve kind, je kunt onmogelijk in dit blousje aan tafel verschijnen,” zei tante gedecideerd, Olga een blik van verstandhouding toewerpend.

„Je koffer is nog niet gekomen,” vulde Olga aan.

Mevrouws wenkbrauwen fronsten. Ze werd wat geagiteerd.

„Als ik alles vooruit geweten had …” ze bleef steken.

„U kon ’t immers toch wel nagaan,” kwam Olga vinnig uit den hoek. „Maar u regelt altijd alles zoo gek, mama. Laat Mieke vandaag dan alléén eten,—desnoods.” [89]

„Is … is dit blousje dan niet netjes?” stamelde Mieke, met verschrikten blik op het gestreepte flanellen overhemdje, dat, van een krap en stijf modelletje, haar toch geenszins afkeurenswaardig leek.

Olga, achteloos leunend in haar grooten stoel, een boek in de hand, keek over de bladzijden heen. Ze zei niets, maar om heur mond kwam weer het ironisch trekje, dat Mieke zoo vreesde en dat haar zoo verwarde.

„O zeker,” antwoordde tante op ietwat langzamen, gerekten toon, die steeds zeer duidelijk de belangrijkste zinsdeelen accentueerde, „ik heb ook volstrekt niets tegen de nètheid van je blousje, kind. Maar ik wil je toch even onder ’t oog brengen, dat je hier in een ander milieu leeft dan op je dorpje. Onthoud wel, Mieke, ik moet je als mijn nichtje presenteeren en niet als mijn dienstbode.”

„Tante!” riep Mieke onthutst, in de overtuiging iets zeer verkeerds te hebben gedaan, toch ook duidelijk gevoelend in haar eer te zijn getast, ofschoon nog niet recht vattend op welke manier. Doch zéér pijnlijk trof haar tante’s manier-van-spreken, Olga’s spotlachje, bijna als een smaad.

Daar stak Loes onverwachts haar arm door Mieke’s.

„Als ze eens een blouse van mij aandeed, mama?” vroeg ze levendig.

„Tja …” aarzelde mevrouw bedenkelijk. „Of anders … als Olga meent … dat ’t misschien maar beter is …” [90]

„Kom gauw mee, Mieke,” dreef Loes het ontstelde meisje fluks buiten de kamer. „Ik zal je een van mijn blouses passen.” En vóór mevrouw Van der Hoeve nader kon weerleggen, stonden beiden reeds in de gang.

Nauwelijks sloot de deur zich achter de meisjes of Olga kwam met een ruk in haar stoel overeind, smeet ’t boek over tafel.

„U bedenkt nu ook nooit eens iets vooruit,” verweet zij op bitsen toon haar moeder. „Voor Tilly kan ’t me nog minder schelen, maar voor Erik’s vriend! Iemand, die voor ’t eerst hier komt dineeren, dadelijk met zóó’n kind aan tafel te zetten, ’t is wat moois, Erik ergert zich dood.”

„Ik zei toch nog …” bracht mama in ’t midden.

„U zéí, maar natuurlijk zoo onhandig mogelijk.”

„Had jij ’t dan gezegd,” vervolgde mama op den kibbeltoon, die beiden zoovaak tegen elkander aansloegen.

„Nu nog mooier,” werd Olga heftiger. „Als u iets verkeerds hebt gedaan zegt u altijd, dat ik u dan maar had moeten verbeteren.”

„Precies dan jouw taktiek! Buitendien had ik er wel meer op ingegaan, dat ze alleen zou eten vandaag, als Loes er niet bij was geweest. Zoodra papa hoorde …”

„Hóéfde vader ’t te weten?”

„Loes is in staat er midden onder ’t tafelen over te beginnen.”

„Dan had u haar mond gesnoerd.” [91]

„Maar ik kan nog …”

„Nog! Nog!” viel Olga weer uit. „Waarom kwam u er dan toch ook mee voor den dag op het meest ongelegen moment?”

„Maar als ze nu netjes eet,” begon mevrouw te laveeren.

Good gracious, netjes eet! Zelfs dàt erbij! De mogelijkheid, dat ze misschien toch wel netjes eet!” Olga stampvoette.

„Als we haar nu tusschen Loes en vader zetten?” stelde mevrouw aarzelend voor.

Toen, zonder dat men erop verdacht was, trad meneer Van der Hoeve weer binnen, op den voet gevolgd door Betje, die kwam dekken.

En tegelijkertijd werd er gescheld door Tilly Mertens, de eerste gast.

„Wat is er?… Is er iets?” informeerde vader, van de een naar de ander kijkend met ietwat onrust.

„Niets, niets,” zei mevrouw kortaf.

Olga, haastig opstaande, verschikte gauw nog iets aan haar japon. Toen ging ze juffrouw Mertens tegemoet om even daarna bevallig en vriendelijk Bogaerts, Erik’s vriend, te begroeten in het salon, aan de eetkamer grenzend, waar meneer Van der Hoeve inmiddels het elektrisch licht had aangeknipt.


Toen Mieke en Loes uit de verlichte kamer zoo eensklaps in de half duistere gang waren aangeland, [92]bleef de eerste één oogenblik als versufd staan. Dan brak plotseling een groote drift zich baan in Mieke’s oproerig hartje, een drift, die haar deed trillen van het hoofd tot de voeten. En met bevend mondje vroeg zij schor: „of tante Sophie en Olga zich soms voor haar scháámden?”

Loes trachtte door besliste tegenspraak en hartelijkheid deze veronderstelling te verzachten, haar ongemerkt zoetjes de trap opduwend. En langzaam vloeide bij deze heelende vriendelijkheid en kalmeerende woorden die ongekende drift van haar weg.

Daar opende Loes een deur op het portaal van de bovenste verdieping en reeds verdrong alweer een nieuwe indruk de door Mieke zoo juist ondervonden geringschatting. Zij stond op den drempel van haar kamertje, dat Loes aan haar nieuwe eigenares met veel zwier, zij ’t wat geforceerden zwier, voorstelde.

Het vertrekje had, doordat ’t onmiddellijk onder ’t dak lag, één schuine muur. Ook was het niet hoog van verdieping en had het geen raam, slechts een dakluik, ’twelk op een ijzeren pen open en dicht kon worden gezet. Maar het herinnerde Mieke zóó sterk aan haar slaapkamertje thuis, dat ook zoo weelderig niet geweest was, dat een kreet van blijde verrassing haar ontsnapte. Het weerzien van grootmoeders oude meubelen op een moment, waarop ze er niet in ’t minst aan dacht, brachten haar na de ondervonden pijnlijke „les” tot zóó groote blijdschap, dat deze haar even het spreken belette.

Loes keek haar wat angstig aan. [93]

„Wij hadden werkelijk geen ander kamertje,” trachtte ze te verontschuldigen.

Maar Mieke zei, hoe best ze ’t hier vond … Zag Loes die oude chiffonière? Wist ze wat grootmoeder altijd in die laden bergde? En wat er gewoonlijk op dat ronde tafeltje stond en hoe oud de stoelen waren?… Ach, de vreugde van ’t meisje nam heelemaal ’t unheimische en kille van ’t kamertje weg!… Loes vond ’t er nu opeens ook volstrekt niet akelig meer, zooals gisteren, toen ze er stilletjes inspektie hield en het had vergeleken bij haar eigen gezellig hokje, maar ze zag nu, dat ’t kamertje heusch heel vroolijk was! „En zoo dicht bij de lucht en de zon,” zei Mieke verheugd, en daarin had ze gelijk. ’t Was er veel, véél dichter bij de lucht en de zon dan beneden, waar je zoo tusschen de huizen in de straat keek of in de nauwe tuintjes van de overburen … En wat zouden zij er samen gezellig kunnen zitten studeeren!

Loes begon zich reeds in plannen te verdiepen, zóó zelfs, dat ze bijna het doel vergat waarom zij beiden daar stonden. Tot eensklaps zij ’t zich herinnerde.

„Wij moeten voortmaken,” begon ze te reppen. „Ik zal mijn blouse-patrouille even gaan inspekteeren. Je mag mijn mooiste aan vanavond.” En weg was zij om in een ommezien terug te keeren met een heele bezending.

Hoewel in ’t eerst ietwat onaangenaam verrast bij ’t begrijpen van Loes’ bedoeling, kwam gaandeweg [94]Mieke’s meisjeshart ook een woordje meespreken. Het wat stugge idee liever te blijven als zij was, het volstrekt niet noodig vindend mooier te schijnen dan te zijn, redeneerde Loes al spoedig grootendeels weg. Wat praatte Mieke van „afleggers!” Wist ze wel, dat de meeste van deze nu zoo bewonderde kleeren afkomstig waren van Olga? O, Loes vond ’t vervelend genoeg zoo dikwijls de japonnen harer zuster te moeten afdragen, ze keek gewoonlijk niet eens naar den goeden kant van de stof als Olga een nieuwe japon kocht, alleen maar vanbinnen, omdat ze em toch altijd „gekeerd” moest verslijten.

Komisch en verontwaardigd klonk Loes’ verzuchting, zoodat Mieke ondanks zichzelf om haar lachen moest. Maar Loes’ boosheid luwde spoedig … Ze wou alleen maar zeggen, besloot ze, dat ze Mieke’s ergernis voor „tweedehandsjes” uitstekend plaatsen kon,—maar je ervoor geneeren? Dwaasheid!… En ze paste, rood als een pioen door ’t krachtig pleidooi, Mieke onderwijl met geestdriftige belangstelling heur mooiste blouse, die ’t meisje flatteerde … Zij riep dit, Loes, klappend in de handen.

Ook op Mieke’s wangen verschenen nu hooge blosjes. Ze stonden daar beiden in het kleine, scheeve kamertje met een emotie op de jonge gezichtjes, zooals je dat alleen maar kunt waarnemen, bij héél jonge meisjes.

„Prachtig staat-ie je!” juichte Loes. „Och, toe, houd em aan?”

Dat op- en neergedraaf van Mieke’s willen en niet [95]willen!… Waarom moest ze pronken met een andermans veeren?… Maar ook: nog nooit droeg zij zoo’n fijne, zachte blouse, en hoe dikwijls had zij iets dergelijks niet in stilte begeerd?

„Kom, doe em dan alleen aan voor mijn plezier?” bleef Loes aandringen. „En mag ik dan ook eventjes je haar opmaken?”

Vóór de ander wist wat er nu weer met haar gebeurde, zat ze reeds op een stoel, behoorde de stijve vlecht tot het verleden en golfde aardig, blond haar over een handdoek, die Loes Mieke had omgeslagen bij de kapperij … En zij genoot opnieuw, de kamenier. Ze werkte bij de ooren het strak getrokkene wat weg en bracht daardoor Mieke’s blank, eenvoudig gezichtje in een gansch andere omlijsting. Het natuurlijke, ietwat devote in haar type bleef, maar het scheen minder opgesloten, kreeg iets vrijers, het werd bevalliger.

„Kijk toch eens!” riep Loes weer verrukt. „Ik herken je niet. Nu je rok; wacht,—zóó. Die rok van je staat er niet heel mooi bij, maar de mijne zijn je te kort.” Zij pauseerde nu even, bedacht zich. „Dit moet dan maar,” zuchtte ze. „Maar stil, ik heb nog een breed ceintuur voor je. Ga even mee naar mijn kamertje. Ik gooi daar meteen m’n blauwe jurk over.” Reeds was Loes de trap afgedraafd, Mieke achterlatend opgewonden en in verwarring.

Nog steeds voor den spiegel toevend, zichzelve langzaam-aan ziende, werd Mieke getroffen door de plotse omzetting harer uiterlijke persoonlijkheid. Zelden [96]had zij zich zoo oplettend bekeken, althans nooit met zooveel zelfkritiek, als nu. Zij schrok van de meerdere bekoring, die zij van zich uit zag stralen, een vleug van bewondering schoot door haar voor ijdelheid ontwakend hartje, maar tegelijkertijd zonk in haar een verwijt de oude Mieke zóó gauw ontrouw te zijn geworden. Zij gevoelde, hoe met die veranderde kleeding heel haar wezen veranderen ging. Machteloos stond ze ertegenover. Haar oude zelf was haar zoo dierbaar en toch móést ze het vervormen, ze zag het duidelijk, ze wist, dat het moest, omdat het niet anders kon. Ze wist het plotseling glashelder.

En toen, bij dit zeker weten, daalde langzaam in haar een zekere berusting bij de gedachte aan het onvermijdelijke, dat nog zou gebeuren … Zij moest niet meer omzien! Slechts vooruit den blik!… Zeker, menigmalen zou ze nog terug verlangen naar den eenvoud van haar kalm bestaantje van vroeger, maar zij diende zich los te maken—in den goeden zin—van het verleden, zich niet meer zoo vast te klampen aan het oude.

Dit alles, begonnen met een uiterlijk zelfbeschouwen voor grootmoeders verweerden spiegel, ging gaandeweg over in een innerlijk. Beraadde zij zich zooeven of die uiterlijke nieuwheid haar wel paste, de bezwaren der innerlijke werden nog grooter. Altijd een klein zwaarhoofdje had ze nu, die korte oogenblikken, met zichzelf gevochten als nooit tevoren. En zij overwon. Zij besloot slechts datgene te weigeren om te doen [97]wat haar beslist vernederde of onrechtvaardig toescheen. Had ze eens gevoeld den strijd met de toekomst te durven aanvaarden, nu stonden de moeilijkheden ervan tegenover haar van aangezicht tot aangezicht. En zij besloot ze het hoofd te bieden, vastberaden en dapper. Heur handjes werden vuisten, en tusschen heur oogen kwam een rimpeltje van ernst.

Nog een laatsten blik in den spiegel werpend, ging ze langzaam de steile trap af, nu niet zenuwachtig meer. Alleen was er een strak, gespannen gevoel in haar hoofd.

Het elektrisch licht van Loes’ kamertje overstraalde hel de gang en luid klonk Loes’ stem: „Och toe, maak even mijn jurk dicht, wil je?”

Het groote verschil in gezelligheid van dit vertrekje en ’t hare trof Mieke bij ’t binnentreden onmiddellijk. Maar zij was te moe om hieromtrent groote vergelijkingen te maken. Ook was zij tevreden met „het bescheiden deel” in deze richting. Zij hielp Loes handig, die, geen oogenblik stil staande, een lint uit een vóór haar staande doos opdiepte.

„Je ceintuur, Mieke; asjeblieft … Hoe zit mijn haar?”

„Een beetje slordig,” waagde deze.

Met een vluchtige streek van de kam vond Loes ’t echter reeds in orde.

„Voor mij komt ’t er niet zoo op aan. Ze weten wel, dat er aan mij toch geen eer te behalen is. Maar jij bent nog een proefkonijn.” Toen zweeg ze, als [98]zoekende naar de rechte woorden om nog iets te zeggen. „Daarom,” begon ze te hakkelen, „wil ik je ook nog waarschuwen voor …”

„Waarvoor?”

„Wij … zie je … wij eten met mes en vork …”

„Ja.”

„En Erik …”

„Wat zei Erik?” ’t klonk kortaf. Mieke beet zich op de lip.

„Och niets. Heusch niets … Maar ze houden hier nooit hun bord vast. Ze …” Loes zag, hoe heftig zij Mieke weer bezeerde.

„Het is goed, Loes,” sprak ze stroef.

„Ik wilde je zooveel mogelijk helpen,” zei Loes met tranen in de oogen.

„Ja zeker, ik begrijp je heel goed. Dank je wel.”

Eén oogenblik van stilte. Toen voelde Mieke zich gevangen in twee sterke armen.

„Mij ben je goed genoeg zoo,” hoorde ze fluisteren in een zoen, met een stemmetje, dat oversloeg van ontroering.

„Ja, ik weet ’t immers,” suste Mieke, „ik weet ’t immers, dat ik nog een heel ongemanierd meisje ben, al heeft grootmoeder me toch werkelijk wel beleefdheid en vriendelijkheid geleerd.”

„O,” viel Loes in, zich oprichtend, „maar dat heeft meestal niets met gemanierdheid te maken. Ze zeggen juist dat ik veel te vriendelijk tegen iedereen ben om welgemanierd te zijn. En toen ik je zei van dat bord …” [99]

„Ja, ja,” legde Mieke haar gejaagd het zwijgen op, „ik zal wel afkijken hoe de anderen doen.”

„Asjeblieft,” zei Loes op smeekenden toon. „En ben je niet boos op me?”

„Ik ben je dankbaar,” antwoordde Mieke hartelijk.

Gearmd begaven de meisjes zich naar beneden.


Meneer Van der Hoeve, die met de jongelui in de vóórsuite zat te praten, had nu-en-dan al eens onrustig naar de deur gekeken, en op zijn vraag: „Waar blijven de kinderen?” een vaag en onverschillig antwoord bekomen, daar niet veel wijzer van wordend.

Ook Olga’s innerlijke geagiteerdheid nam toe, vooral toen de vormelijkheid van Bogaerts haar meer-en-meer deed vreezen, dat ’t dorpsche nichtje straks in staat zou wezen met „uilskuikenachtige oprechtheid” de familie te blameeren. En al was zij, Mieke, nu ook tamelijk meegevallen, al was ze niet zóó ongecultiveerd als Erik’s spot had doen vermoeden, het bleef toch nog een gesloten boek de manier hoe ze zich met een gezelschap als dit aan tafel zou gedragen. En hoe grooter Bogaerts’ onverholen belangstelling en bewondering werd, hoe meer zij in hem aantrof—wat haar behaagde—den complaisanten man van geboorte, hoe zenuwachtiger zij opzag tegen ’t oogenblik, dat zij met ’t onpresentabele nichtje (want in haar onrust degradeerde zij Mieke reeds weer tot onpresentabelheid) voor den dag moest komen … Had zij ’t niet altijd voorzien, dat [100]dit kind hier in huis een sta-in-den-weg zou worden? Afschuwelijk!… O, dat onmogelijke, gestreept flanellen blousje met de te korte mouwen, ’t strak gevlochten knoedeltje tegen ’t achterhoofd!… Wat deed zoo’n kind ook juist nú te komen?… Had mama alles toch beter geregeld!

Ze kon niet meer kalm luisteren naar ’tgeen Bogaerts tot haar zei, noch naar Tilly Mertens’ mededeelingen over ’t laatste rechtkundig college. Tilly, evenals Olga, studeerde rechten, ofschoon Olga’s vooraan-staan op velerlei gebied in de studentenwereld hoofdzakelijk betrekking had op de vermakelijkheden, meer dan op de studie. Want twee malen was haar candidaats nu reeds uitgesteld, en hàrd voortmaken met werken deed ze nog niet.

Tilly’s relaas interesseerde haar dan ook maar matig. Zij zat op heete kolen. Zeldzaam onrustig was zij, al maskeerde zij ook voorbeeldig haar gejaagdheid. Hoe hautaine ook gewoonlijk tegenover de haar ’t hof makende jongelui, hoe vaak spelend met hun dikwijls innige gevoelens, spottend en minachtend zich uitlatend over hun „onuitstaanbare gewoonheid”, Erik’s vriend scheen ’t vermogen te bezitten haar te boeien, al geschiedde dit waarschijnlijk minder door zijn niet onedel type dan wel door zijn lichtelijk geaffekteerden toon van supérioriteit, die haar blijkbaar, wat anderen niet hadden gewaagd, áándurfde. Of was de vesting thans niet zóó gepantserd met ongenaakbaarheid en koelen spot als anders? Werd de wetenschap zijner zeer „deftige” familierelaties [101]en van z’n vrij groot vermogen „het” wapen, dat stormloopen overbodig maakte? Hoevelen reeds hadden met hooge idealen, schitterend propaedeutisch- of candidaats-examen (hoewel ook met ledige beurzen en in kale confektiepakjes) zoo’n aanval beproefd? Nutteloos natuurlijk!… Olga, hooghartig en met zéér konservatieve standsbegrippen, was de hulde van Bogaerts echter lang niet onverschillig; begrijpelijkerwijs bleef daarom in deze situatie het presenteeren van ’t nichtje nog een leelijke kink in den kabel.

Zij zat op den sprong, Olga, een gelegenheid af te wachten waarop ze nog eens mama op ’t hart kon drukken de meisjes toch boven te laten, desnoods dan maar op háár kamer te laten eten. Werkelijk, het ging niet, Mieke dezen eersten keer onvoorbereid aan tafel te doen komen. Doch weer werd haar plan verijdeld: daar ging de deur reeds open, verscheen ’t meisje op den drempel, gevolgd door Loes, die zegevierend over haar schouder keek.

In minder dan geen tijd had Olga de binnentredenden gemonsterd. Met een ruk ging haar hoofd op zij. Mieke voelde hoe er schrik lag en geringschatting in die plotselinge, heftige en korte beweging. En ’t werd haar onder dien ongenadig kritiseerenden blik alsof zij slechts een dìng was, naar anderer believen opgetakeld, in plaats van een levend mensch met een eigen wil.

Olga’s mooi gezichtje ontspande zich evenwel oogenblikkelijk na dat eerste moment. Opgelucht [102]ging zij zelfs zóó ver, om, wat ze niet graag openlijk zou hebben bekend, Loes „een handig nest” te noemen. Hoe had ze ’t in een half uur klaar gespeeld het ongeciviliseerde kind er plotseling tamelijk dragelijk te doen uitzien? Zeker, ook zij had geloofd haar op den duur wel te kunnen fatsoeneeren tot iets behoorlijks; zoo dankbaar evenwel als thans bleek had zij die taak niet verwacht. ’t Viel haar op hoe ’t nichtje toch wel een heel verstandig gezichtje had … En een blik wisselend met mama, sprak deze van verwondering, bijna van een zeker soort bevrediging.

En nu de angst om een gek figuur te slaan, zich te moeten geneeren tegenover haar gasten voor een familielid, eenigszins week, en Loes met onovertroffen gemakkelijkheid de voorstelling tot hoogstens dertig seconden beperkte, Mieke veilig loodsend op een stoel tusschen vader en haarzelve, besloot Olga om in vredesnaam maar van den nood een deugd te maken: hoe minder aandacht er aan ’t kind geschonken werd des te beter. En zóó onderhoudend en levendig werd zij, dat Mieke’s begrip erbij stilstond. Was dàt dezelfde Olga, die even te voren nog zoo bits haar meening had gezegd, zoo koel en uit de hoogte iemand geen stap tegemoet kwam met vriendelijkheid of een warm welkom?… Zóó lief en minzaam had zij haar nichtje nog nooit gezien, zóó stralend mooi en bekoorlijk had zij niet geloofd, dat ooit een meisje wezen kon.

Stil en zwijgend zat Mieke maar op haar afgelegen plaatsje, zich bijna niet bewegend, zich voelend [103]in een gansch vreemde, onbekende wereld, ingespannen luisterend naar al wat er gesproken werd.

Dan, onverwachts, sprak Bogaerts haar aan. Zij schrok licht, als ontwakend uit een droom, dien ze langs zich zag trekken, geheel in de beschouwing verdiept van wat ze daarin gebeuren zag. Zij verloor een korte wijle de aan zichzelf toebedeelde rol van toeschouwster. Dit verwarde haar even. Tot ze zich haar voornemen van straks herinnerde: ’t hoofd op. Zij antwoordde nu bescheiden en beleefd, zich met uiterste inspanning verdedigend tegen aansluipende verlegenheid. Doch het viel haar minder moeilijk Bogaerts gepast te antwoordden dan Erik of Olga. Zijn wat overdreven, gekunstelde beleefdheidsvormen mochten haar al zeer intimideeren, hij gaf haar niet dat bijna beleedigende kleine gevoel van zichzelve, dat somtijds, op ’t randje af, haar zelfrespekt aan ’t wankelen bracht. Ook Tilly Mertens’ vragen naar haar leven buiten en naar haar plannen werden niet benauwend, al sprak dit meisje niettemin op rappen gezelschapstoon met gemakkelijkheid, welke het eenvoudige kind ten eenen male ontbrak.

Maar toen op een vraag van Bogaerts zij argeloos inlichtte: „Wij hadden maar een heel klein huisje, grootmoeder en ik,” vond Olga ’t rijkelijk welletjes.

„Ja,” definieerde zij, Mieke het woord ontnemend, „’t was er altijd zoo knusjes bij grootmama. Een echt gezellig nestje. Ik kan me best begrijpen, dat ze het niet grooter wenschte … Vooral den tuin vond ik altijd beeldig.” [104]

„Ik heb toch nooit gehoord, dat je er logeerde,” meende Tilly, en in de manier waarop ze dit zei lag een uitdrukking van onvoorwaardelijke goedgeloovigheid. Haar leelijk gezicht kreeg iets zeer sympathieks. Even ontroerde Mieke ervan. Zij voelde Tilly wáár.

Vooral na wat Olga antwoordde, nonchalant: „Niet? Ik ben er toch vaak geweest.”

Mieke’s oogen vergrootten. Zij opende den mond reeds om verbaasd aan te merken, dat Olga zich vergiste; ook wat ’t tuintje vóór ’t huisje betrof en ’t moestuintje erachter. Doch verdere uitweidingen bleken overbodig en ongewenscht.

„En avant, dames en heeren!” riep Olga vroolijk. „Mama popelt al om ons aan tafel te drijven!”

Het werd nu heel geanimeerd. De gesprekken gingen vlot en gezellig, vooral in ’t hoekje, waar Bogaerts tusschen Olga en Tilly zat, en Erik naast de laatste. Dan volgden Loes, Mieke, vader en mama. Maar aan dit tafeleinde was de geest niet zóó vaardig! De aanhoudende angst voor flaters, het ongewoon hanteeren van mes en vork, heel de toon van het vroolijk gezelschap droeg bij tot Mieke’s enerveering. Olga’s blikken in haar richting waren daarbij ook niet van dien aard om een wat bedeesd schepseltje op haar gemak te stellen, al was Olga voor haar doen zelfs vrij tevreden over Mieke’s gedrag. Maar die aanhoudende contrôle werkte doodelijk vermoeiend op ’t logéetje, wie de eetlust verging. Zij geraakte zóó afgemat, ook door de kleine zijdelingsche [105]wenken van tante, door haar inspanning zich niet te vergissen, zelfs door het hartelijk uit-den-weg-nemen van allerhande moeilijkheden door Loes, dat zij, toen ze van tafel opstond, een gezichtje had zóó kleurig en opgewonden, dat oom Egbert haar aanraadde toch vooral vandaag wat vroeg naar bed te gaan na dezen voor haar zoo vreemden dag.

Tegen half negen verschenen er nog een paar jongelui en gingen allen in ’t salon wat musiceeren, waar Olga, wonderlijk goed geluimd, brillant en geestig, allen betooverde door haar innemendheid met die ongeëvenaarde „Schwung”, waarmede zij zoovele meisjes overschaduwde. O, zij was zeer, zéér in haar schik, en zich haar macht bewust.

Stil verliet Mieke, na een tersluiks „goedennacht” aan oom en tante, de kamer, gevolgd door Loes; maar daar lette niemand op.

Olga zong met meer overbluffende, vrije voordracht dan musikaliteit eenige Fransche liedjes, die zeer werden toegejuicht.

En boven, op’t scheeve kamertje, praatten de beide jonge meisjes nog wat na, of liever trachtten zij wat na te praten, want dit gelukte niet al te best. Mieke was niet spraakzaam; ze was óp.

Tot Loes besloot haar eindelijk maar aan zichzelve over te laten. Ook zij voelde zich moe en niet vroolijk meer na de opgeschroefdheid, waartoe ze zich vandaag zoo dikwijls had genoodzaakt gezien.

„Ga nu maar lekker slapen, Mieke,” zei ze hartelijk. „Je moet me beloven er gauw onder te kruipen, [106]zoodat je morgen flink bent uitgerust.” En na eenige aarzeling, die vraag niet vóór zich kunnende houden: „Vond je ’t èrg vervelend vandaag,—en aan tafel?” Zoo gaarne, zoo innig gaarne, had ze haar een andere ontvangst bereid.

„O, neen,” zei Mieke, heldhaftig pogende opgeruimd te schijnen. „Het was niet zoo vrééselijk naar. Alleen nog ongewoon, maar dat zal wel wennen.”

„Denk je heusch, dat je wel wennen zult?” vroeg Loes blij verrast, maar niet heel stellig geloovend. „Ook aan—Olga?”

Mieke dacht lang na vóór ze antwoordde.

„Ja,” sprak ze toen, duidelijk en niet weifelend meer, „ook aan Olga. Ik denk, dat ik ook aan Olga wennen zal … Ik zal nooit van haar houden, dat weet ik zeker; en zij zal nooit van mij houden, omdat we nu eenmaal heel, héél anders zijn. Ik begrijp ook niets van haar. Maar wèl begrijp ik, nu ik haar gezien heb als vanavond, dat ik haar hinderen moet, sóms.. Ik zal nooit zoo worden als zij; ik zou ook nooit zoo willen worden, het zou me ziek maken,—maar Olga kan óók niet wezen als ik. Dat is even onmogelijk … Ik heb zooveel geleerd, Loes, dezen éénen dag, zooveel als ik nooit geloofde, dat er bestond.” Zij streek met de hand over ’t voorhoofd, als wilde zij haar toenemende opgewondenheid kalmeeren. Zij wist zelve niet wat ze zei, die momenten. Haar gedachten waren verward en vermoeid, schoon gaaf en onbesmeurd. Alleen: zij kon ze niet ordenen. Zij sprak ze uit, ongebonden, zooals ze haar door ’t hoofd woelden. [107]Zij kon zich geen rekenschap geven van de woorden, die zij onbeheerscht uitte, maar toch waren deze volkomen zuiver en kwamen uit den grond van haar hart.

Ze zei dit ook.

„Ik praat nu alles door elkaar, Loes. Ik ben vreeselijk zwaar en vreemd in mijn hoofd,” haar stem klonk schor en mat, „maar ik ben niet ongelukkig, werkelijk niet,—dat moet je niet denken.”

Ze bleef lang zitten met gesloten oogen, Mieke, ’t hoofd geleund op de hand, den elleboog op tafel. Ze vergat heelemaal, dat de ander nog naast haar stond.

Er heerschte een eigenaardige rust in het onooglijke, kleine kamertje. Slechts de klank der piano en die eener hooge zangstem drongen getemperd tot boven door. Een heele poos bleef ’t stil. Tot Loes zuchtte en haar hand op Mieke’s schouder legde.

„Nu ga ik maar,” zei ze zacht.

Toen beurde Mieke heur hoofd op. „Och,” en een snik ontsnapte haar, „ik heb eigenlijk zoo’n medelijden met je zuster.”

Loes stond eenig oogenblikken onthutst. Dan ontleedde zij Mieke’s gezegde; het scheen haar dwaas en misplaatst … Was Olga iemand om medelijden mee te hebben? En toch, zij antwoordde niet weerleggend.

Ook in haar steeg langzaam een ietwat pijnlijke gewaarwording als in Mieke. Het schrijnde ook haar eensklaps als zij terugdacht aan het kleed van bevalligheid, schoonheid en geest, dat zoo sierlijk Olga’s [108]onbeteugelde trots omhulde, haar gevoellooze aanmatiging, haar pijnlijk gemis aan liefde. Bezeerde, na Mieke’s woorden, ook Loes het snijdend onechte, dat Olga’s innerlijk beheerschen moest en waarmede zij anderen zoo flijmend kon kwetsen?… De jonge meisjes wisten ’t niet … Doch Mieke’s zuiver zieltje reageerde, schoon onbewust, nauw op de onzuiverheden in het gemoed van anderen, al kon zij deze niet steeds duidelijk verklaren. En ook Loes, suggestief en warm voelend, ondervond, door haar snel groeiende sympathie voor de ander, mede de weerpijn der Mieke geslagen kwetsuren.

Toch, hoe moe ook en afgetobd, hoe weinig hoopvol en opgewekt nu, ongelukkig, neen, voelde Mieke zich niet.

„Wel te rusten,” wenschte Loes met een verdwaalden zoen op ’t losgeraakte kapsel van ’t achterblijvend nichtje. „Slaap maar lekker.” Behoedzaam verliet zij de kamer en ongewoon bedaard liep zij de trap af.

Niet bij machte op te staan, bleef Mieke nog langen tijd roerloos aan de tafel zitten. Nevelig hoorde zij hoe van lieverlede de muziekklanken beneden verstomden, de stemmen verklonken, tot, buiten op straat, de voetstappen der bezoekers wegstierven in de stilte van den nacht … Vaag dacht zij terug aan de najaarsavonden op het dorp, waar om deze klok elkeen reeds geruimen tijd ter ruste was. Zij dacht aan juffrouw Wije, aan Geert, aan dominee Rensen, aan mevrouw Bos, en zooveel anderen. Het leek haar jaren geleden, dat zij hen kende, met hen sprak. Als [109]behoorende bij een heel, héél ver verleden doemden die herinneringen op. En nochtans scheidden slechts enkele uren haar van het tijdstip, waarop zij afscheid van hen nam. Maar wàt had zij sedert dit niet allemaal doorleefd!… Wat een gansch ander meisje was zij nu dan het meisje, dat vanmorgen een laatst vaarwel wuifde naar de vriendelijke boerin, dat, bedeesd naast Geert Wije gezeten in het gele wagentje, luisterde naar zijn lessen over in- en uitstappen … Had zij dit toen reeds een ding van gewicht gevonden? Ach, dit alles leek nu zoo eindeloos ver.

Zij verlangde zoo naar haar goede buurvrouw, naar Geert’s hartelijken handdruk. Zoo eenzaam, zoo diep verlaten gevoelde zij zich. De vreemde geluiden van de straat en bij de buren naast-an verschrikten haar herhaaldelijk. Zij werd angstig en óp van zenuwachtigheid. Het hoofd op de armen kreunde zij zachtjes, schreien kon ze niet meer. „O, grootmoeder, lieve, lieve grootmoeder,” smachtte haar afgetobd zieltje.

Tot eindelijk zelfs de onophoudelijk weerkeerende gedachten halt hielden in haar kringloop en Mieke zich vermande bij de galmende twaalf slagen der torenklok. Zij ontkleedde zich, draaide het licht uit en kroop in bed, huiverend tusschen de koude lakens. Zwaar en droomloos viel ze kort daarop in een vasten slaap, niet eerder ontwakend vóór Betje haar wekte door een tik op haar kamerdeur met de waarschuwing: „Half acht, jongejuffrouw.” [110]

[Inhoud]

HOOFDSTUK VII.

DISCUSSIES.—MIEKE VERLIEST ZICHZELF, GELOOFT ZE.—GEERT HEEFT EEN HALVEN DAG ’T LAND.

Ze kleedde zich vlug aan, maar weer in het gestreepte, simpele blousje, omdat haar koffer nog niet aangekomen was. Ze trachtte heur haar op te maken naar de manier, die Loes gisteren had aangegeven, wat haar tamelijk gelukte, hoewel dit kapsel een beetje een los, vervelend gevoel gaf aan haar hoofd, maar nu kon men toch tenminste zien, dat zij haar best wilde doen om de wenschen der familie tegemoet te komen.

Mevrouw Van der Hoeve was niet aan ’t ontbijt. Ietwat vermoeid en met wat hoofdpijn door de drukte van den vorigen dag bleef ze nog een uurtje langer liggen.

Oom Egbert, verdiept in zijn courant, sloeg weinig acht op de anderen. ’s Morgens gewoonlijk niet zeer spraakzaam zei hij over zijn lektuur heen, terloops: „Vanmiddag spreken wij nog wel eens samen over je lessen, Mieke.”

Olga wenschte haar nichtje met een zwijgend knikje goeden morgen, even daarna toch maar plichtmatig [111]informeerend of de logée goed geslapen had, onbelangstellend naar het antwoord, den blik in gepeins naar buiten, waar, gedreven door een plotsen, schralen najaarswind de gele, dorre bladeren neerdwarrelden in het kleine lapje grond, dat den saaien, mistroostigen aanblik had eigen aan de met houten schuttingen afgebakende vierkantjes, die in een dergelijk stadium meer doen denken aan een slecht onderhouden graf dan aan den „lusthof” van den stedeling.

Had bij aankomst, den vorigen dag, toen de gordijnen reeds gesloten waren, het door ’t elektrisch licht vergulde vertrek een indruk op Mieke gemaakt van ongekende weelde en glans, thans, in ’t grijs der mistige najaarsatmosfeer met het belemmerd uitzicht in ’t kleine vervelende tuintje met daarachter de drie verdiepingen hooge huizen, drukte haar nu meer de engte en opgeslotenheid der groote stad dan dat de overbluffing der in haar oogen gisteren zoo schitterende omgeving zich herhaalde. Zij had vrij goed geslapen, wel zwaar van oververmoeidheid, maar ononderbroken. Daarom frisch en helder in ’t hoofd kon zij regelmatig en beheerscht denken en doen, beter dan den vorigen dag. Zij bleef zich echter on-thuis gevoelen, en hoe anders ook geneigd tot dankbaarheid, zij kon het thans niet verder brengen dan hoogstens tot plichtmatigheid. Na al wat er gebeurde en wat haar nu een onaangename, kwellende droom leek, evenwel vrij van de zenuwachtige overspanning, welke haar gisteren zoo van haar stuk had gebracht, [112]kon zij thans koel aller onverschilligheid voor haar waarnemen, zonder het schrijnende smartgevoel van eerst, dat voortkwam uit diepe teleurstelling.

Eenigen tijd zaten oom Egbert, Olga en Mieke zonder spreken bijeen. Erik, die buitenshuis woonde, gebruikte alleen het middagmaal thuis. Het wachten was dus op Loes, die gemeenlijk ’t eerst beneden, nu ’t laatst op ’t appèl verscheen. Zij excuseerde zich. Zij had slecht geslapen, zei ze, en ze zag er dan ook niet zoo opgewekt uit als ze placht. Wel wendde ze pogingen aan tot vroolijk-zijn, maar deze mislukten in onmiskenbare opgeschroefdheid of in een scherp accentje aan haar zusters adres, ongemotiveerd.

Olga haalde dan ook als eenig antwoord lichtelijk de schouders op. Zou zij haar goede luim, want Olga was in een zéér goede luim vanmorgen, door speldeprikken van zoo’n kind laten bederven?… Ze dàcht er niet aan!… Zij voelde zich hoegenaamd niet gestemd op ’t oogenblik voor discussies, met wie dan ook … Het was gisteren gelukkig boven verwachting goed afgeloopen, ze had nog juist het gesprek van Mieke met Bogaerts en Tilly op een zijspoor gebracht, en verder was de familie dan ook voor blamage gespaard gebleven. Nu er geen direkt gevaar—of hoe je ’t noemen wilde—was, noch aanleiding om je te ergeren (of geneigdheid om je te ergeren), waarom zou ze het dan doen?… Hemel, ze had heusch geen lust zich iederen dag [113]druk te maken! Als ’t móést was ’t tijds genoeg!

Zij zat zeer rechtop en groot en voelde zich zoo heerlijk zelfbewust, majestueus en boven allen en alles uit. Zoo onbeduidend en klein leek het, dat gehaspel met die kinderen tegenover haar. Ha, zij, een zoo gevierd meisje, had zij het niet duidelijk ervaren hoe men haar bewonderde, hoe men haar zocht, hoe zelfs jongelui als Bogaerts, rijk, aanzienlijk, haar vriendelijkheid als een gunst beschouwden?… Moest zij zich dan aan nesterijen ergeren als die, waarmede Loes haar nu kwam prikken? Om uur aan uur met Loes te vechten ter wille van ’t boerenmeisje, ze bedankte er feestelijk voor! Zoodra ze ’t noodig oordeelde zou ze Mieke wel op de vingers tikken, al ging Loes ook op haar hoofd staan, maar zich daarom ’t leven zuur te maken? Nonsens. Zoowel ’t stille, verzwegen verzet van ’t nieuwe kind—je las dit in haar oogen—als Loes’ hatelijkheden, ze gleden làngs haar. Olga had wel wat anders om over te denken dan dat.

Nadat men ontbeten had stond vader op om naar kantoor te gaan. Loes, innerlijk ontstemd, volgde om hem als naar gewoonte uit te laten. Maar in de gang gekomen liet zij den gemaakt vroolijken toon, dien ze tegenover Mieke had aangeslagen, varen. Zij hielp hem zijn jas aandoen, hem wekkend uit een lichte verstrooidheid.

„Vader,” zei ze, haar stem klonk onderdrukt van ingehouden ergernis, „ik moet u toch eens wat zeggen.” [114]

„Zoo, kind,” hij deed wat luchtig, hoewel onmiddellijk begrijpend, dat er beklag dreigde. „Wat wil je? Ik denk,” en nu probeerde hij diplomatiek te wezen, meenende te begrijpen, waar de schoen wrong, opziende tegen een der weer opduikende meeningsverschillen in z’n gezin, waartegen hij steeds zoo ontzettend opzag, die hem afmatten en altijd eindigden met toegeven zijnerzijds, „ik denk, dat je me voor wilt stellen Mieke een paar nieuwe japonnetjes of dergelijks te koopen? Goed, goed. Vraag maar of mama eens met haar naar een magazijn gaat. Ik heb Mieke’s rekening nagezien en dat kan er nog wel af. Ja, ja,” en hij dacht weer buitengewoon slim te wezen, ofschoon hij in dergelijke gevallen nooit slim was, vaak kwesties bedervend met de beste bedoelingen, „ja, ja, ik heb gisteravond heel goed gezien, hoe mijn lieve, kleine dochtertje haar mooiste blouse had geleend.”

Loes schudde ’t hoofd. „Neen, vader,” zei ze met nadruk, „dat is ’t niet. Ik wil natuurlijk met plezier Mieke mijn kleeren leenen en ik vind ’t ook heel best, dat ze nieuwe mag koopen, maar ik wou u over iets anders spreken … Het kàn niet, papa, dat Olga Mieke zoo aanmatigend behandelen blijft! Dat is ’t wat ik u zeggen wilde, zeggen móést. Den heelen nacht heb ik er niet van kunnen slapen … U moet het Olga verbieden, vader. Ik kan het niet aanzien.”

Deze uitbarsting op den vroegen morgen trof den heer Van der Hoeve alles behalve aangenaam.

„Maar kind, maar kind,” suste hij, met kort, kalmeerend [115]gebaar, „nu niet zoo bruusk. Wat is er dan voorgevallen? Ik heb niets gemerkt van die aanmatiging. Je overdrijft sterk, geloof ik … Het was immers heel gezellig gisteravond.” En nogmaals, verwonderd en daarbij geïrriteerd nu: „Wat is er dan gebeurd?” Er lag onrust in die woorden, ook onrust in z’n oogen, die onafgewend op ’t ontroerde gezichtje gevestigd bleven.

„Gebeurd?… Och, gebeurd is er eigenlijk niets,” en Loes, in haar enthusiasme gesteund hebbende op vaders bijval, verslapte opeens, „maar …”

„Dan moet je je niet zoo opwinden, Loes.”

„Maar vanmorgen …” wilde zij voortgaan.

„Kom, kom,” vervolgde vader, blijvend bij ’t eerste thema, „om daar niet van te kunnen slapen. Gekheid … Wat dééd Olga in vredesnaam?… Wat zou ik haar onder ’t oog moeten brengen?” Dan, zwaar z’n hand op haar schouder leggend: „Mieke zal ’t hier best hebben.”

„Och!”

„Geloof je dat niet?”

„Ik weet ’t niet,” ’t klonk néér … Waarom schoot vader toch niet dadelijk te hulp? Zàg hij dan werkelijk niet Olga’s … Olga’s,—ja wat?… Hoon?—Neen, zóóver was ’t nog niet … Minachting?—Niet bepaald … Maar wat dan wèl? Ze wist ’t niet precies; ze zou er geen naam aan kunnen geven.

Doch vader begon ondertusschen boos te worden. Hij noemde haar sentimenteel … Zoo’n eerste dag, zei hij, zou voor iedereen moeilijk wezen [116]in een totaal vreemde omgeving. Hij had geen onvertogen woord van zijn oudste dochter gehoord. Den heelen avond was er geschertst en gezongen, en aan tafel,—klonk er één dissonantje?

„Neen, Loes, je gaat te ver,” vader weersprak zelden zóó krachtig z’n benjaminnetje, „je bent een lief, goed meisje, maar je gaat beslist te ver.” En toch, terwijl hij dit zoo onbetwistbaar zeker zei, beheerschte hem als zoovaak die groote tweespalt van willen en niet-willen, van geloof en ongeloof in ’tgeen juist en goed was.

„Maar Olga …” en Loes’ onderbroken zin klonk als een noodkreet.

„Olga, Olga!” riep hij schouderophalend, nerveus. „Maar zeg dan toch wat ze gedáán heeft?”

„Och,” mat klonk ’t, onverschillig bijna. Waarom begreep vader haar toch niet? Of wilde hij haar niet begrijpen? Hij vroeg feiten. En er waren immers geen feiten? Olga had alleen maar gekeken en soms even gelachen, slechts èven. Was dat laakbaar in vaders oogen?

„Heeft Mieke soms geklaagd?” ging hij voort, onderzoekend, niet zeker van die zaak, maar steeds niet duidelijk willende begrijpen dàt er toch iets haperde.

„O neen, volstrekt niet,” kwam Loes levendiger, zeer uitdrukkelijk. „Mieke treft geen enkel verwijt.”

„Nu dan? Wat wil je dan eigenlijk? Als Mieke zelf het zoo goed vindt? Plus royaliste que le roi, m’n kind?” [117]

Weer weifelde zij; langzaam-aan begon ze ’t overdreven te vinden zich zoo te beijveren voor Mieke’s heil, waar deze gisteravond zelve zich noch boos noch haatdragend noch ongelukkig had getoond. Integendeel. Zij, Loes, zag de dingen misschien te zwaar in vanmorgen, omdat ze zoo akelig geslapen had. Beschouwde zij het gebeurde werkelijk uit het oogpunt van „plus royaliste?”… Mieke scheen daarstraks immers ook reeds onbevangener en minder down dan den vorigen dag?

„Geef me maar een zoen. Dag, Loes. Haal je nu maar geen muizenesten in je hoofd. Denk erom, je moet je vader blijven opvroolijken, hoor. Hij heeft al genoeg zorgen; schep er asjeblieft geen nieuwe bij,” en hoewel schertsend klonk dit zeggen niet ongedwongen, de zucht, die hem ontsnapte, niet uit de grap.

Ja, waarlijk, zij moest niet zoo zeuren, verweet zij zich. Had vader al niet genoeg aan z’n hoofd met zijn drukke zaken? Wat kostten Erik’s en Olga’s studie en amusementen hem niet handenvol geld! Hij moest ’t toch maar allemaal heel-alleen verdienen. Loes, zuinig en praktisch van aard, had bijwijlen zoo op haar eigen houtje haar zaken-bespiegelingen en opmerkingen … Wat had zij niet dikwijls met vader te doen, als hij tot ’s avonds laat, terwijl al ’t personeel reeds naar huis was, nog zat te werken. En niemand thuis, die hem daar eens liefjes om beklaagde dan zij … En hem dan nu zoo lastig te vallen! Zoo vroeg al!… Hij zag er vermoeid uit, ’t viel haar op, [118]plotseling … Arme, lieve man. Hem zoo aan ’t hoofd te malen met al die onbeteekenende dingen. Want, ja, onbeteekenend kwamen haar, achteraf, nu haar grieven voor. Was de heele zaak niet eigenlijk reeds verloopen, toen gisteravond Mieke haar verklaarde Olga’s gedrag te kunnen plaatsen? Het was niets dan gepieker en gezeur van haarzelve. Om daar vader z’n dag mede te bederven!…

Zij herstelde zich, probeerde te glimlachen.

„Kijk eens aan,” er viel vader een pak van ’t hart bij ’t doorbreken van het zonnetje, „nu is de bui alweer overgedreven. Des te beter.” Toen maakte hij, dat hij wegkwam, als bevreesd voor een hervatting van ’t onderwerp, gaf Loes vluchtig een zoen, en vóór zij gelegenheid had te antwoorden werd de deur reeds dichtgetrokken en stond ze met een vrij onvoldaan gevoel alleen in de vestibule.


Hoe ’t kwam wist later noch Olga noch Mieke, maar gaandeweg had zich, na vaders vertrek, een gesprek ontwikkeld tusschen haar beiden, en, terugkomend uit de gang, bleef Loes verwonderd bij de deur staan, toen ze haar zuster op voor haar tamelijk levendigen toon hoorde zeggen: „Ieder z’n genoegen, maar mij lijkt schooljuffrouw-spelen iets afschuwelijks.”

Mieke, een kleurtje op de wangen, verdedigde haar gekozen richting. „Ik houd zooveel van kinderen,” zei ze zacht en als verontschuldigend.

„Je bent dan ook een geboren frik, neem me niet [119]kwalijk,” Olga’s lachje klonk kort en spottend. „Hoe is ’t in de wereld mogelijk!”

„Iedereen zal toch wel het beroep kiezen, waar hij van houdt,” meende Mieke; hoewel het bloed haar bij Olga’s geringschattende wijze van uitdrukken sneller door de polsen joeg, dwong zij zich tot vriendelijk antwoorden.

„Nonsens,” bleef Olga kras bestrijden, schamper, weder Mieke eenigermate overbluffend.

„Maar waarom studeer jij dan?” vroeg Mieke zich herstellend, met zooveel oprechte verbazing, dat de ander onwillekeurig haar ironie een oogenblik moest afleggen, ondanks zichzelf.

„Heilige onnoozelheid! Wel óm de studie natuurlijk,” antwoordde zij op nadrukkelijken toon, waarmede zij Mieke nog meer van de wijs bracht.

„De studie? Alleen om de studie?” zei deze als tot zichzelf. En weer tot Olga: „Niet om ’t vak dus?”

„’t Vak?” Olga trok den neus op. „’t Vak, hoe burgerlijk en banaal.” Zij lachte wederom.

Mieke begreep er niemendal van. En terwijl zij zich inspande Olga te volgen, vergat ze geheel haar verhouding tot deze.

„Als ik,” vervolgde zij, en steeds kleuriger werden haar wangen, steeds schitterender haar oogen, „als ik, zooals jij, in de rechten studeerde, zou ik dit doen omdat ik verongelijkten in ’t gelijk wilde stellen, omdat ik bestudeeren wilde, hoe ik in ’t openbaar rechtvaardig en naar waarheid oordeelen en verdedigen moest. Ik zou mede willen werken tot verbetering [120]van wetten,” Mieke’s stem klonk vast en vaster, met steeds sterker nadruk, en heur eerlijke kijkers zagen recht in Olga’s, zonder een zweem van die bedeesdheid en schroom als waarmede zij tot-nu-toe haar nichtje beschouwden. Geheel onvoorbereid op deze als uit de lucht gevallen gedachtenwisseling stond zij, voor ’t eerst hier geheel-en-al zichzelf zijnde, tegenover de ander, omdat zij voor ’t eerst zichzelve en Olga vergat ter wille van het diepe gevoel van rechtvaardigheid en liefde, dat haar bezielde bij deze onbekommerde uiting aangaande alles wat in haar jonge leven en denken waarde had. „Ik zou onrecht willen ontmaskeren.”

Olga schouderschokte. Zij lachte niet meer.

„Om ’t vak,” herhaalde zij minachtend, „dacht je dus dat één van de studenten, die rechten studeerde, of medicijnen of wat anders, dit deed uit een oogpunt van rechtvaardigheid, menschenliefde of iets dergelijks?… Ja, misschien een enkele dweepende theoloog! Maar overigens? Je bent heusch vermakelijk naïef, Mieke, voor je leeftijd.”

„Zeker geloof ik dat,” met bevende geestdrift sprak ze, „neen, ik weet het zèker. Want wat zou studie zijn zonder een liefderijk doel?”

„Het doel is de wetenschap,” antwoordde Olga gedecideerd. Heur blik, koud en kleurloos, zonder eenige schittering, bijna zonder leven, hoewel met op heur mooi gezicht een onmiskenbaar verstandige uitdrukking, richtte zich onafgebroken op ’t gloeiend, enthusiaste gezichtje tegenover haar. Verbaasde ook [121]zij zich daarnet, toen ze lachte om Mieke’s geprononceerde meening, die ze achter dit kind heelemaal niet gezocht had, thàns vergat zij evenzeer als de ander tot wie ze sprak. Zij maten elkaars geestelijke waarde, de meisjes, toevallig en zonder eenig opzet, maar daarom misschien des te zuiverder.

„Maar als het doel enkel de wetenschap is, wat helpt dit doel dan als ’t niet wordt aangewend tot nut en bestwil van de menschen?” vroeg Mieke verwonderd.

Nu lachte Olga toch weer flauwtjes. Als ze op die manier kon lachen, voelde zij zich altijd sterker dan wanneer zij als zooeven, ontdaan van ’t wapen der ironie, zich slechts kon verdedigen met de kracht harer niet zoo vaste beginselen. Spot verslaat spoediger, maakt anderen gauwer weerloos en heeft den schijn, meer dan wàt ook, van scherpen geest. En Olga riep schamper: „Aha, begint nu de schooljuffrouw met ’t overhooren van de les? Dat jij voelt voor je vak en niet voor de studie geloof ik graag.”

„Ik houd wel degelijk ook van studie,” verdedigde Mieke haar inderdaad groote liefde voor deze. „En wat je daar allemaal zei bewijst nog volstrekt niet, dat je gelijk hebt.”

Olga stond op; ongeduldig. „Och kom, kind, wat zou jij eigenlijk weten van studeeren? Best, mij best, hoor, ik geef je grif toe, dat misschien de een-of-andere broodstudent denkt aan zijn vak, terwijl hij blokt, èn—aan ’t geld, wat hij ermee zal verdienen.” [122]

„Dat ’s heel wat anders …” wilde Mieke voortgaan. Doch Olga verveelde ’t dispuut gruwelijk. Of liever, wat overvallen erdoor, beviel haar heur houding hierin absoluut niet. Zij wenschte allerminst op haar plaats te worden gezet, evenmin als zij wenschte zoo op den man af uitgevraagd te worden over haar „bijna” idealen! ’t Was, goed beschouwd, brutaal opeens zoo te beginnen,—onbeschaafd. Zij, dat kind, moest niet denken, dat een aanstaande schoolmamsel gelijk stond met een aspirant-candidaat in de rechten, een toekomstig advocaat, een meisje als zij!… Nam zij zich niet voor ’t nichtje te negeeren, haar slechts waar ’t noodig bleek te vervormen en te zeggen waar ze staan moest? Zèker had ze niet op zoo’n heftig dispuut gerekend. Disputen gaven ergernis en van ergernis werd je leelijk. En alles liever dan dàt wenschte zij.

Daarom coupeerde zij verdere uitbreiding. „’t Wordt mij te machtig, zeg, op den vroegen ochtend,” gaapte ze, voor ’t raam in de serre uitkijkend in ’t kleine tuintje. „Maar één ding moet ik je toch nog verzoeken: houd dergelijke beweringen nooit in een behoorlijk gezelschap, tegen menschen als Bogaerts of andere studenten, die je hier mocht ontmoeten. Zelfs niet tegen Tilly Mertens, al is ze de goedigheid en meegaandheid in persoon. Ze zouden je uitlachen. Ze klinken onwetenschappelijk, snap je. Vooral dat „nut” en „bestwil,” waar je je over uitliet. Dat is dorpsch, denk ik, geschikt bij die boerenmenschen.” [123]

„Die boerenmenschen zijn verstandig en goed,” interpelleerde Mieke kortaf, ongewoon scherp. O, zij was duizendmaal meer dan gisteren tot haar natuurlijkheid teruggebracht, meer dan toen al die groote voornemens haar bezielden. En toch, toch kwamen zij na haar stuursch, kort gezegde beschaamd teruggeslopen. Toch kende zij zichzelve niet zóó als zij zich thans openbaarde. Zij schrok van den harden klank harer eigen stem en zij wankelde eensklaps in haar beweringen; zij kreeg spijt,—evenals Loes daarnet tegenover vader … Ging zij niet te ver?… Paste haar deze toon van hatelijke tegenweer, die haar opwond tot nauwelijks te beteugelen drift?

„Ik twijfel volstrekt niet aan je meening,” vervolgde Olga, en ze snoof eens, „maar ook deze uitlating van je is hier niet op z’n plaats. Je maakt je heusch bespottelijk. Wij zijn,” nu sprak ze langzamer dan zooeven en meer geaccentueerd dan tot-nu-toe, „wij zijn, ik zou het willen noemen, wetenschappelijke idealisten. Jouw „nut” en je heele, in dit geval eenigszins ridicule, braverige leerzaamheid, zijn nog een beetje uit de oude doos, zie je. Allicht heeft je grootmoeder je wat ouderwetsch gehouden, of misschien …”

„Grootmoeder!”—ach, waar bleven toch in ’s hemelsnaam weer al de herinneringen aan den strijd van den vorigen avond, wat hielp het nu of ze zooeven voor de zooveelste maal zichzelve verwijten deed?—„Grootmoeder?” barstte zij uit. „Grootmoeder heeft me geleerd iets wat ik nóóit zal vergeten [124]en ook nooit wil vergeten: te houden van alles wat ik in het leven zal te doen hebben, omdat het een van God opgelegde roeping is! Je mag me er vrijweg bespottelijk om noemen! En lach me er ook maar gerust om uit, dat ik schooljuffrouw wil worden en dat ik ’t heerlijk vind omdat ik dol op kinderen ben en omdat ik ze een heeleboel hoop te leeren van wat goed en edel is. Als ik een ander vak zou hebben gekozen, zou ik me dááraan willen wijden met m’n heele hart!”

Olga staarde haar aan, perplex. Het lachje bestierf op haar koel gezichtje. Ook Loes, die in stomme verbazing, nog vol van wat zij daarginds in de gang doormaakte, ’t gesprek volgde, zag onthutst naar het opgewonden meisje.

Evenmin als Olga verwachtte ook zij in de schijnbaar zoo eenvoudige Mieke deze krachtige persoonlijkheid, deze sterke, eigen kracht.

Ja, Mieke-zèlf herkende zichzelve niet. Nooit voor dezen, had zij geweten zóó hartstochtelijk, zóó driftig te kunnen zijn. Maar nimmer ook was zij zoo persoonlijk aangevallen geworden, noch was grootmoeders waarde ook maar met één woord in twijfel getrokken. De reactie kwam dan ook onmiddellijk na haar uitbarsting. Ze voelde zich inzinken, omdat haar geen triomf doch schuldbewustzijn overmeesterde toen zij zoo onverhoeds maar voor-’t-vaderland-weg de ander in ’t gezicht smeet wat ze kwijt wilde zijn … Olga had haar zeer zeker niet lief behandeld, doch hoe was de manier waarop zij reageerde? Oom Egbert [125]kon moeilijk blij zijn een meisje te herbergen, dat zóó z’n gastvrijheid schond tegenover z’n eigen dochter.—Mieke schaamde zich.

Olga zag het. En dit werd haar victorie.

Zelfs Loes, die ’t begreep, kon hieraan niets veranderen. Ze raakte totaal van streek.

„Mieke,” Loes greep angstig Mieke’s arm, „wat is dat nu?” riep ze. Neen, nooit had ze haar beschermeling tot zulk een gloeiende uiting in staat geacht.

„Niets, Loes. ’t Is al over,” zenuwachtig streek Mieke’s hand over de hare. „Ik bedoelde ’t ook zóó niet, werkelijk niet.—Olga,” en martelend overviel haar weer dat wanhopend makende, kleine gevoel van zichzelf, ’t klonk schuchter schier, terwijl Olga’s hoofdje zich hooger en hooger richtte; „ik … ik … vergeef me … ik was wat driftig.”

Olga lachte. Ze lachte weer geheel zooals ze placht.

„O, natuurlijk,” antwoordde ze, zich niet in ’t minst gepikeerd toonend, „ik excuseer je natuurlijk. Alleen verzoek ik je in ’t vervolg dergelijke onverkwikkelijke onderwerpen tegen mij te laten rusten … En als je me nog een groot plezier wilt doen, draag dan niet meer dat monsterlijke, gestreepte blousje?”

Patsch! daar kletste de aangezichtslag: Olga had glansrijk overwonnen: het blóusje!—Mieke was weer klein, min onooglijk, onbeteekenend. En toch sprak ze vriendelijk, Olga, héél vriendelijk zelfs. Ze gaf zich niet eens de moeite zich boos te toonen. Verbeeld je: bóós, om iets zóó onbenulligs als dit [126]gehaspel!—Zei ik niet dat ze in een goede luim was vanmorgen? Die bleek dus wèl onverstoorbaar.

Loes probeerde woorden te vinden om iets te antwoorden, doch Mieke wenkte haar te zwijgen, uit vrees voor nieuwe onaangenaamheden.

Toen sloeg de klok negen, brak de gespannenheid. Olga nam bedaard haar portefeuille, die naast haar stoel stond. Ze had om tien uur college, zei ze rustig.

„Adieu. ’t Wordt mijn tijd. Misschien,” en ze toefde even aan de deur, „misschien wil je, Mieke, nu mama nog boven blijft, wel haar werk doen en den ontbijtboel omwasschen? Dat zal ze zeker prettig vinden.”

„Heel graag … Ik wil graag den ontbijtboel omwasschen,” stotterde ’t meisje, rondkijkend, verward, naar ingrediënten zoekend voor deze expeditie.

En kalm vertrok Olga.

Loes jachte nu verschrikkelijk. „Ik kom te laat! Ik bèn al te laat!” schreeuwde zij wanhopend, nauwelijks tijd vindend Mieke te groeten, met lossen mantel ’t huis uitvliegend, haar zuster voorbij, naar school.

Alleen achtergebleven staarde Mieke eenige oogenblikken als versuft vóór zich uit, in een toestand van zóó ontredderden gedachtengang en verward begrip omtrent menschen en toestanden, dat ze een heele poos noodig had om tot zichzelf te komen, voor ze duidelijker besefte wat ze eigenlijk weer had beleefd … Was zij het geweest, die Olga [127]daarnet zoo kras bestreed? Zij, Mieke van der Hoeve, degene, die zoo hartstochtelijk gesproken had over zichzelve en haar doodgewone lessen, alsof zij altijd ik-weet-niet-wat voor idealistische plannen opbouwde, meenende eens een „roeping” te zullen vervullen? Nog nooit van haar leven had ze over deze „roeping” of over haarzelve zoo nagedacht als zij in hevige ontroering zoojuist de ander had doen gelooven door felle woorden. Kwam het, omdat men haar nog nooit zoo had getart?… Zij wist ’t niet! Zij wist ’t niet!… Ze wist slechts, dat zij thans voor zichzelve vreesde; dat zij zichzelve nog niet kende; dat zij zichzelve vroeger nooit rekenschap had gegeven van haar denken en willen. Dan zat zij in hopelooze zelfbeschouwing zichzelve onderzoekend, gansch anders belicht dan gisteravond voor grootmoeders ouden spiegel … Wat moest er toch van haar worden, schip zonder roer, dat zij bleek te zijn? Ach, als grootmoeder haar eens zóó gezien had, zou zij niet lijden om een kleinkind, zóó opstandig, zóó ondankbaar en brutaal?… En Mieke wilde zich wederom iets goeds voornemen, doch zij durfde niet … Wat vermocht zij? Wie wàs zij?—Zij zuchtte, zwaar en bedroefd.

Toen stond zij op. Wat hielp het je te verdiepen in onmogelijkheden? Zij moest vooruit!… Had Olga haar niet heur werk gezegd?… Zij zou maar met opruimen beginnen. [128]

Eenige dagen na haar aankomst schreef zij den volgenden brief:

Beste juffrouw Wije,

Nu zal ik U eens van allerlei vertellen, zooals U mij hebt verzocht. En wilt U dan dezen brief ook laten lezen aan dominee Rensen? Hem zal ik den volgenden keer schrijven.

Beste juffrouw Wije, natuurlijk heb ik soms nog vreeselijk verlangst naar grootmoeder en alle oude kennissen, naar het dorp en de frissche lucht, en er zijn hier heelemaal geen boomen en beesten, en je zit altijd bekneld tusschen de huizen, maar het is hier toch werkelijk niet naar. U moet dan ook volstrekt niet denken, dat ik mij beklaag. De huizen zijn ontzettend hoog, soms vier verdiepingen. Ofschoon, dat zult U wel allemaal weten. U heeft immers vroeger in uw meisjesjaren eenigen tijd in Amsterdam gewoond, naar U mij vertelde.

Ik zal dus liever over mijzelf schrijven.

Ik help mijn tante heel veel in de huishouding. Het is een nogal drukke huishouding met veel aanloop. Het huis is groot met heel veel kamers. Eerst vond ik ze bijzonder prachtig, maar nu ik hier ongeveer een week ben, begin ik een beetje aan het mooie te wennen. Toch houd ik meer van een buitenhuis of van een boerderij. Mijn kamertje is heel boven, wat ik niets akelig vind. [129]Nu kijk ik over de daken en zie een groot stuk lucht, wat je niet kunt als je meer in de laagte woont.

Ik ga nu ook naar school, weer een normaalschool, gisteren voor ’t eerst. Ik ken de meisjes natuurlijk nog heelemaal niet en voel mij nog erg vreemd tusschen ze. Zij durven alles. De lessen zijn heel prettig, en altijd na de gewone schooltijden. Van de leeraars zijn de meeste nogal streng. Ik ben dadelijk in de derde klasse gekomen, wat oom heel mooi vond.

Mijn nichtje Olga zal advocaat worden. Zij is buitengewoon knap, zegt tante Sophie, en dat zij niet door haar examen is gekomen was heelemaal buiten haar schuld. Zij zingt ook en speelt piano. Ik hoor haar niet graag zingen, zij zingt zoo hoog, maar dat is moeilijk naar ik hoorde, en haar vingers vliegen over de toetsen. Zij zal wel gauw trouwen, omdat zij zoo mooi is, denkt tante, met een heel deftigen, rijken mijnheer, die hier dikwijls komt en een vriend is van mijn neef Erik.

Nu vergat ik nog te schrijven over mijn jongste nichtje Loes. O, beste juffrouw Wije, ik houd zooveel van haar. Ze is zoo lief en trouw, en niets trotsch zooals haar zuster. Ze beurt me soms heerlijk op en trekt altijd mijn partij wanneer er eens iets is. Ik vergis mij natuurlijk herhaaldelijk, omdat het bij grootmoeder maar gewoon was en hier verschrikkelijk deftig. Het is [130]soms wel moeilijk dit te onthouden, want telkens moet je iets doen of nalaten wat je juist graag andersom had gedaan.

Ik verlang dikwijls naar U, beste juffrouw Wije, evenals naar Dominee Rensen, en ik denk ook somtijds aan Uw zoon Geert. Hoe gaat het met Trijn en Jans en de anderen? Ik mis het vooral, dat ik des Zondags niet naar de kerk ga. Dat is mij zoo vreemd. Het is nu net of het geen Zondag is. Is de straatweg nog altijd zoo proper des Zondags? Het leek altijd alsof de weg dien dag veel mooier en keuriger was dan door de week. Is het huisje van grootmoeder al weer verhuurd?

Wat een lange brief! Maar nu eindig ik, want ik ben heel moe. Het was zoo’n drukke dag vandaag, want er zijn hier in huis verschrikkelijk hooge trappen, dat is zoo vermoeiend, en er viel zooveel te doen. Ik had ’t er echter op gezet U te schrijven, anders mocht U denken, dat ik U vergat. Dat moet U nooit van mij denken.

Doet U wel mijn hartelijke groeten aan Uw zoon Geert en den dominee, ook aan Dr. Bos en mevrouw en alle andere bekenden, die U spreken mocht. En schrijft U als het u blieft spoedig eens terug aan

Uw toegenegen

Mieke.

„Nou,” zei juffrouw Wije tot haar zoon, aan ’t [131]eind der lezing, „als dat kind ’t daar plezierig heeft dan heet ik geen Wije. Alle eerbied voor de oude juffrouw, die haar zoons goed genoeg voorging en aan wie ’t ook niet gelegen heeft dat die oudste werd wat hij nou is,—maar ik heb ’t al geweten, toen de goede vrouw nog boven aarde stond en ook den dag na de begrafenis, toen hij die mooie beloften uitsprak: dat is een man van fraaie woorden, niet kwaad, maar zonder zedelijken moed. ’t Arme, lieve kind!… Maar ’t zal de weg zijn, dien ze gaan moet … Je moet haar bij gelegenheid eens opzoeken, jongen.”

„Ja, moeder,” stemde Geert toe, „dat zal ik.” En den heelen dag liep hij te piekeren over het nichtje, „dat zoo trotsch was”. Wel verdraaid, als ze een even groot nest zou zijn als haar broer een kwast, dan beklaagde hij Mieke uit den grond van z’n hart. Geert had werkelijk een halven dag ’t land. [132]

[Inhoud]

HOOFDSTUK VIII.

MIEKE’S GEHEEL VERANDERD LEVEN.—EEN AVONDWANDELING.

Verscheidene weken verliepen sedert Mieke’s komst in het huis harer familie, en waren de eerste dagen rijk geweest aan emoties, gedurig meer werd haar verblijf thans een gewoontezaak.

Natuurlijk hinderde Mieke Olga nog in massa’s kleinigheden, bleven ironische en geringschattende opmerkingen niet uit, bijzonder tegen maatschappelijke uiterlijkheden en ongekende vormen, één keer echter bekritiseerd zou Mieke zich niet nogmaals schuldig maken aan dezelfde fout. Dit gaf der familie een groote geruststelling inzake nichtjes gedrag tegenover de vrienden en vriendinnen.

Ook werd ’s meisjes garderobe wat veranderd naar stadschen smaak, en zoo gaf haar kleeding niet meer dien aanstoot als in ’t begin. Dit, plus het ter harte nemen van tante Sophie’s lessen en Olga’s scherpe kritieken, daarbij Loes’ handig gemanoeuvreer om op het juiste moment Mieke bij te springen, veroorzaakte een betrekkelijk spoedig „wennen” der heterogene elementen in den huize Van der Hoeve, een „wennen” ook in den zin van elkander onverschillig [133]zijn en in den vorm van negeeren van elkanders persoonlijke interessen, vooral van Olga’s kant. En daar er juist van dien kant het meest te duchten viel, was het wel van zeer groote beteekenis voor de nieuwe huisgenoote om te ondervinden, dat haar oudste nicht hoe langer hoe minder op haar lette, ja, haar zelfs dikwijls totaal over ’t hoofd zag of schéén te zien.

Sedert dien eersten morgen na het hoogloopende gesprek der beide meisjes, waarover Mieke nog dagenlang zichzelve verwijten maakte, vermeed zij ’t weer in te gaan op eenig onderwerp. Haar hart begon reeds luider te kloppen zoodra Olga maar een stelling opperde, dikwijls uitlokkend tot discussies, voornamelijk wanneer zij, Olga, uit haar humeur, zich zocht te bevredigen in spottend tarten. Doch Mieke’s zelfvertrouwen was niet groot genoeg om nogmaals een woordenstrijd te wagen. Dien eersten keer had ze geantwoord naar de ingeving van haar warm, opstandig hart, en onvoorzien; thàns zou ze zich rustig-verstandelijk moeten verweren tegen de zich zoo twijfelloos zeker voelende nicht,—en zij waagde ’t niet Olga’s verkapte uitdagingen te aanvaarden, zelfs al kwam meermalen heel heur hart in ontroering op tegen Olga’s brutale beweringen. Doch juist door dan te zwijgen won zij onbewust veld: Olga kreeg geen vat op haar en verdroeg dit gemelijk, genoegdoening nemend in haar overbekende geringschatting. Maar Mieke verdroeg die, zij ’t somtijds met gebalde vuisten. Zij was verstandig; haar ontwakend [134]begrip vormde haar tot een stille opmerkster, en de enkele weken van haar verblijf in de groote stad en in dit milieu hadden haar meer geleerd van „wereldsche zaken” dan tien jaren op ’t dorp.

Al droeg de verhouding in huis dus successievelijk den schijn van wel-overweg-kunnen-tezamen, dit was nog geenszins een bewijs, dat Mieke zich gelukkig gevoelde in haar nieuwe omgeving. Zij hielp er zooveel zij kon, gedienstig en ijverig. Oom prees haar laatst zelfs, en ze had gebloosd, zich één oogenblik wel beloond wetend voor haar ernstig willen om allen te toonen, dat ze de goedheid der familie haar te huisvesten wel waardeerde,—maar nochtans leek ’t of de blijdschap, die ze gehoopt had te zullen voelen bij een prijsje, làngs haar ging.

Erik zag zij slechts zelden. Den laatsten tijd kwam hij dikwijls ook niet thuis om te eten.

Loes vertelde, hoe hij sedert Mieke’s komst buitenshuis was gaan wonen … Dit gaf Mieke weer een schok … Had hij zóó tegen een samenwonen opgezien? Vond hij haar zóó akelig?

„Neen,” haastte Loes zich uit te leggen, „maar nu jij hier kostgeld betaalt, kon vader Erik toestaan kamers te nemen. Mama heeft dat voor Erik bedisseld, weet je. Hij is nu eenmaal haar lieveling,” iets wat Mieke eenigermate geruststelde, n.l. wat dat „kostgeld” betrof. Ofschoon góéd begrijpen deed zij de zaak nog niet, ook niet toen Loes haar uitlachte om haar benauwd gezicht. „Hij ging toch heen voor zijn eigen plezier!” riep zij uit. „Hij is zielsblij met z’n grootere [135]vrijheid, want hier lag hij toch altijd min-of-meer aan banden. Hij moet je dankbaar zijn! Olga was flink jaloersch op hem.”

Erik betoonde zich gewoonlijk niet onvriendelijk voor Mieke. Hij informeerde wel eens naar Geert Wije en naar diens rijkdom, waar Mieke dan hoog over op kon geven. Later kreeg ze daar meestal spijt van en het onaangename gevoel gesnoefd te hebben. Maar een onverklaarbare mededeelzaamheid beving haar zoodra Erik over de Wije’s begon. Zij voelde, in weerwil van zijn belangstelling, ook z’n néérzien op „die boerenmenschen”. Dat kon zij niet verdragen, dus zweepte zij de grootheid der Wije’s op, wilde hen per se plaatsen op de hoogte, die zij hen waardig achtte en, voelende hoe zijn interesse voornamelijk hun rijkdom gold, ging ze bluffen daarop, druk, lang uitgesponnen, véél te lang,—tot het hem verveelde en hij niet meer op haar lette.

Evenals tegenover Olga bij dergelijke gelegenheden kwam hierna een inzinking, een reactie, onderging ze dat gevreesde gevoel van zelfverkleining, wat ze nooit geheel tegenover deze menschen vermocht te overwinnen … Waarom, vroeg zij zich af, waarom had zij ook nu niet liever gezwegen?… De Wije’s behoefden niet door haar te worden opgehemeld. Zij waren immers wie zij waren: goed en aanzienlijk. Zij deed hun volstrekt geen dienst met haar gebluf om Erik van hun waarde te overtuigen. En na zulke gesprekken voelde zij zich zéér onvoldaan.

Oom Egbert sprak ze niet veel. Des morgens [136]naar kantoor gaande, kwam hij eerst tegen zessen terug. ’s Avonds namen haar de normaallessen, het schoolwerk of de hulp aan tante zóó in beslag, dat er maar zelden tijd tot vertrouwelijkheid overschoot. Dat kon oom Egbert wel eens spijten, want diep in z’n hart hield hij van ’t eenvoudige kind, dat hem aan z’n moeder en z’n jeugd herinnerde. Innerlijk gevreesd hebbende voor botsingen om ’t overgroote verschil tusschen Mieke en z’n eigen kinderen, voelde hij zich verlicht, toen hij zag hoe de onvermijdelijke onaangenaamheden van den beginne zich oplosten in Mieke’s meegaandheid en aannemelijkheid, al zou hij nooit openlijk hebben willen beweren, dat hij somtijds dit vreedzaam verloop toeschreef aan Mieke’s takt. Iets teeders, als voor Loes, sluimerde in hem voor dit kind van z’n eenigen broer. Juist als z’n jongste, zij ’t op andere wijze, bracht ze hem nader tot z’n ware zelf, maar hij verborg dien invloed angstvallig voor z’n gezin en ook voor z’n eigen verstand, ’t dwaasheid noemend. Slechts in stille oogenblikken gaf hij er zich aan over, of wanneer hij met haar alleen was.

„Hoe bevalt het je hier nu, Mieke?” vroeg hij haar eens, een week of zes na haar komst, toen ze, na den eten, toevallig samen alleen in de kamer waren en eenige oogenblikken gezwegen hadden in afwachting van het een-of-ander. „Voel je je hier nu gelukkig, kind?”

Dit moment werd één van de weinige, waarop Mieke ondervond toch niet geheel een vreemde te [137]zijn in dit huis. Er welde iets warms in heur hart, en de moed om de waarheid te zeggen ontbrak haar, de moed om te zeggen, hoe zij, veel meer nog dan in den beginne, vervreemdde van allen, omdat zij tóén nog hoopte aller genegenheid te kunnen winnen, terwijl zij nu zeker wist hier nooit toe in staat te zullen zijn. Ze sprak deze ervaring dan ook niet uit, want tegelijkertijd kwam er werkelijk verheugenis in heur hart om zijn welgemeende poging tot hartelijkheid … Zij kon hem niet teleurstellen, want ze had medelijden met hem, omdat ze voelde hoe hij, zielig, eigenlijk een ontkennend antwoord vreesde. Ze nam reeds vaker dezen schemer van medelijden voor oom Egbert, die toch zoo’n man van gewicht was, in zich waar, zonder de herkomst ervan precies te kunnen verklaren. Ze strekte heur hand uit en zei heel vriendelijk: „O ja, oom, ik ben hier heel tevreden.”

Dit scheen hem voldoende. „Zoo, kind, zoo,” antwoordde hij opgeruimd, ook wat verstrooid en gejaagd. „Dat doet me plezier.”

Er viel een stilte, waarin een verder vragen hing. Maar toch bleef hij zwijgen.

„Ik houd zooveel van Loes,” vervolgde Mieke met ontroering. „En … en … met Olga kan ik nu ook heel goed overweg … heel goed.”

„Kom?… Zoo?… Kom?” oom Egbert’s gezicht, gespannen eenigszins in luisteren, verhelderde zeer.

Nu sprak Mieke heel levendig. „Ja, uitstekend,” ging ze meer-en-meer prijzen, terwijl haar medelijden onverklaarbaar groeide. [138]

Oom Egbert lachte. Dan leek hij veel op grootmoeder en zag er zoo gansch anders uit dan wanneer hij fungeerde voor aangenaam, gemakkelijk gastheer. Nu was hij Mieke zoo sympathiek.

„Op les begin ik ’t ook veel prettiger te vinden, leer ik nu de meisjes beter kennen. Ze zijn wel heel anders dan ik, héél anders ook dan die meisjes, waar ik vroeger mee schoolging, maar ’t went, heusch. Er is één bijzonder aardig meisje bij; zij is niet zoo druk als die andere. Zij komt ook van buiten, maar ze is hier al bijna drie jaar.”

„Dat is aardig voor je, heel aardig … Mis jij buiten erg, Mieke?”

Thans trok de levendigheid weg van haar gezichtje, een trek van bekommering kwam om heur mond.

„Ik zou natuurlijk veel liever buiten wonen, dat wèl,” en heur blik dwaalde ’t tuintje door, waar de heesters, kaal en dor, sidderden in den tocht, die striemde door de lange open streek tusschen de hooge huizen.

Er viel een oogenblik een stilte vóór hij aarzelend verder vroeg: „En mis je grootmoeder nog altijd?”

Het duurde lang vóór ze hem antwoord kon geven.

„Ach,” zei ze zacht, „grootmoeder zou ik overàl missen.”

Oom Egbert kuchte, scheen iets te willen zeggen, doch sloot z’n mond weer. Toen stond hij op, wat stijf zich rekkend, als wilde hij een onaangename gedachte [139]verdrijven. Hij begon eroverheen te praten, om successievelijk weer in zijn vroegeren toon van bezadigde deftigheid te vervallen.

„Men moet maar niet te veel aan ’t oude hangen; vooruit zien, Mieke, altijd maar vooruit zien, niet achterom … Ik ben blij, dat je je plaats hier in huis nu duidelijk begint te kennen en ik geen spijt behoef te voelen je gastvrijheid te hebben verleend.” Hij praatte zoo nog een poosje door met toenemende gewichtigheid. Mieke luisterde gehoorzaam, zonder evenwel veel ervan in zich op te nemen. Haar medelijden week langzaam, evenals de verheugenis om zijn genegenheid. En toen oom Egbert opstond wisten beiden, dat er één moment tusschen hen geweest was van gelijkgestemdheid als van twee elkaar ontmoetende sympathieën, maar dat dit alles weer verliep in den gewonen toestand van allen dag.

Nu men bij de Van der Hoeve’s niet meer zoo angstvallig behoefde te vreezen voor hinderlijke mankementen aan het uiterlijk van het inwonend nichtje, noch voor inslaande flaters, nu de meeste vrienden en kennissen gewend raakten dat Mieke daar thuis lag, had de familie langzamerhand zelfs gaarne, dat zij op de vele entre-nousjes en partijtjes, die men organiseerde, niet achterwege bleef, hoewel minder om haar persoon dan om de diensten, welke ze er bewees. Zij zorgde er beter voor dan de dienstboden om alles in orde te brengen bij de komst der gasten, dekte keuriger tafel dan deze, deed accurater de voorbereidende boodschappen, zorgde [140]handiger en gezelliger voor de thee, het klaarzetten van glazen en het op ’t best maken der kamers. Zoo’n avond ging Mieke dan meestentijds wel warm en moe naar bed, maar als tante Sophie tevreden was dacht ze daar maar niet verder over na.

Er waren onder de gasten dikwijls menschen, die haar welwillend in de conversatie zochten te betrekken, opmerkend met waardeerende gevoelens haar stille, onopgesmukte bedrijvigheid. Maar ze vermeed het op hun vriendelijkheden in te gaan, niet wetende in hoeverre de familie dit wenschte, en ook zichzelve hier weer niet vertrouwend. Dat maakte haar in de oogen dier menschen schuw en verlegen, niet toeschietelijk, zóó zelfs dat Olga één keer eens in een groot gezelschap lachte: „Maar, Mieke, je kon wel eens wat liever zijn! Je bent altijd zoo nurksch,” en stralend kwam naast Mieke’s teruggetrokkenheid haar opgeruimde, gracieuse bekoorlijkheid naar voren.

Bogaerts, die sedert zijn eerste bezoek, den dag van Mieke’s komst, een vaak en gaarne geziene huisvriend werd, gedroeg zich steeds voorkomend tegenover het meisje. Hij behandelde haar altijd uiterst beleefd en welwillend, ofschoon Mieke zich wel eens verbaasd afvroeg hoe ’t kwam, dat een mensch zoo wonderlijk de woorden uitsprak en zich zulke vreemde gebaren had eigen gemaakt—niettemin door de familie om strijd als „hoogst gedistingeerd” geprezen—in niets gelijkend op wat zij kort geleden nog voor natuurlijk en gangbaar had gehouden. [141]Zij stelde z’n voorkomendheid toch zeer op prijs, voelende, dat deze voortkwam uit welgezindheid. Ze mocht hem wel lijden. Liever dan de meeste van tante’s en Olga’s vriendinnen. De eersten vereerden haar gewoonlijk slechts met genadige knikjes en karige woorden, in haar hart Sophie beklagend altijd met zoo’n kind opgescheept te zitten … Olga’s vriendinnen echter waren niet onaardig voor haar, sommige zelfs heel lief, maar allen, zonder onderscheid, behandelden haar min-of-meer als iemand, die niet meetelde. Mieke voelde duidelijk hoe zij, een aanstaand onderwijzeresje, een onbeteekenend buitenmeisje, nu eenmaal door den „intellektueelen kring” van Olga’s kennissen (’t woord was van Olga) niet voor vol werd aangezien. Men gaf zich hier geen rekenschap van, volstrekt niet, men dàcht er zelfs niet over, omdat het de natuurlijkste zaak ter wereld was. Men bemerkte immers onmiddellijk hoe Mieke geheel naast aller levenswijze, studiebelangen, kunstbeoordeelingen en idealen stond. Wat zou zij daar ook van begrijpen?… Zij kende niet eens de bekendste namen, de meest vooraanstaande personen, om wie alles draaide in die sfeer; geen proffen, schrijvers, noch filosofen of artisten,—niet de „chic” en de „flirts” onder de jongelui. Neen, hóógstens kon je een praatje met haar aanknoopen over onbenulligheden als haar lessen en het huishouden, over ’t weer of ’s zomers buiten,—en dat geschiedde dan steeds op den toon van nederbuigende vriendelijkheid met een supérieur [142]airtje van luisteren als van een goedig groot mensch, dat zich een beetje verveelt, naar een klein kind. Mieke kende deze manier, en haar trotsch hartje verfoeide die in stilte. Zij antwoordde daarom meestal schaars, en men vond haar na zoo’n gewoonlijk slecht vlottend discours niet zoo bijster aardig en bewonderde Olga’s takt om met een zoo weinig toeschietelijk, spaarzaam sprekend meisje om te kunnen gaan.

En onopgemerkt vergleden voor Mieke de dagen, veel tijd voor haarzelve schoot er niet over, want menigmaal ook werden haar vrije oogenblikken door tante Sophie geëxploiteerd om haar te laten mazen en stoppen, iets waarin ze heel bedreven was, en waarvoor tante haar onlangs uit overloop van tevredenheid, toen ze een berg kousen en jaegergoed in orde had gebracht, een paar handschoenen cadeau maakte.

De uurtjes met Loes doorgebracht werden de grootste lichtpunten voor Mieke, doch deze waren niet zoovele als de meisjes graag hadden gewild. Beider schooltijden liepen vrijwel uiteen, zoodat er maar slechts enkele uren tot samenwerken overschoten. Maar vooral op de Zondagmiddagen hoopten zij. Eenige malen hadden ze bij goed weer een wandelingetje gemaakt langs den zelfkant der stad, waar voor Mieke de herinnering opleefde aan thuis en ’t dorp. Loes meende haar daarmee een plezier te doen, maar ’t stemde Mieke nameloos weemoedig. Ze had zóó wel weg willen loopen, ver weg van de [143]uitgestrekte huizenmassa, die den ganschen horizon afsloot! Torens, schoorsteenen, huizen, muren, een groot, onmetelijk groot gevaarte, die stad, die haar den gezichtskring afsloot en waar zij moest leven haar bestaan van plicht en gehoorzaamheid. Hoe benauwde haar de gedachte hier straks weer in te moeten terugkeeren, tusschen het tjingelen der trams en het gejacht der menschen. Altijd, àltijd voelde zij er zich alleen, zelfs ondanks de liefderijke voorkomendheid van Loes, die haar gevoelens in deze toch nooit geheel zou kunnen begrijpen en tot wie ze hierover dan ook maar liever niet eens sprak. Zij was er zeker van, Mieke, dat ze, indien ze er met grootmoeder, met dominee Rensen, met de Wije’s ware, zich wèl zou hebben thuis gevoeld, omdat ze dan geweten had te midden van hen iets eigens te vinden. Met het vooruitzicht evenwel straks weer naar de familie te moeten, werd haar zulk een wandeling een marteling op den terugweg. En zij verzocht haar nichtje maar liever met haar door ’t park of langs de havens of in de stad te gaan, en Loes, in de verbeelding dat dit Mieke meer interesseerde dan buiten, wat goed beschouwd eigenlijk geen buiten was, sleepte haar mee door de Jodenbuurt, voorbij de entrepots, langs nauwe, oude straatjes en grachtjes, naar stille, antieke hofjes, of wel naar de musea, wat Mieke allemaal bijzonder veel belangstelling inboezemde, wat ze prachtig vond en overweldigend, maar veelal ook ontzettend vermoeiend,—behalve dan de hofjes, waar ze de voorkeur aan gaf, evenals Loes, die daar [144]rijkelijk heur fantasie liet weiden in grijze jaren, Mieke meetrekkend in haar romantische bespiegelingen.

Dit alles bezorgde Mieke langzamerhand ook een zekere gemakkelijkheid van bewegen. Zij verbaasde zich niet meer zoo spoedig en over allerlei als in ’t begin. Zij gewende aan bijzonderheden, al trof haar van veel wat ze zag de schoonheid méér dan Loes, die erbij was opgegroeid. Mieke had hiervoor een open oog en oom Egbert, die plezier kreeg in beider genoegens, gaf routes aan en raadgevingen om nu dit dan dat te gaan bekijken en zou gaarne de meisjes vergezeld hebben als tante Sophie en Olga zoo’n uitsloverij niet dwaas zouden hebben gevonden.

Zoo zwierven ze dan op Zondagmiddagen van het eene stadsgedeelte naar het andere en Mieke’s voor indrukken nog zoo vatbaar gemoed werd hiermede overstelpt.

Soms was het haar alsof zij twee levens leefde, het ééne nog dat van vroeger, van de eenvoudige Mieke uit het mooie, vredige dorp, de Mieke met de rustige, regelmatige geaardheid, de kalme, blijde wenschen voor de toekomst, strevend naar zelfverloochening en rechtschapenheid, tevreden met haar lot en dankbaar voor het vele goede—en dan weer zag zij zich reppen om klaar te komen in ’t deftige huis met de vele visite, of ze zag zich dwalen door de onbekende stad in geheel veranderde kleeding, voelde daarbij de gejaagdheid in heel heur wezen. Haar vroeger zoo onbewuste natuur verdiepte zich opnieuw in zelfbeschouwingen, [145]en ze zag zich achterhoudend, gehoorzamend maar uit nood, heur eigen aard verloochenend en niet strevend naar recht, slechts zwijgend om niet in botsing te komen, smachtend naar vrijheid van bewegen voor ziel en lichaam, opgesloten in een groot, mooi huis, waar geen enkele dier fraaie vertrekken haar toebehoorde, in een stad, die haar nog niets zei, omdat ze er nog niets in liefhad. Zij streden met elkaar deze beide Miekes, en ze maakten haar leven onwezenlijk en tweeledig.

Overdag had ’t meisje het te druk om hierover na te denken, ondervond ze deze sensatie slechts, afmattend soms. Maar wanneer allen des avonds ter ruste waren gegaan, kon zij vaak nog urenlang wakker liggen en peinzen met een vreemd, zwaar gevoel in haar hoofd, alsof alle geregelde gedachten ’t hadden verlaten … Hoe wàs ze nu eigenlijk?… Wat wilde zij?… Wat hoopte ze?… Alles lag verward dooreen … Vroeger had ze nooit nagedacht over idealen, maar nu hoorde ze hierover zooveel spreken, dat ook zij over de hare ging nadenken, en tegelijk datgene, wat wellicht onbewust een innig ideaal was geweest, totaal voor haar verloren ging door er zich één te willen scheppen … Maar wàt voor een?… Ze wist het niet … Had Olga idealen?… Had Erik ze?… Bij dozijnen, geloofde Mieke … Loes niet, maar wat Loes gaarne wilde vond Mieke ietwat gelijken op haar eigen doodgewone, simpele verlangens van lang vervlogen dagen. En zeker wist zij, dat, zoo men deze aanviel of belachte en ze niet voor [146]werkelijke illusies houden wilde, zij ze tot ’t uiterste zou verdedigen als grootsch en belangwekkend, terwijl zij ze toch nimmer als zoodanig had beschouwd.

Zij was nog absoluut niet opgewassen tegen ’t machtige, dat op haar aandrong met overdonderende veelzijdigheid; zij kon zich nog niet vrij maken uit die bestorming van dat heirleger van duizenderlei aandoeningen; daarvoor was zij nog te onervaren en was haar geloof aan de eerlijkheid van ’tgeen ze hoorde en zag nog te groot, haar vertrouwen op wat ze waarnam nog te sterk. En niettemin wist zij instinktmatig zeker, dat er iets haperde aan dien schoonen schijn, omdat zij ondanks deze zich niet gelukkig gevoelde en onrustig; omdat heur trots herhaaldelijk pijn leed en omdat ze niet zeggen kon noch zeggen mòcht, wat ze vóór dezen nog nimmer had verzwegen: datgene wat ze voelde als liefderijk recht.


Eenige uren evenwel was zij toch voor een korte wijle de Mieke geweest, zichzelve bewust, levend en ademend naar den drang harer jeugd en harer liefdevolle, verlangende ziel: grootmoeders kind.—Dat was op een avond, toen ze thuiskwam van de school. En dien avond, véél meer dan op haar wandelingen met Loes buiten de stad, beving haar het oude, heerlijke gevoel, dat zij kende van vroeger op ’t dorp: de volmaakte tevredenheid-in-het-heden en de onomstootelijke zekerheid eenmaal te zullen omvademen het reine, voortdurende geluk, waarvan elk menschenkind op gezegende momenten de [147]kiem in zich voelt … Heur jonge, sensitieve, groeiende ziel, den laatsten tijd als verbijsterd in opgeschroefden schijn, scheen tot dat uur gansch haar natuurlijke geneigdheid te hebben verloren tot zij, haar vrijheid verwervend als een te lang gevangen vogel, haar vleugels breidde en wegvloog in de richting van haar trouw Tehuis, gedreven door de onfeilbare macht van haar instinkt.

De lessen waren regelmatig verloopen en, zich meestal weinig met haar medeleerlingen bemoeiend, ging zij, evenals anders, alleen langs de stille kade, die ze gewoonlijk des avonds terugliep, huiswaarts.

Rythmisch en klankrijk klonk Mieke’s vlugge voetstap op de droge straat.

Rythmisch en klankrijk klonk Mieke’s vlugge voetstap op de droge straat.

Pag. 147.

Het was één dier avonden, welke meestal voorafgaan aan een periode van vorst, een avond met helderen maneschijn. Een opgewekte, wijdingvolle atmosfeer hing roerloos plechtig tusschen de hooge huizen; de kale boomen etsten in fijne graveering langs den kant van ’t kanaal, dat, glashelder, den zilver gestarnden hemel weerkaatste, met trillend een streep manezilver dringend als tot in den bodem der onbewogen gracht. In zuiver-klare omlijsting stonden de groote gebouwen als donker, scherp afgeteekend silhouet tegen de wonder stralende lucht, en rythmisch en klankrijk klonk Mieke’s vlugge voetstap op de droge straat. Het werd haar bij die pracht en dien rijkdom als ontvloden haar de dagelijksche beslommeringen met tooverslag; heur hoofd werd licht en heur hart werd blijde. Heel heur gezichtje werd overtogen met een glans van verrukking, heur oogen glansden van vrome vreugde en waren opgeheven [148]in devotie. Zij veerde en liep met lichten tred, en hoewel gansch alleen in den wijden avond langs den doodstillen weg, voelde zij zich toch zóó verre van verlaten, en wel zóó één met den verrukkelijken avond om zich, dat er een reine weelde in heur ziel kwam, slechts te vergelijken bij de onuitputtelijke weelde van de reine zilverstralen der maan. Menigmalen had zij deze sensatie slechts ondergaan, daarginds op haar dorp, maar nu, na zooveel verdriet, vernedering en eenzaamheid, doorleefde zij het genot van zorgeloos op te gaan in ’tgeen God haar schonk, al ’t wereldsche afschuddend. De tranen stroomden haar uit de oogen van mateloos geluk, om dit beleven na zooveel tijd van smart, van heerlijke blijdschap om ’t licht na zoo langen tijd van duisternis,—en ’t was haar, stilstaande nu in die wijdte van den lichten avond, in den onbezoedelden glans van het zuivere zilver, alsof grootmoeders ziel haar beroerde … En op dat moment schoten haar dominee Rensen’s woorden te binnen: „Want weet, m’n kind, je gaat niet alleen. God is altijd met je, Mieke.”

Zij was vroom genoeg opgevoed om te weten hoe thans de adem Gods haar vertroostte, en zij had het groote, onvergelijkelijke voorrecht genoten te leeren luisteren naar die vertroosting. De zekerheid van God’s nabijheid voelde zij zegenend in de overgave en het vertrouwen van haar moede, zoekensmoede ziel, en zij vond eenige oogenblikken de rust en de kracht, die zij behoefde morgen, straks wellicht [149]reeds, om opnieuw den strijd te kunnen strijden, die noodig was … Alles leek haar nu zoo klein en nietig, zoo gemakkelijk te overwinnen: haar trots bovenal.

Zij kwam zoo tevreden thuis! Heur smaller geworden gezichtje (men vond dat zij langer en schraler werd den laatsten tijd) had een zacht kleurtje. Ze zag er zoo aardig uit, teertjes een beetje en stil-gelukkig.

Tante Sophie zei: „Wat is je overkomen, Mieke?” heel verwonderd en wat bits.

Oom Egbert lachte even, blij verrast. „Wat zie je er goed uit, kind,”—’t deed hem blijkbaar plezier, ofschoon ’t hem eveneens scheen te bevreemden.

Olga monsterde Mieke van ter zijde, ietwat achterdochtig, heur houding niet veranderend dan door een korte opheffing van ’t hoofd. Toen las zij zwijgend verder.

Doch Loes legde zachtjes en streelend heur wang tegen Mieke’s gezichtje en zei: „Wat ben je warm, zeg,” haar pal in de oogen kijkend, vragend, wat beangst.

„’t Is zulk heerlijk weer,” sprak Mieke met een stem, hoog van ontroering en met een blik vol liefde haar arm om Loes’ schouders slaande.

Toen vroeg tante Sophie iets huishoudelijks op onaangenamen toon en was opeens al ’t heerlijke weg,—maar op den bodem van Mieke’s hart lag de onmetelijke schat van dezen schoonen avond, die Mieke helpen zou meer dan eenig mensch vermocht. [150]

[Inhoud]

HOOFDSTUK IX.

EIGENAARDIGE TOESPELINGEN.

Het liep tegen Kerstmis; de donkere dagen waren donkerder dan ooit, en guurder en triester. Tante Sophie, wat verkouden en influenza-achtig, hield het grootste deel van den dag het bed. Haar ongesteldheid gaf veel drukte, en Mieke, op wie de extra bediening van ziekesoepjes, warme kruiken, heete melk met poedertjes, en drankjes hoofdzakelijk neerkwam, hoopte van harte op de aanstaande kerstvacantie. Mocht tante dan nóg ziek zijn, zoo zou ’t voor Mieke in ieder geval toch gemakkelijker wezen, omdat ze haar dag dan minder behoefde te verdeelen en slechts de veelvuldiger huishoudelijke bezigheden te verrichten had zonder daarbij nog zorgen te hebben voor schoolgaan en lessen-leeren. Nu liep haar hoofd dikwijls om van de massa’s ongelijksoortige beslommeringen, en spreekt het vanzelf, dat Mieke hartgrondig verlangde naar de vacantie, waarin ze tenminste van een gedeelte harer veelzijdige plichten zou bevrijd zijn.

Ondanks de ziekte van mevrouw Van der Hoeve heerschte er in huis echter niet de minste droefgeestigheid. Wel-is-waar waren vele van Olga’s en Erik’s kennissen naar hun familie buiten de stad vertrokken, [151]zoodat er minder gasten kwamen dan vóór de studenten-vacantie, maar daarentegen verschenen tante Sophie’s vriendinnen des te vaker om, naar het heette, de zieke wat op te vroolijken. Zij hadden dan boven op de slaapkamer langdurige en min-of-meer geheimzinnige conferenties, die, wanneer Mieke onverwachts binnenkwam met thee voor de dames en ’t een-of-ander voor de zieke, eensklaps overgingen in voor ’t meisje onbegrijpelijke toespelingen en wonderlijke knipoogjes. Tante Sophie kon soms ook zeer eigenaardige dingen tot Mieke zeggen over „een buitengewoon groote verrassing” en „een groote, op handen zijnde verandering”, waarvan Mieke geen syllabe begreep, iets wat tante dan blijkbaar niet prettig vond, terwijl ze toch niet duidelijker mocht zijn naar haar zeggen, omdat ’tgeen, waarop zij doelde, nog een geheim moest blijven,—het geheim van anderen.

De mevrouwen echter schenen dit geheim toch allen te doorgronden. Zij lachten althans met verstandhouding—sommigen ook wat gedwongen—en stelden allerlei fluisterende vragen aan tante Sophie, die deze weer op raadselachtige wijze beantwoordde en van eigenaardige lachjes deed vergezeld gaan.

Bijwijlen liep Mieke over al die geheimzinnig-doenerij te prakkizeeren, daar ook Olga vreemd deed, zéér tot ongenoegen van Loes.

„Kind, wat praat je toch gekke dingen!” riep zij eens geïrriteerd uit. „Zeg dan wat je bedoelt,” en met [152]verbazing keek Loes haar zuster aan, stil wordend opeens. Want wat haar nog nimmer overkwam: de indruk harer zusters uiterlijke bekoring trof haar eensklaps in hooge mate en onverhoeds. Eigenlijk had zij nooit zoo precies op Olga gelet. Zij hoorde wel haar schoonheid roemen, en bemerkte, hoe velen haar trachtten te imiteeren, maar zij was groot geworden met haar zuster en zag niets buitengewoons aan haar. Het verwonderde haar zelfs menigmalen, dat velen Olga zoo zochten. Waarom?… Zij wist maar al te goed, dat Olga’s vriendschap op-en-neerging met de omstandigheden harer vriendinnen: het waren slechts gefortuneerde, voorname of eminente meisjes, (of jongens) die mochten bogen op Olga’s sympathie. O, zeker, Olga kon charmant en hartelijk zijn tegen hen op wie ze het begrepen had, maar Loes vroeg zich wel eens af, of dan niemand in haar trekken las hoe nukkig, hoe koel en hard zij wezen kon. Of zou dat hen allen niet deren?… Háár deed zij dikwijls pijn en zij adoreerde Olga niet. Ze kon het niet helpen, zij verweet ’t zichzelve soms, maar ze hield niet van haar zuster, niet innig tenminste, zooals haar hart ’t verlangde. Een zekere band van gewoonte en gemeenschappelijke belangen bond haar-beiden, ook vaders liefde voor z’n twee meisjes, die Loes zich verplicht voelde te moeten deelen,—maar tevergeefs zocht de jongere naar een teeder sentiment, een sterk vertrouwen als ze aan de oudere dacht, en zij voelde daarin maar al te vaak gemis, verdriet zelfs somtijds. [153]

Nooit hadden de zoo algemeen geroemde gaven harer zuster dus in die mate indruk op haar gemaakt als op buitenstaanders. Thans evenwel kwam ook zij eenige oogenblikken onder de macht ervan, werd ook zij voor een korte wijle geboeid door Olga’s nog nooit zóó overbluffend uitkomende schoonheid en houding als nu. Voor de eerste maal zag zij haar zooals anderen haar zagen, en Loes’ blik ging één moment in sterke bewondering langs haar zuster. Zij was onthutst. Evenals Mieke gevoelde zij zich nietig worden; maar ook in háár kwam die felle onwil als in Mieke, toen deze nog vocht om haar standpunt van gelijkheid met het bevoorrechte nichtje … Doch dit alles duurde slechts kort. Loes werd spoediger nuchter dan Mieke; zij had zich ook niet voor ’t vervolg te beveiligen, gelijk deze. Zij ging zich afvragen, waaróm Olga haar zoo opeens getroffen had. Hoe kwam het, dat zulk een overweldigende triomf van haar afstraalde?… Loes verdiepte zich in mogelijkheden, meer nog dan Mieke, wier aandacht door honderderlei andere kleine en groote beslommeringen in beslag werd genomen. Loes had een hekel aan die geheimzinnige apartjes van Olga met mama … En papa deed net of hij van den prins geen kwaad wist, maar z’n jongste geloofde daar niets van. Doch hij zag nu niet zoo buitengewoon glorieus, integendeel; door z’n aan de slapen reeds grijzend haar woelden dikwijls, terwijl hij in blijkbaar niet zeer opgewekte gedachten verzonken was, z’n vingers, afglijdend langs z’n voorhoofd om lang de gesloten oogen te bedekken. [154]

Dan deed Loes jolig, aaide eens over z’n hoofd, en zei: „Vertel eens, wat eraan scheelt? Wat mankeert jullie toch allemaal?”

En vader herstelde zich, deed ook jolig, luchtig zelfs. „Ach,” zei hij, afwerend, „je droomt een beetje. Wat zou ons mankeeren?”


Na een ongesteldheid van omstreeks veertien dagen kwam in mevrouw Van der Hoeve’s toestand (als je ’t zoo noemen wilt) schielijk een onverwachtsche beterschap. Het verwonderde Mieke reeds verscheidene dagen, dat tante Sophie nog maar steeds niet naar beneden ging en haar kamer bleef houden, want naar haar meening was de verkoudheid en de lichte influenza-aandoening reeds lang geweken. Zij zag er best uit en at met smaak, maar liet zich nog altijd bedienen en Mieke het vuur uit de sloffen loopen. Tante bleef echter nog wat pruilen van pijntje-hier en pijntje-daar, totdat eensklaps, een week voor Kerstmis ongeveer, zij besloot naar beneden te gaan, welk plotseling besluit Mieke met bevreemding maar ook met een zucht van verlichting vernam, hopende nu eens een paar uurtjes voor zichzelf te zullen krijgen.

Hoeveel inniger en vromer echter ging zij andere jaren het Kerstfeest tegemoet, als in de pastorie of in het vriendelijk kerkje de Kerstboom brandde; hoe hadden haar dan de tranen over de wangen geloopen van vreugde om aller blijdschap. Wat hadden de warme woorden van den ouden predikant haar [155]zulke uren ontroerd en hoe vaak had zij zich—dagen van heel jong kind doemden op in haar herinnering—niet voorgenomen beter te worden dan zij was, zich waardig te toonen, dat ook om háár het groote Licht geboren werd, dat gansch de menschheid het duister zou verhelderen en den weg zou wijzen naar liefde en vrede, zoo men dien weg maar gaan wilde met zelfverloochening, volharding en geestdrift. En hoe menigmalen had Mieke het hart van zulk een geestdrift geklopt! Altijd, àltijd had haar vóór het groote feest die stemming van wijding en vrede beheerscht, kwam haar, vooral de laatste twee jaren, altijd opnieuw het krachtig voornemen doordringen zichzelve te volmaken naar het welbehagen van den Schepper, Die het Licht gezonden had. Thans echter, afgetobd en zonder groote blijdschap, hoopte zij slechts op eenige kalme uurtjes, alleen aan zichzelf te zijn overgelaten, om èven te kunnen nadenken over wat haar andere jaren zoo spontaan en innig verheugde, en wat haar nu wel niet onverschillig, nochtans zonder diepe ontroering liet. Iets van vroeger wilde ze trachten terug te vinden boven, tusschen grootmoeders oude meubeltjes op ’t scheeve kamertje.

Doch, leek het of eenige verpoozing voor haar niet uitgesloten was, spoedig begon die vreemde stemming in huis, welke ze al sedert eenige dagen waarnam, die geheimzinnigheid, over te slaan naar toenemende agitatie.

Tante, gedurende haar ziekte vrij geduldig en [156]niet onvriendelijk voor haar verzorgster, bleek meer-en-meer nerveus te worden, en ook Olga’s hoog gespannen zelfbewustheid scheen te verslappen tot prikkelbaarheid en ongedurigheid. Zij zag er nu moe en kribberig uit, en om een haverklap bitsten er meeningsverschillen tusschen mama en haar.

Tot eindelijk, twee dagen vóór ’t Kerstfeest, de onrust in huis haar toppunt bereikte. De meiden werden gejacht, de suite moest, op Olga’s uitdrukkelijk verlangen, geheel-en-al worden uitgehaald en opgepoetst. Het werd een gestof en gewrijf en gedraaf, waaraan de heele dames-familie, behalve Loes, die met een sierlijken wuif éclipseerde, deelnam. En Mieke merkte geen ziertje van haar inmiddels aangebroken vacantie.

Olga voerde de leiding, totdat bij een tijdelijke viering der strakke teugels de werkpaardjes herademden.

De suite kreeg, onder deze geduchte behandeling, echter een aspekt van weelde en van zeldzamen glans; de zenuwachtigheid der beide dames leek, na deze prestatie van buitengewone netheid, eenigszins bekoeld, verslapt bijna. Ze schenen mat en lusteloos, hoewel toch den volgenden dag beider agitatie weer toenam.

Men zou dien dag zeer vroeg aan tafel gaan. „Er wordt bezoek verwacht,” zei mama, en Loes, die zich door al die vreemde toespelingen in het hoofd had gezet: „Er komt zeker een Kerstboom, dat is de verrassing,” [157]liet teleurgesteld die hoop varen … Bezoek!… Was dat alles?

Mieke zei bij zichzelf, dat ze blij zou wezen als dit zoo onrust-barende bezoek nu maar goed-en-wel achter den rug was, wanneer dit althans ’t einde beteekende van de inspanning der laatste dagen en van dat eigenaardig gefluister, ’twelk haar een gewaarwording gaf van onbehagen, alsof ze heimelijk in ’t ootje werd genomen, wat echter, wist ze, toch volstrekt niet ’t geval was.

Olga zat vreeselijk te drijven aan tafel: men moest zoo vlug mogelijk af-eten om tijd over te houden zich te verkleeden; en ondertusschen ontdekte zij, dat, in de overgroote drukte van gisteren en vandaag, men er niet op had gelet, dat de banketbakker de kersttaart niet had gebracht, die besteld was voor vanavond en morgen, terwijl er ook nog eenige kleinere boodschappen vergeten waren af te doen. Dit werd een chapiter voor nieuwe onrust … Betje kon onmogelijk gemist worden. Zij moest opendoen, bedienen en dergelijks. Johanna, ’t keukenmeisje, mocht niet binnenkomen. Zij was veel te lomp en had roode winterhanden. Bovendien bestelde mevrouw voor den eersten Kerstdag een uitgebreid menue, daar de gasten dien dag ook nog zouden blijven, dus was Johanna’s arbeid zóó noodig in de keuken, dat …

Olga’s doorgaans zoo beheerschte, bijna flegmatische manier van doen sloeg over naar zenuwachtige gejaagdheid en spanning. Mieke echter, hoe moe [158]ook, sprong dadelijk bij. Ze voelde, hoe dit ook van haar verlangd werd.

„Laat mij maar gaan,” onderbrak zij de kijverige bespiegelingen van Olga en tante Sophie, die elkaar verweten, dat zij dit-en-dat konden vergeten. „Zeg maar waar ik naar toe moet en wat ’t wezen zal.”

„’t Is ’t eenige wat erop zit,” oordeelde mevrouw verlicht.

„Maar zóó wil ik Mieke vanavond niet presenteeren,” bleef Olga recalcitrant nog hindernissen speuren.

„Dat begrijp ik wel; dat begrijp ik wel,” viel Mieke haastig bij, uit vrees dat aan dit onderwerp weer uitbreiding zou worden gegeven. „Ik verkleed me, zoodra ik thuiskom, in een wip. En ik zal wel hard loopen.”

„Of laat mij gaan,” stelde Loes, hoe anders ook ’t land hebbende aan boodschappen-doen, gewillig voor, ziende de donkere kringen om Mieke’s oogen.

„Welneen,” weerde Mieke af, wetende, hoe dit niet in tante’s bedoeling lag.

„’t Is beter dat Mieke gaat,” vond tante Sophie dan ook. „Want jij moet nog een ceintuur op je jurk naaien.”

Nu luwde de onrust wat bij die bevredigende oplossing en tante begaf zich naar boven om haar toilet te maken, waar ze gewoonlijk nogal veel tijd voor noodig had en Loes ging naar haar kamertje om zich zuchtende op de visite te prepareeren, want ze had nu eenmaal een gruwelijken hekel aan visite. [159]

Olga draaide intusschen de elektrische kroon op in het salon, en in het sterke, schitterende licht gaf het volle vertrek wederom dien glans van overdadige luxe, welke Mieke zoozeer trof dien eersten dag van haar komst hier in huis. En terwijl zij nog gauw even alles in gereedheid bracht voor de thee, zoodat, als het water kookte, men maar behoefde op te schenken, legde Olga de laatste hand aan het salon door ’t met wat door vader meegebrachte bloemen te verfraaien en vervroolijken, haar nichtje ondertusschen diverse commissies opdragende. In de eerste plaats moest ze dus de koekjes halen, die Tenback vergeten had te bezorgen, en vooràl de juffrouw een standje geven over de taart!… Uitdrukkelijk diende zij te zeggen, dat die vanavond nog bezorgd moest worden. „Verder …” en nu volgden er nog een viertal andere boodschapjes … Zou Mieke die maar niet liever even noteeren?—En Mieke noteerde.

Olga, ten laatste klaar met haar opgaven en het bloemen-schikken, sloot de schuifdeuren, het verlichte salon dus van de huiskamer scheidend, wat Mieke verwonderde … Deed Olga dit per ongeluk? Altijd, als er gasten kwamen, stond de suite open. Ze maakte er haar attent op.

„Het licht brandt nog in de voorkamer,” zei ze.

Doch Olga, geheel bekomen van haar wrevel om de vergeten boodschappen, lachte. Ze lachte overmoedig. „Ja,” riep ze, „de schuifdeuren blijven éérst gesloten.” Er was nu geen ironie in haar manier van doen, niet de minste geringschatting ook. Integendeel [160]zag zij Mieke bijna vroolijk in ’t verwonderde gezicht, en eensklaps klonk daar voor deze, in die schertsend uitgesproken woorden, èven een klankje van gemeenzaamheid; zij voelde zich verward een oogenblik. Maar dan scheen zij de ander nader te komen, zag zij een slagboom opgeheven tusschen haar-beiden, een heel smal bruggetje, dat een kloof overspande. Er ging iets van Olga tot haar uit, dat moment, wat Mieke aandeed als een vriendschappelijk hand-reiken, terwijl tot-nog-toe al Olga’s uitingen haar hadden beroerd als aangezichtslagen. Mieke beefde; zij kreeg een lichten schok … Kon ’t dan tóch misschien ééns zoo worden, dat zij elkander waardeeren zouden als gelijken, elkander niet meer bestrijdend in heimelijke tournooien, maar achtend, zij ’t dan ook niet liefhebbend. Mieke’s zoo door haar gevreesde en bestreden zelf-onderschatting verdween gansch bij deze toenadering, welker grondslag echter waarlijk toch zoo groot niet was als zij meende in het blijde opleven harer verwachting. Want die grondslag werd er op verre na niet één, waarop ooit een gebouw van vriendschap zou kunnen rijzen,—de vermeende toenadering werd gansch verkeerd uitgelegd. Zij hief geen slagboomen op, evenmin als zij kloven overbrugde. Twee elkander geheel vreemde naturen, twee tegenstrijdige sentimenten vinden nergens de slagboomen geheven, vinden nergens een overbrugging om elkander te bereiken. Olga dacht geen seconde aan Mieke. Maar zij vergat haar ditmaal, en wel totaal. Haar eigen verwachtingen deden [161]haar zelfs zichzèlve vergeten, en bij het in spanning tegemoet zien van wat komen zou liet zij, onbewust evenwel, haar laatdunkendheid varen, haar spot- en geringschatting, doch trad daarvoor in plaats een onbeteugelde vreugde om datgene, wat Mieke nog maar niet begreep. Deze vreugde overschaduwde de door Mieke zoo gevreesde eigenschappen en belichtten daarentegen Olga’s onbetwistbare bekoorlijkheden, onder welker invloed zelfs Loes onlangs zwichtte. Laat staan dus Mieke … O, hoe innig hoopte deze steeds op wèrkelijke verbetering in beider verhouding, niet een schijnbare voor welke zij toch steeds op haar hoede moest zijn … Eensklaps meende zij daar nu het begin van te ontdekken! En het verheugde haar. Het verheugde haar buitengewoon … Zij sloeg dadelijk over in een toon van vroolijke verrassing en vroeg, wat het dan toch wel wezen mocht, dat Olga zoo opgewekt maakte? Zij was wel zeer benieuwd naar het geheimzinnige bezoek.

Olga, zeldzaam lief in haar grootere natuurlijkheid, riep, dat ze daar onderweg maar eens goed over denken moest, en dat ze maar gauw terug moest komen om zelf te zien! „De hooge gasten,” en heel Olga’s persoontje tintelde van overmoed, „komen omstreeks half acht. Dan moet je kant en klaar beneden wezen, denk erom. Prakkizeer maar eens heel flink, wie er dan zijn zullen!” Lachende gleed zij de kamer uit.

Mieke zag haar na, onwillekeurig meelachend,—[162]maar toen begon ze te peinzen … Doelde de verrassing misschien op háár?… ’t Bloed vloog haar naar de wangen … Zou Geert soms komen?… of dominee Rensen?… of misschien juffrouw Wije?… Maar neen, dat zou onmogelijk wezen. [163]

[Inhoud]

HOOFDSTUK X.

HET ARME, KLEINE DAMETJE.

Oom, die juist binnenkwam op ’t tijdstip, dat zij de kamer wilde verlaten—hij zag er in z’n zwart jacquet kostuum uit als moest hij zóó naar een receptie—gaf Mieke een paar tramkaartjes om des te gauwer terug te kunnen zijn. Hij deed dit zenuwachtig, scheurde er eentje bijna door midden.

Mieke monsterde hem eens tersluiks: hij zag er, hoewel zeer gesoigneerd, toch slecht uit, mager en vermoeid. Maar hij trachtte zich een air te geven van losse welgemoedheid, voegzaam ingetoomd evenwel door deftige geposeerdheid, want oom Egbert leek wel zeer in één zijner voorname buien.

Met een „dank u” de kaartjes aannemende, haastte Mieke zich thans om weg te komen, de drie hooge verdiepingen opstijgend om boven uit haar kast heur ouden, langen wintermantel te krijgen, dien ze hier alleen des avonds droeg maar vroeger altijd op de fiets had gebruikt als ze haar rit van ’t dorp naar de school in de kleine provinciestad maakte. Hoog trok zij den kraag tot aan de ooren op en diep drukte zij het kleine mutsje in de oogen, zoodat ze, op straat gekomen, geen koude voelde dan [164]op het onbedekte plekje van haar gezichtje tusschen jaskraag en mutsrand.

Het was venijnig koud, afschuwelijk weer. Een regenachtige mist maakte—het had de vorige dagen en ook des morgens een weinig gevroren—de straten glad en niet-ongevaarlijk begaanbaar. Mieke echter gleed, de handen in de zakken, vast ter been, langs dooiende, maar spiegelgladde baantjes naar de tram en bevond zich zoo tevreden en welgemoed als sedert langen tijd. De vermoeienis van ’t nageloop tijdens tante’s ziekte wilde zij glad vergeten. Het dood-gewone gesprekje met Olga, dat eigenlijk toch niets belangrijks bevatte om zich op te verheugen, deed haar plotseling veel dingen lichter dragen … Aan moe-zijn moest men nooit denken! Eén avondje op ’t scheeve kamertje tezamen met Loes in gezellig nietsdoen, en dat leed was glansrijk geleden. Zij was immers gezond en krachtig; zachts, dat zij bijsprong in moeilijkheden, waar men haar een tehuis verleende! Zij moest zich schamen zich, al deed ze ’t dan ook slechts heimelijk, beklaagd te hebben. Olga was werkelijk alleraardigst voor haar geweest, zóó aardig!

Maar nu pauzeerden haar gedachten, kwam er een terugduwtje … Was het niet slaafsch, daar zoo blijde mee te zijn? Was het niet laf nu maar dadelijk de hand te grijpen, die haar kort geleden nog tik op tik gaf?… Haar stap hield ze in. Zij gleed niet meer langs de baantjes, een sterke windvlaag joeg haar snerpend den hagelregen in ’t gezicht, en ze vond het [165]toch wel èrg guur … maar ze sjorde den mantelkraag hooger, ze drukte het dopje dieper over ’t hoofd, en ze gleed weer!… Kom, nu niet zwaarhoofdig wezen, nu niet herkauwen, alleen maar dankbaar zijn omdat Olga wellicht inzag minder lief te zijn geweest.

Ze negeerde het kleine pessimistje in haar en kwam, na een langen glij met een overmoedigen zwaai, op een reeds in beweging gaande tram terecht, alsof ze van haar wieg af op rijdende trams sprong en nooit anders gewend was dan in een groote stad, terwijl ze met een zekere gemakkelijkheid in de overvolle coupé stapte alsof ook dit haar heele leven dagelijksch werk was. Tot-nu-toe beklemde haar in volle tramwagens, in drukke winkels, in uitgebreid gezelschap steeds toch nog een gevoel van schroom, van blooheid, thans echter voelde zij zich frank en ongedwongen, bijna had ze maling aan de menschen, iets wat ze zich vroeger als een onverschilligheid zou verweten hebben, als een brutaliteit, een lompheid, maar wat, in haar stemming van ’t oogenblik, haar nu de eenig normale verhouding scheen, verstandig, leuk. Ze zat rechtop en zeer vergenoegd te kijken, vindend, dat Olga toch ook wel een beetje gelijk had gehad haar vroeger een onbeholpen provinciaaltje te hebben genoemd. Nu eerst voelde ze hoeveel ze wel gewonnen had aan onbevangenheid.

In deze aangename sensatie reed ze tot de halte mee ’t dichtst bij Tenback, en met een even groote vaardigheid als daarstraks eróp wilde ze nu van den [166]tramwagen àfspringen, iets wat echter minder goed gelukte. De glibberigheid speelde haar parten en ze zou uitgegleden zijn, had niet een jongen, die voorbijging, haar staande gehouden.

Ze ontnuchterde een weinig uit haar blij-soezige stemming. Al de opgedragen boodschappen schoten haar weer te binnen en waarschuwden haar om wat meer op haar qui-vive te zijn. Zij repte zich naar den banketbakker. Juist stond de knecht klaar het gebak te bezorgen en behoefde zij dus de fiolen van tante’s en Olga’s toorn niet over de juffrouw uit te storten;—trouwens, volgens deze was de taart ook pas tegen zevenen besteld. Mieke was hier dus spoedig klaar en met oplettendheid om vooral de meegenomen koekjes niet te breken, vervolgde ze haar boodschappenlijstje, dat voor ’t overige deel meer tijd in beslag nam dan die eerste commissie, en maakte, dat zij zich wat reppen moest naar de tram om tegen zevenen thuis te zijn, wat haar dan ook wel niet zou gelukken, meende ze, en wat haar min-of-meer verontrustte.

Tegenover haar zat een klein, oud dametje met een allerliefst vriendelijk, rimpelig gezichtje. Zij droeg een zwart fluweelen manteltje en een voorwereldlijk kapothoedje, een klein rond handmofje niet grooter dan een rollade en een zijden parapluie met een wit beenen handvat. De menschen van den tegenwoordigen tijd in zwierige, modieuze kleedij, bevracht met bont en wuivende paradies, getooid met kostbare sieraden en zware zilveren tasschen, met handschoenen [167]van wit glacé en laarzen van glanzend lakwerk, dergelijke menschen zien met spottend medelijden zulke kleine dametjes aan,—àls zij ze aanzien. Meestal kijken zij ze over ’t hoofd,—evenals zulke oude dametjes die anderen. Het oude dametje, van wie ik spreek, was ook zoo’n ouderwetschje. Je zag dat al dadelijk aan haar wijze van groeten: de minzame hoofdneiging, vergezeld van een glimlachje, waarmede ze Mieke vereerde, was van een bekoorlijke hoofschheid … Heel beleefd en vriendelijk groette Mieke terug, zich afvragend, wie zij toch wel wezen mocht; zij had haar meer gezien.

Het kleine dametje met het fluweelen manteltje, het voorwereldlijk hoedje, het ronde handmofje en de parapluie met het wit beenen handvat, was een kwiek vrouwtje. Nog vóór de tram halt had gehouden stond zij reeds aan den uitgang. Zij scheen, evenals Mieke, haast te hebben; wellicht ook dreef het onaangename weer haar tot spoed aan naar huis. De tram stond nauwelijks stil of het kleine dametje daalde reeds de treeplank af,—maar of het kwam dat zij te vlug den zijstang der tram losliet, dan wel of ze niet verdacht was op de gladheid der straat, men hoorde een luiden angstkreet en daar lag, heur mofje hier en heur parapluie daar, het oude dametje op den half bevroren, bemodderden weg.

Reeds kwam de condukteur van ’t achterbalkon haar te hulp en sprong ook Mieke haastig af, om haar mede op de been te helpen, maar dit bleek gemakkelijker [168]gedacht dan gedaan, vooral ook omdat Mieke zelve bepakt was. De juffrouw zou weer zijn neergestort indien de condukteur en het meisje haar niet waren blijven steunen; heur voet scheen zóó pijnlijk, dat ’t onmogelijk bleek erop te staan.

Ondertusschen vertraagde de tramloop. De condukteur sprak met een jongmensch achterop den wagen. Zóó kon men de oude dame niet achterlaten, alleen met het meisje; en niemand anders was er aan de verlaten halte. Het jongmensch bood nu verdere hulp aan, de condukteur steeg weer op, belde af,—en voort reed de tram, het dametje, Mieke en het jongmensch achterlatend aan den open windhoek, waar snerpend de hagelregen je in ’t gezicht sloeg.

Men beraadslaagde hoe de juffrouw te transporteeren … Waar moest ze heen?

Ze noemde haar adres, en nu herkende Mieke haar opeens: één der dames Ravenhorst. Hoe dom haar niet onmiddellijk te hebben kunnen thuisbrengen … Zij was één der buurdametjes op het bovenhuis naast-an Van der Hoeve. Nu wist ze vanwaar ze dat aardig, vriendelijk gezichtje kende. Een enkele maal stond er wel eens één der beide dametjes voor ’t raam, en laatst, toen Mieke naar boven keek, werd zij deftigjes-lief teruggegroet.

Nu, bij het herkennen kreeg ze dubbel medelijden met de arme gevallene. Zij probeerde de ergste modder wat van den fluweelen mantel af te wrijven, terwijl het hulpvaardige jongmensch de juffrouw ondersteunen bleef en het handmofje en de parapluie [169]van Mieke overnam, want zóó belast was deze, dat het onmogelijk bleek met zulke volle handen juffrouw Ravenhorst ook loopende te assisteeren. Zij stopte nu wat van haar pakjes in haar zakken voor zoover dit mogelijk werd bevonden, maar de koekjes moest ze toch maar zien in de hand te houden. Wie weet wàren ze niet reeds in de verdrukking geweest … In vredesnaam moest men dat maar voor lief nemen, tante zou het toch ook wel begrijpen; men kon een oud dametje, dat een ongeluk overkwam, toch niet zoo-maar aan haar lot overlaten!… Toch, heelemaal gerust was Mieke niet. Doch die ongerustheid betrof alleen het zakje,—de tijd vergat zij in overloop van medelijden en hulpvaardigheid.

„Kunt u heelemaal niet op uw voet staan?” vroeg Mieke, toen ze zich nu goed geprepareerd had voor den terugtocht.

„Onmogelijk,” de juffrouw probeerde het nog eens, maar ze kon ’t wel uitgillen van de pijn.

„De voet zal ontwricht zijn,” veronderstelde het jongmensch, dat nu niet zoo héél erg met zijn baantje ingenomen scheen, vooral toen van medewerking der oude dame geen sprake kon zijn. Maar hij bleek iemand van praktischen aard. „Wij zullen u ieder onder een arm nemen, mevrouw. Hinkelt u dan op uw linkervoet verder. Dat is de eenige manier.”

„Hinkelen? Komaan!” trachtte juffrouw Ravenhorst te schertsen en kordaat te zijn, ofschoon haar klein, gerimpeld gezichtje spierwit zag en weggetrokken [170]van pijn. „Er zal niet anders opzitten.”

En aldus toog men op weg langs de gladde straat, waar verraderlijker nog dan straks de wind om de hoeken loerde.

Hoe kort ook anders de afstand mocht wezen van de halte naar haar woning, nu de gevaarlijke gladheid ook de helpers tot behoedzaamheid aanspoorde, vorderde men slechts voetje voor voetje en dan met kleine pasjes. Juffrouw Ravenhorst hield zich dapper ondanks de hevige pijn, die ze leed,—maar eindelijk toch kwam men thuis, „bijna goed en wel” bleef zij quasi opgewekt doen.

Zoo sprak echter niet juffrouw Hermance, toen ze haar arme zuster, ontdaan en met nog de zichtbare sporen van den val in de modder aan haar toilet, onderaan de trap zag zitten tusschen de onbekende jongelui, die nat en verwaaid haar flankeerden, en toen het lastig probleem ontstond haar naar boven te krijgen. Niet zoodra hoorde het behulpzame jongmensch van die mogelijke, nieuwe corvée of hij pakte op hoffelijke wijze z’n biezen, zonder zelfs den dank der oude dames in ontvangst te hebben genomen. De twee-en-dertig treden hooge trap lokte hem blijkbaar alles-behalve aan.

Mieke daarentegen kon ’t niet over haar hart verkrijgen de gansch veraltereerde juffrouwtjes nu eveneens in den steek te laten. Guurtje, het dienstmeisje, werd er thans bij te pas gehaald en men besloot ten einde raad maar wederom het hinkeltoertje te baat te nemen. De beide meisjes namen nu tezamen [171]juffrouw Ravenhorst onder den arm, haar telkens met den eenen voet een sprong de trap opsjorrend, iets wat voor alle drie op die vrij smalle ruimte een moeilijke en lang niet ongevaarlijke onderneming was. Wanneer Mieke en Guurtje niet zoo hijgend van inspanning, juffrouw Hermance niet zoo als de dood voor achterover zwikken, en juffrouw Roosje niet bang voor nogmaals bezeeren waren geweest, zouden allen misschien om de dwaze vertooning gelachen hebben, want ’t was een mal gezicht dat gespring en getrek van ’t drietal telkens na een „hup”-signaal, met juffrouw Hermance in de achterhoede, gewapend met de parapluie, het handmofje en Mieke’s pakjes, welke ze had overgenomen.

Ten langen leste kwam men al springende en trekkende boven. Nu nóg een hinkeltoer, die kinderspel werd bij de twee vorige, en juffrouw Roosje liet zich met een hartgrondig: „Goddank” neer op een in allerijl aangeschoven stoel in de huiskamer, nu echter niet meer quasi schertsend maar doodop, bij flauwvallen af.

Juffrouw Hermance, een dergelijk type als haar zuster, even petiterig, met hetzelfde fijne gezichtje als deze, misschien iets gezetter dan de ander, maar onweersprekelijk van een eender soort, getoiletteerd in een grijs-en-zwart japonnetje, het kleine hoofdje omlijst door dun, kroezig, wit haar, de geaderde, oude handjes met korte, zenuwachtige gebaartjes,—juffrouw Hermance, geheel in de war, liep maar van het kastje naar den muur, zonder iets anders uit te [172]richten dan allen nog meer van haar stuk te brengen. Ook Guurtje, ’t dienstmeisje, stond met de handen in ’t haar, en hoewel Mieke popelde om weg te komen, want eensklaps schemerde er door haar brein een begrip van tijd bij de groote alteratie, besloot zij toch maar èventjes te blijven om de anderen op streek te helpen. Zóó kon juffrouw Roosje toch onmogelijk blijven zitten, want steeds heviger werd de pijn aan den voet, de schoen moest worden uitgetrokken, en noch juffrouw Hermance, noch Guurtje waren daartoe in staat.

Het zweet parelde Mieke op ’t voorhoofd, binnenin jachtte ’t steeds meer om weg te komen, en zij kon onmogelijk zoo spoedig voortmaken als zij wenschte, omdat iedere aanraking van den geblesseerden voet het de oude juffrouw deed uitschreeuwen, terwijl de beide anderen om haar heendraaiden en in den weg liepen zéér tot Mieke’s ongerief.

De voet bleek gezwollen te zijn en waarschijnlijk verstuikt, maar wie kon zeggen of ze misschien niet gebroken was?… Juffrouw Hermance, die deze veronderstelling opperde, trilde ervan.

„De dokter moet gehaald! Guurtje, loop onmiddellijk naar den dokter.” Zij schreeuwde het bijna uit, geheel buiten zichzelf, nog veel meer van streek dan het andere dametje, dat nu, achterover leunend in den grooten armstoel, weer wat tot rust kwam.

Guurtje, eindelijk in de gelegenheid ook iets te mogen doen, repte zich weg, maar toen ook Mieke nu gejaagd zei niet langer te kunnen blijven, sméékten [173]beiden haar nog niet heen te gaan vóór het meisje terug was of de dokter gekomen.

„Als … als er nog soms iets gebeurt … als … als mijn zuster héél naar mocht worden …” sidderde juffrouw Hermance, „en ik ben alléén …”

Mieke, niet sterk genoeg om weerstand te bieden en de dametjes in angst en beven achter te laten, liet zich op een stoel zacht neerdrukken. Ook juffrouw Hermance ging nu zitten en ’t werd eenige minuten heel stil in de kamer met de ouderwetsche meubelen, waar men nu in meerdere kalmte de komst van den dokter afwachtte. Een pendule met een dikken cherubijn, een groot, leelijk ding onder een hooge stolp, tikte met klankrijken tik. Een open haard brandde op aangename temperatuur, de poes lag op het haardkleedje ervoor genoeglijk te spinnen. De bruin damasten gordijnen waren gesloten, een sterk getemperd licht hield de donkere kamerhoeken in schaduw; ’t geheel had iets intiems. Over de ronde tafel spreidde een velvet kleed van warm rood, kleurig vlak middenin ’t vertrek, het grootste deel van het licht der laag hangende lamp voor zich concentreerend, slechts weinig ervan mededeelend aan ’t Deventer karpet met z’n verschoten kleuren, maar met z’n onmiskenbaar stempel van edele afkomst. De brons pluchen zittingen der stoelen waren verouderd tot grijzerig beige, maar hun vorm dateerde uit den tijd, toen de meubelmakers nog zelf meubelen maakten en men zich nog niet „installeerde”. Bij de gesloten gordijnen stond een groote bloementafel met welverzorgde [174]planten en afhangende klimopranken; erboven hing in een verguld kooitje een kanarie, die droomend van een liedje vertelde. De hooge boekenkast met de groene gordijnen liet haar inventaris slechts vermoeden; een antieke porceleinkast met vierkante ruitjes verborg haar innerlijk minder schroomvallig en geleek eenigszins op die van juffrouw Wije, al zou zij, wat de inhoud aanging, wel niet met dien der boerin kunnen wedijveren.

Nauwelijks zat Mieke, of zij ondervond, hoe de inspanning van den zwaren tocht de hooge trap op, de kroon zette op de vermoeienissen, die zich dagen achtereen voor haar hadden opgehoopt, en nu juffrouw Hermance haar gedwongen had nog even te blijven, voelde zij, ook al wist zij nu zeker te laat te zullen thuiskomen, de rust van het oude-dametjes intérieur als een langzame weldaad over zich heenkomen. Zóó plotseling werd zij daarstraks door juffrouw Roosje’s val, door te moeten handelen, uit haar vorigen gedachtengang gerukt, dat ze met geen benadering besef had hoe lang dit ongeval nu wel precies geduurd had. Daarbij—al wilde zij ’t zichzelve verheelen—was zij lichamelijk werkelijk àf, vandaar dat, tóén ze eenmaal zat, de rust haar pakte zonder op haar weerstand acht te slaan. Zij kreeg een gewaarwording van innige behaaglijkheid, doch ook van plotse slapte, doch Mieke vond dit eenige oogenblikken heerlijk. Heel de sfeer, nu die twee dametjes zoo stil en gedempt spraken en gaandeweg weer tot kalmte kwamen, heel de sfeer ademde die vredige [175]bezonkenheid, welke jonge menschen zoovaak weldadig aandoet bij ouderen, zoo de jongeren die verworven rust tenminste niet als saai en bekrompen laken. Zoo’n gevoel van veiligheid heeft men bijwijlen in ’t milieu van bejaarde, vriendelijke menschen, die hun strijd óók eenmaal te strijden hadden, doch hem thans uitgevochten hebben, die welgemoed zich leerden tevreden stellen met het passieve geluk geen ongeluk meer te verwachten in stede van nog idealen te koesteren. Ook is daar, bij zulke oude menschen, een waas van stille wijsheid door die vertrouwende berusting … Was straks een dissonant getreden in de kalme harmonie binnen dit ouderwetsche huisvertrek, thans naderde daar weer de zachte, lieve stemming van allen dag, want mijn kleine dametjes waren lief en zachtzinnig en hadden een atmosfeer om zich als van een mooi, oud poortje op een mooi, oud grachtje bij ondergaande najaarszon … Heb ik onlangs niet gezegd, dat Mieke zooveel hield van hofjes?… Zou ze dan nu niet komen onder de lieve bekoring dezer beide antiquiteitjes?

Bijna vergat Mieke geheel den tijd!

Maar kleinigheden waarschuwen somtijds groote dingen.

Poes stond op, rekte zich.

Mieke lachte èven om h’r hoogen rug.

Juffrouw Hermance zei, zichzelve verwijtend: „’t Stomme dier. Bijna zou ik haar vergeten door al die consternatie.” [176]

„Heeft ze nóg geen melk gehad?” vroeg juffrouw Roosje op matten toon, waaraan je toch hooren kon dat ze nog niet gehéél de oude was. „Hoe laat is het?”

En daar sloeg met een melodieuzen ping de dikke cherubijn met een stokje op een trommeltje,—dat was ’t slagwerk der oude pendule.

Mieke keek op.

„Half negen!?” riep ze, geen moeheid meer voelende, geen behaaglijkheid, geen rust, geen invloed van antiquiteitjes. „Half negen!?”

„Maar kind? Maar kind!” schrok juffrouw Hermance van Mieke’s schrik. „Wat is er?”

„Ik moet weg! Ik moet weg! Mijn koekjes!”

De dametjes werden weer ontzettend zenuwachtig. Het najaarszonnetje op ’t oude poortje ging schuil achter een dreigend donker wolkje.

„Koekjes?”

„Het zakje! Mijn zakje?”

Juffrouw Roosje begreep haar, beduidde haar zuster welk pakje Mieke waarschijnlijk bedoelde. Juffrouw Hermance, die de bagage naar boven gedragen had, begreep het nu ook, reikte Mieke het zakje over.

Tegelijkertijd werd er gescheld: Guurtje met den dokter … Nu raakten de dametjes weer in de war … En Mieke, bezweet van zenuwachtigheid, vuurrood van ontsteltenis, nam haastig afscheid.

Juffrouw Roosje hield haar handje vast, stijf vast. Mieke popelde om weg te komen. [177]

„We zien je terug, nietwaar?” drong ze aan, het dametje. „En gauw? Je komt ons opzoeken, beloof je het?”

„Ja, ja,” beloofde Mieke, zich probeerende vrij te maken.

„Hartelijk, hartelijk bedankt.” Nu kwamen er waterlanders.

„’t Was niets, volstrekt niets,” weerde Mieke af.

„Wanneer kom je?” bleef juffrouw Roosje aandringen.

„Zoodra ik kan. Toe, laat me nu,” Mieke bad erom.

„God zegene je, kind,” en èven legde het dametje heur rimpelig wangetje tegen ’t warme handje van ’t meisje; toen liet ze het met een drukje los.

Ook juffrouw Hermance, die den dokter ontvangen had, wilde Mieke bedanken, maar zij was deze ditmaal te vlug af.

„Ik kom gauw weer,” beloofde ze nogmaals, naar boven roepend, terwijl ze de trap al afvloog, de deur uit, naar de woning ernaast.

Betje, om door een ringetje te halen, deed open. Ze trok onheilspellende, verstandhoudende gezichten.

„Ze zijn er al,” fluisterde ze, niet bemoedigend. „Johanna heeft koekjes in de buurt moeten halen; mevrouw weet niet waar u blijft.”

In allerijl hing Mieke haar hoed aan den kapstok, trok den ouden mantel uit. Heur haar ordende ze maar zoowat. Heur gezichtje zag rood, evenals heur handen, van warmte en agitatie. [178]

Wat zou ze doen? Zóó binnengaan of zich eerst verkleeden?… Maar dan bleef ze nóg langer weg …

„Wie zijn er?” vroeg ze gejaagd aan het dienstmeisje.

„Twee heeren Bogaerts, de jonge heer, die hier altijd komt, met z’n papa. Ze hebben een confarentie in ’t salon.”

Mieke lette niet op Betje’s Fransche uitspraak; ze herinnerde zich alleen bij ’t woord „salon” de gesloten suite-deuren.

„Waren de heeren dus in de voorkamer? De tusschendeuren dicht?”

„Zooeven; ja, juffrouw.”

„En mevrouw en juffrouw Olga zaten achter?”

„Jawel, met jongejuffrouw Loes.”

„Dan zal ik ze toch eerst even gaan vertellen, hoe ’t komt dat ik zoo laat …” en Mieke, in haar zenuwachtigheid, opende met een ruk de kamerdeur.

Rijk straalden de lichten van de kristallen prismakroon in het salon. De tusschendeuren stonden wagenwijd open; de heele suite leek in feeststemming. Middenin het helle schijnsel stond Mieke in heur simpele kleedij, bezweet, verwaaid, met bemodderde schoenen en vuilen rokrand. Wat ze tante Sophie had willen zeggen ontschoot haar totaal … Niets wist ze meer … Ze zag Olga, schitterend en mooi, als in een aureool van zelfbewuste pracht, in de hand, achteloos, een bouquet van witte seringen. Hoog opgericht stond ze, als een overwinnares op het toppunt van haar triomf. En naast haar Bogaerts, correkt, [179]glimlachend, met een glans van geluk op z’n bleek, knap gezicht, wat hem zeer sympathiek maakte. Zij waren het middelpunt. Men sprak en gesticuleerde druk. Oom Egbert deed zoo deftig-gewichtig en daarbij zóó bijzonder vroolijk als Mieke nog nooit in die mate van hem gezien had, en tante Sophie scheen een-en-al liefelijke minzaamheid tegen den ouderen, vormelijken heer, dien Mieke dadelijk als Bogaerts’ vader thuisbracht, en louter moederlijke teederheid tegen het jonge paar.

Ze zag Olga, schitterend en mooi.

Ze zag Olga, schitterend en mooi.

Pag. 178.

Erik schudde z’n vriend herhaaldelijk de hand, en oom Egbert riep: „Zulke deugnieten! Niets wist ik ervan! Niets! U overrompelde mij, meneer Bogaerts, (tot den vader.) U overrompelde mij met dat aanzoek.”

Toen tolde het in Mieke’s hoofd, ofschoon zij nu alles begreep … Dit was dus de verrassing, dit was dus de oplossing van al die geheimzinnigheid: Olga verloofd met Bogaerts!… Dáár vandaan dus die ongebreidelde vreugde, die zelfs haar, Mieke, een oogenblik uitsloot van ironie en hoogmoed!… Ja, stralende geleek Olga een betooverde prinses, hautaine en onvergelijkelijk mooi,—maar Mieke voelde, bij een ademlooze bewondering, hoe in haar langzaam-aan een pijn ging schrijnen: was dit geluk? God, hoe anders leefde op den bodem van haar ziel het verlangen naar dien zegen. Niet één zachte, teedere blik ging van oog tot oog; alleen Bogaerts’ gelaat had een uitdrukking als van innerlijke verrukking … Heel de atmosfeer in ’t kwistig salon [180]baadde in rijkdom van schoone uiterlijkheden en van overmoedige zegeviering, maar niet van zaligheid … „Waarom,” doorflitste het Mieke, „waarom zegt oom nu, dat hij overrompeld werd?” Begreep niet iedereen in huis reeds wat er gaande was behalve zij en behalve Loes, die, niet nieuwsgierig genoeg om te visschen, zich alleen maar aan die fluisteringen ergerde?… Hoe kon oom dat nu dan zeggen, jokken, nu iedereen zoo vreeselijk blij moest zijn en iedereen ook zoo vreeselijk blij scheen,—en … en nu zij maar niet blij kon wezen …

Ze stond daar ontroerd, als vastgenageld tusschen de porte-brisée, het zakje kapotte koekjes in de hand. Niemand lette op haar … zelfs Loes niet, die toch zooeven nog telkens onrustig naar de deur had gekeken, nadat ze had hooren bellen. Loes hield zich wat achteraf; ze was perplex. Ze wist zelf niet wat haar beheerschte. Ze vond het heel prettig voor Olga, dat ze met Henri verloofd was—Bogaerts had haar een zoen gegeven, wat ze afschuwelijk vond, en gezegd nu in ’t vervolg hem „Henri” te noemen—o, ze vond ’t héérlijk voor Olga, maar ook zij was niet verheugd, niet verrukt, zooals de anderen, evenmin als Mieke.

Mieke! Weer keek zij, Loes, naar de deur, zich harer herinnerend … Hevig schrok zij.

Olga zàg dien schrik en volgde Loes’ blik … Ook zij verschoot … Moest zóó het nichtje haar nieuwe familie voorgesteld worden?… Fel straalden haar oogen een nijdigen, waarschuwenden blik naar het [181]eenzame, onooglijke figuurtje, zoo in desordre, zoo onpresentabel als ooit … En die oogen dwongen Mieke haar wil te volgen, de kamer te verlaten.

Mieke begreep.

Ze legde het verfomfaaide zakje, vet doorplekt, op de tafel in de huiskamer en sloop op de teenen de kamer uit, de deur behoedzaam en geruischloos achter zich sluitend.

En boven, in haar afgelegen heiligdom, viel ze neer op een stoel, opnieuw overmand door moeheid, niet wetende wat te doen: zich te kleeden en naar beneden gaan of boven blijven. Zij verweet zich haar domheden,—en ook weer had ze geen oogenblik spijt gehandeld te hebben als ze deed tegenover de dametjes. Zij had niet anders gekund … Maar wat hielp dit? Ze had ’t verbruid … Zij sloot de oogen en Olga’s blik pijnde door haar herinnering … Zóó kon een meisje op het toppunt van haar geluk een ander meisje aanzien?… Arme Olga!… Het nijpte zéér in Mieke’s gevoelig zieltje … Neen, de slagboomen scheidden nog immer beider wegen, het bruggetje over de kloof was slechts gezichtsbedrog geweest,—Mieke gaf ’t op! Nu gaf ze’t op: het zou nóóit anders worden tusschen haar en Olga. Het eenige verschil tusschen vroeger en nu was, dat ’t Mieke niet meer schèlen kon elkander nooit te zullen naderen. En die wetenschap deed haar opeens niet meer pijn als ze placht. Zij glimlachte zelfs om de hoop, het enthusiasme, waarmede zij kort geleden zoo gelukkig was geweest; ze vond haar hooge stemming van [182]daarstraks nu bijna mal … En ze dacht aan haar oude, dankbare, zachte dametjes … Eén voordeel kon zij dezen avond toch boeken: zij had nieuwe vriendschap gevonden, die op zou wegen tegen ’tgeen ze thans zeker van anderen kant verloren wist … Maar wat haar door alles heen bleef bezwaren was het komend onderhoud over haar vergrijp van zooeven, en toen Loes, laat nog, naar boven kwam geslopen, Mieke reeds in bed vindend, en zij elkander een omstandig verhaal deden van wederzijdsch gebeuren, kon ze Mieke niet geruststellen. Morgenochtend zou de bom stellig barsten. [183]

[Inhoud]

HOOFDSTUK XI.

DE BOM SPRINGT NOGAL ZACHTJES.—BIJ DE TOTEBELLETJES.

Met dat al sliep Mieke evenwel niet slecht dien nacht. Jong en gezond en vermoeid zegeviert het lichaam spoedig over den geest, als men op een koud kamertje warmpjes onder de wol ligt en het geweten niet bezwaard is. Door haar verbanning vroeger dan anders in haar mandje gekropen, (want na rijp overleg had ze zich maar niet beneden gewaagd uit vrees weer een flater te begaan) ontwaakte zij dan ook verkwikt na een flinke nachtrust. Doch niet lang zou dat gevoel van welbehagen duren. Met het opklaren van haar geheugen kwamen ook de vele wederwaardigheden van den vorigen dag haar herinneren wat haar vermoedelijk te wachten stond, en met looden schoenen daalde ze de trappen af om beneden voor ’t ontbijt te zorgen. Loes had haar gisteravond ook gauw nog eventjes om een hoekje verteld, dat de heele familie den eersten Kerstdag tijdig bij de hand wilde zijn, omdat de heeren Bogaerts met de koffie en met ’t middagmaal verwacht werden; bovendien rekende men op veel visite. Dus haastte Mieke zich zooveel mogelijk om de familie van tegemoetkoming [184]te dienen, in de hoop ook daardoor wat clementie te verwerven bij de te verwachte veroordeeling. Die dan ook niet uitbleef, n.l. de veroordeeling.

Was de Kerststemming bij Mieke dezen morgen nog steeds niet de ware, zij verloor geheel haar karakter bij ’t binnenkomen van Olga. Met enkele vinnige woorden slechts teekende deze het voorval van gisteravond.

Mieke zweeg. Zij dacht aan den blik, die haar de kamer had uitgekeken met zoo onweerstaanbare macht. Zij verdroeg al ’tgeen Olga haar nu kort toevoegde als een opmerking, doch scherp als een mes. Zij verweerde zich niet, Mieke, omdat de woorden haar nog niet over de lippen wilden, omdat zij te overbluft nog was. Zij kón het zich niet begrijpen hoe iemand over zóó iets kleins kon spreken, terwijl toch zooveel machtigers haar wezen vervullen moest.

Nu verscheen ook tante Sophie. Zij had slecht geslapen, vertelde ze, na al de emoties van gisteren; zij leek fanée en kribberig, en Mieke ziende, luchtte zij haar prikkelbaarheid in een positief standje over al de schandelijkheden van den vorigen avond … Met welk een ongeduld wachtte men op de boodschappen!—Mieke kwam maar niet!… Om acht uur nóg geen Tenback! Zoodat Johanna er weer op uit moest worden gestuurd … De heeren waren er stellig reeds een half uur, toen men eindelijk wat presenteeren kon, want de helft had Mieke op de theetafel vergeten … En natuurlijk waren er geen koekjes, die Johanna óók nog moest halen … Het was meer dan [185]erg … Daarenboven, zwart lint ook had Mieke mee moeten brengen, nietwaar? Tante wachtte en wachtte. Ze móést ’t hebben voor haar zwarte japon … Ten laatste had ze haar groene aan moeten doen; het duurde te lang voor Mieke verscheen!—Verwijt op verwijt werd ’t meisje naar ’t hoofd geslingerd. Maar tante’s verontwaardiging bereikte haar toppunt bij het spreken over Mieke’s binnenkomst, waarvan Olga haar verteld had … Zóó’n verschijning! Zóó een nichtje te moeten presenteeren aan iemand als Henri’s vader, aan menschen, aan wie je geparenteerd zult raken! Zij zouden een fraai idee krijgen van de familie, een héél fraai idee … Ze hàd al weinig meegevends, Mieke, maar als ze zóó voor den dag kwam …!

Mieke boog ’t hoofd. Zacht verontschuldigde ze zich, deed een kort verhaal over de dametjes.

Olga keek haar verwonderd aan.

„Bij de Totebelletjes?” riep ze. „Ben je bij de Totebelletjes geweest?”

„Bij de dames Ravenhorst,” zei Mieke verbeterend.

Ik noem ze de Totebelletjes.”

„Ze zijn heelemaal geen totebelletjes.”

„Haha, bij die karikatuurtjes! En om zóóiets liet je ons wachten? ’t Is meer dan erg … Had andere menschen voor haar laten zorgen. Waarom moest jij je juist opwerpen als beschermster?”

„Ik kon de arme juffrouw toch niet in de modder laten liggen,” weersprak Mieke, zich warm voelende worden. [186]

„Komen er bij zoo’n gelegenheid niet dadelijk dienstvaardigen genoeg? Die barmhartige samaritanigheid van jou! Hoort dat ook soms bij je roeping of zooiets? Ons kan je wel zonder gewetensbezwaar in verlegenheid laten.”

Mieke, tot-nu-toe beheerscht, joeg met snelle drang weer de drift naar ’t hoofd. Dus had ze juffrouw Roosje maar in de modder met pijnlijken voet hulpeloos op straat moeten laten liggen, om vooral niet later thuis te komen met die onnoozele boodschappen, of om ’t melkkannetje op de theetafel te vullen? want dat was ’t eenige, wat ze vergeten kon hebben … Deelde Olga dan niets, niets aan anderen mede van haar geluk, zelfs geen medelijden, zelfs geen uurtje tijd aan degenen, die toch voor haar vlogen?—’t Kookte in Mieke als op dien eersten middag, toen zij meende, dat Olga zich voor haar schaamde. Toen echter was ze verontwaardigd, nu leed ze; niet om eigen vernedering, maar omdat ze de ander zoo innig graag wat geven wilde van het rijke liefdegevoel, dat in haar leefde, maar dat de ander afwees als iets minderwaardigs. De tranen schoten Mieke in de oogen bij Olga’s koele woorden over het kleine dametje.

„O!” riep ze in vervoering, „hoe kàn je zoo spreken, als je zelf pas alles gekregen hebt wat je hoopte, zóóveel geluk!” Een snik ontsnapte haar.

„Verbeeld je,” lachte Olga spottend. „Zou ik soms in tranen moeten baden om een totebelletje? Je bent wèl veeleischend, zeg.” [187]

„Geen dispuut asjeblieft,” bitste tante Sophie tot Mieke, ziende hoe deze naar woorden zocht tot bescheid. „Zóó is ’t welletjes voor ’t Kerstfeest. Het ligt anders niet in de lijn hiervan, deze manier van doen van jou.—En is dit ook je felicitatie?”

Toen werd Mieke stil, heel stil. Heur handen trokken samen met klemmende vingers, heur oogen sloeg ze neer; heur mondje, op ’t punt van schreien, vertrok bevende … Kerstfeest!—En Olga’s verloving!… Zij had nog geen woord van verblijding gezegd … In drommen omsingelden ze haar weer, de zelfverwijten. Ze had gefaald; en in plaats van dit te bekennen verweerde zij zich in het wilde met de ongebonden drift, welke haar sedert haar verblijf hier zoovaak nu reeds overmeesterde … Beschaamd en bedroefd stond ze daar weer tegenover zichzelve … Zij schreide vanbinnen. Haar drift brak.

Ze stak Olga langzaam, aarzelend, de hand toe.

„Heel veel geluk,” zei ze zacht, bijna ootmoedig … O, àltijd won Olga den kamp, altijd moest zij, Mieke, zich weer overgeven. Zou ze dan nooit leeren boven zichzelf uit te komen? Nooit een àf mensch worden, wetende wat ze wilde en zeide, en willende, zeggende slechts datgene wat ze zeker wist? Wànneer kende zij nu eindelijk zichzelve? Ze was toch geen klein kind meer, dezer dagen toch reeds achttien. Nog één jaar en ze zou al onderwijzeres zijn, zelfstandig … En nóg beheerschte zij zichzelve niet … O, Mieke had het zoo moeilijk bij ’t innerlijk vechten. [188]

„Ik hoop,” vervolgde ze mat, overwonnen, „dat je nog heel veel goeds wacht.”

„Dank je,” nam Olga de toegestoken hand met een flauw drukje.

Ook tante feliciteerde ze, en oom Egbert, die verstrooid scheen.

Loes stoof lawaaierig binnen, monsterde eens de gezichten en kwam tot de juiste conclusie dat afleiden niets meer baten zou, want dat de bom al gebarsten was vóór zij, langslaapster, arriveerde. In vredesnaam dan maar verder zooveel mogelijk de gevolgen der botsing bemantelen. „Wanneer ging Olga nu naar Henri’s familie? Wanneer zou er receptie zijn?” vroeg ze belangstellend en met zeer veel geanimeerdheid.

Olga antwoordde buitengewoon omstandig. Er ontstonden uitgebreide beraadslagingen over kaarten, visites, de verlovingspartij … En Olga’s jonge, sterke schoonheid ontplooide weer ten volle haar overbluffenden glans met groote onweerstaanbaarheid. De koude, dwingende blik, snerpend als een najaarswind, was gansch-en-al opgelost in trotsche satisfaktie, heur koele, zelfbewuste houding in buigzame lieftalligheid.


Na de onaangenaamheden, dien eersten Kerstmorgen, werd de nasleep hiervan niet zoo groot als Mieke eerst wel vreesde. Elkeen had het te druk met zichzelf of de jong verloofden om zich nu lang bezig [189]te houden met een onbeteekenend persoontje als zij. Men had wel wat anders aan ’t hoofd.

Er kwam veel visite, van wie de meesten zoo’n beetje en sommigen een heeleboel begrepen van de belangwekkende familiegebeurtenis. De fluistergesprekken op mevrouw Van der Hoeve’s ziekenkamer hadden hun uitwerking niet gemist en het publiek geheim veroorzaakte allerhande zijdelingsche grapjes en quasi-vergissingen, zeer tot genoegen der betrokkenen. Ook bij ontstentenis van bezoekers bleef echter nog die roezemoezigheid in huis. Honderderlei dingen moesten bedisseld worden, over niets anders werd gesproken dan over receptie, logé’s, verlovingsfeest, waarover Loes vijf-en-twintig maal achtereen zuchtte.

„Als ik ooit een vrijer krijg,” riep ze één keer uit, toen ’t haar te machtig werd, „als ik ooit een vrijer krijg, laat ik hem aan niemand kijken, een partij geef ik nooit, kaartjes krijgen ze niet en naar een receptie laat ik iedereen fluiten!”

Mama vond Loes ontzettend onbehoorlijk, en Olga ergerde zich méér dàn aan dat „vrijer”—Henri, een vrijer!—doch Loes bereikte niets, want noch mama noch Olga stoorden zich aan de jongste, die nu eenmaal niet in tel was. Mama dacht wel eens zoo bij zichzelf, ’t leek soms of Loes geen kind van haar was, zoo vreeselijk als zij verschilde met de twee anderen, zoo totaal zij al haar moeders lessen in den wind sloeg;—vreemd.

De voorbereidingen schenen eindeloos,—doch [190]hoezeer men den laatsten tijd ook Mieke’s hulp bij alles produktief maakte, thans bleek men van deze niet gediend. Weerde men haar diensten eenigszins om vrijer te kunnen handelen? Heimelijk beschouwde tante Sophie Mieke altijd min-of-meer als een pottenkijkster … Mama kende ook de licht geuite verbazing van dergelijke meisjes. Op een onverwacht moment verspraken zulke kinderen zich en bedierven de zaak. En Egbert keek toch al zoo verschrikkelijk zuinig, den laatsten tijd, alsof hij op ’t punt stond raad te geven om wat te menageeren. Natuurlijk zou je hem wel onmiddellijk van je praktisch overleg kunnen overtuigen, maar kleingeestig gehaspel hierover kon ze nu wel het allerminst gebruiken. Onbekrompen moest men de familie Bogaerts tegemoet treden. Egbert diende te begrijpen hoe heel Olga’s toekomst nauw aansloot bij den eersten indruk, welken de Bogaertsen zouden ontvangen. Olga moest in geen enkel opzicht behoeven onder te doen, voor niemand. Dat had zij nooit gedaan … En mevrouw, met koortsachtige haast en interesse, bereidde den glorieusen tijd, den tijd, waarop ook zij vieren zou den triomf van haar streven. Olga, haar mooiste, haar trots, zou rijk worden en zeer aanzienlijk; ook háár eerzucht en ijdelheid vonden voor eenige oogenblikken hierin volkomen bevrediging … Daarom geen dwarsdrijverij! Het was vrij wat beter, dat Mieke van het fijne van den grootschen opzet niet alles afwist, dan kon zij zich meteen niet vergissen, en behoefden papa of Loes—welke laatste men er ook maar buiten hield [191]met haar geflapuit en haar gezeur soms, „dat vader maar voor de lasten opdraaide”—zich niet noodeloos ongerust te maken.

Mieke werd intusschen dus meer aan zichzelf overgelaten, en als ze zich niet met haar jongste nicht verpoosde op een wandelingetje of in een lees- of babbeluurtje, daardoor weer geheel gerakend in haar levensmanier van vóór tante’s ongesteldheid en „de” merkwaardige gebeurtenis, maakte zij haar vacantiewerk.

En ééns ook, op een avond—de dames Ravenhorst hadden een boodschap gestuurd om haar te inviteeren—was zij bij de dametjes geweest.

Juffrouw Roosje, met geheel genezen voet, die slechts verstuikt bleek te zijn geweest, liep gelijk van ouds als een vlug, trippelend poppetje. Zij kuste Mieke en gaf haar het beste plaatsje aan den haard. Hoe’n kwiek, aardig vrouwtje was zij nu, nu geestig en vroolijk haar oogen twinkelden, vol vreugde het meisje weer te zien. Bij de ergste pijn had ze geschertst, thans, dankbaar voor haar herstel, kwam ze Mieke voor als de levende blijmoedigheid.

Had reeds dien malaise-avond de intimiteit van de omgeving haar invloed op Mieke niet gemist, nu ze zonder onrust van deze genieten kon, was het haar bijna of ze hier hoorde. Zij zei het, en de oude dametjes vonden het heerlijk.

Mieke vertelde haar van thuis, van grootmoeder, en met stroomen ging heur sympathie naar de beide bedaagde vrouwen, die luisterden met warme belangstelling … [192]Zoo blij voelde Mieke zich, als eens, in den goeden tijd, zoo vrij en onbevangen. Van geen enkel woord behoefde zij den klank te bedenken, geen zinsbouw werd bekritiseerd, en—eigenaardig—heur handen beziende, bemerkte zij, dat die volstrekt niet rood waren als op de avondjes bij tante.

Zij vertelde ook van ’t mooie dorp, van de groote boerderij van Wije, van het voorjaar en de wijde luchten, waarover ze vroeger nooit zoo gedacht had, over de ruime vlakten, waarvan ze nooit zóó onbegrensd had genoten als nu, tusschen de hooge huizen in de overvolle straten. En toch, nu zij hier eenmaal was, nu ze het leven van zoo een geheel anderen kant leerde bekijken, kwam er ook hier veel wat haar trok. Indien ze hier weg zou moeten, zou ze gaan met opoffering van veel … Ze sprak over haar bekenden daarginds, die ze nu zoo anders zag dan vroeger. Ze zag ze soms nobeler dan de menschen hier, meer waar en oprecht,—maar ook wist zij, dat zij ze toch nooit weer kon beschouwen als eens, tenminste de meerderheid niet, omdat ze nu wist wat ze, bij hun grootere natuurlijkheid, ook weer misten, en wat ze toch wel gaarne met die grootere ongekunsteldheid vereenigd zou hebben gezien. Niet juffrouw Wije, of dominee Rensen, of Geert,—zij hadden altijd begrepen, wat Mieke nu pas léérde begrijpen, maar Mieke meende de dorpelingen, de meisjes uit de plaats, met wie ze schoolging, en zooveel anderen. Maar dat alles kwam, omdat zijzèlf zoo veranderd was. Zij was zoo half geworden: geen [193]buitenmensch meer en daarentegen toch ook totaal geen stedeling …

Hoe kwam het, dat zij zoo sprak tot deze dametjes? Zelfs met Loes had ze hierover nooit gesproken.

Maar juffrouw Roosje begreep haar heel goed. Juffrouw Roosje beter dan juffrouw Hermance, die maar zoo’n beetje sentimenteel zat te kijken.

„Dat komt allemaal wel terecht,” zei de eerste, „als je maar door deze moeilijke periode heen bent gegroeid. Er komen in ’t leven nu eenmaal vóór en na van die gedeelten, die je worstelend moet overwinnen, zoo goed en zoo kwaad het gaat, vooral ook onmin met jezelf. Maar je moet nooit wanhopen, al begrijp je ook niet waarvoor al die strijd noodig is,—tót je nu-en-dan stilstaat en terugblikt op den afgeloopen weg van een hoogte, die je bereikte. Dan pas overzie je duidelijk wat je geleerd hebt, en je bent blij met wat je verwierf. Je hebt leed gekend en strijd, maar je bent grooter geworden in begrijpen en gevoelen; je zoudt toch niet weer terugwillen. Je zoudt niet alles wat je leven breeder maakte en rijper willen missen, zoo je het maar gemakkelijker hadt gehad. Je bent gegroeid: als mensch.”

Juffrouw Hermance zat maar vriendelijk te knikken. En juffrouw Roosje vervolgde na een poos van stilte: „Als je maar eerst zoover bent, dat je onafhankelijk kunt doen en laten wat je wilt. Je vertelde me zooeven, dat je oom je kapitaaltje beheert. Nu, zoodra ik een plaats als onderwijzeres gevonden had [194]en meerderjarig was, zou ik zelf willen doen; ik zou heelemaal vrij willen staan, en dan den weg volgen, dien ik meende, dat ik volgen móést. Maar voorloopig moet je niet anders doen dan trachten te houden van alles wat in je omgeving daarnaar vraagt. Je bent nu in Amsterdam en nu moet je ook van Amsterdam houden.”

„Ja,” sprak juffrouw Hermance, „dat zeg ik ook.”

„Wij,” vervolgde juffrouw Roosje op haar zachten, zekeren toon en op haar vriendelijke, doch zeer gedecideerde manier, „wij, Mance en ik, zijn hier vastgegroeid, geboren en getogen, maar toch zijn we daarom niet bevooroordeeld voor deze stad. We hebben er niet alleen gewoond, maar ook geleefd: genoten en geleden. En overal waar je dat gedaan hebt is de omgeving je dierbaar. Zoo moet jij het ook leeren beschouwen. Dat is moeilijk als je jong bent, heel moeilijk, maar je moet ’t toch probeeren.”

„Ja,” zei Mieke, schuchter instemmend, „het is heel moeilijk.”

„Liefje,” vervolgde juffrouw Roosje, haar mager, gelig handje op Mieke’s blank, roze pootje leggend en dat drukkend, „je moet niet slechts zien, maar ook bewaren. Als wij van ons huisbezoek in de achterbuurten thuis kwamen heeft al het moois, wat we daarna zagen, ons dikwijls zóó versterkt, dat we wel eens tot elkander zeiden: „Goddank, dat het zien van zooveel schoons ons lust en moed geeft tegen het leelijke te blijven strijden.” [195]

„O, dikwijls heeft ons dat versterkt,” beaamde Hermance met een ernstig mondje.

Mieke herinnerde zich heur blijde avondwandeling, en het werd zéér licht in haar.

„Zooals jij houdt van je dorp, zoo houden wij van onze stad, omdat wij haar kennen zooals jij je dorp kent, kind. Niet om de groote modepaleizen of de restaurants, niet om de prachtige gebouwen of breede verkeerswegen houden wij van haar, maar we houden van alles erin, van de groote en kleine grachten, waarlangs wij al liepen met onzen goeden grootvader, van alles en alles in deze stad houden wij, omdat we ermee zijn samengegroeid.” Juffrouw Roosje raakte in vuur. „Ik houd ook van de achterbuurten,” ging zij voort, „omdat ik houd van de menschen, die daar werken en lijden, en die ik maar zelden zoo’n héél klein beetje helpen kan.”

„Wij zijn Menist,” sprak Mance verduidelijkend. „Hoofdzakelijk is ons huisbezoek bij Menisten, maar ook toch wel bij anderen.”

Roosje maakte een afwerend gebaar. „Wat doet het ertoe wat we zijn, als we maar doen wat we kunnen, misschien verkeerd, misschien goed. Wie kan ’t zeggen?… Maar wáár je bent, leef daar met je hart, en overal zal ’t dan goed wezen, voor jezelf en anderen.”

De drie zwegen weer eenigen tijd. Mieke vond „haar eigen dametje” toch zoo best! Zij kwam Mieke voor de meest verstandige te zijn van beiden, de leidster. Juffrouw Hermance leek meer passief, minder [196]levendig ook … „Och,” zei juffrouw Roosje zacht, toen haar zuster even buiten ’t bereik was, „zij heeft ook zooveel geleden, Hermance.” Juffrouw Roosje sprak zéér teeder over de ander nu, wier klein gezichtje inzonk bij ’t luider ophalen der verdrietige herinneringen. Toch liet juffrouw Roosje haar het verhaal doen van haar leven, wat Mance gaarne scheen te willen … Mieke wist nog niet dat dit het eenige verhaal was, dat juffrouw Mance ooit vertelde. Zij wist nog niet, hoe juffrouw Roosje steeds elkeen trachtte te bemoedigen met een opsomming van ’t schoone van ’t heden, terwijl juffrouw Mance als tegenstelling gaf het lieve van ’t voorbijgegane.

Zij was de bruid, juffrouw Mance—heur schor stemmetje leek nog meer omfloersd dan anders—en juffrouw Mance was een-en-twintig jaar, toen haar liefste stierf en zij de bruid blééf … Arme juffrouw Mance! Benijdenswaardige ziel, die vier-en-vijftig jaren lang het ideaal bleef behouden, dat ze thans de gelukkigste vrouw ter wereld zou zijn geweest, zoo niet de wreede dood die hoop had vernietigd … Want niets gebeurde er in haar leven sindsdien. Zij teerde nóg op dat geluk, teerde nóg op dat verdriet, het eenig ingrijpende in haar leven.—Jaren en jaren was het nu reeds verteerd, juffrouw Mance kon zich bijwijlen niet eens goed meer een voorstelling maken van den dierbaren afgestorvene, maar ze zei dit nooit. Het zou haar heiligschennis geleken hebben. Z’n portret was verbleekt, z’n stem uit haar geheugen, de pijn om z’n gemis weg uit haar hart,—[197]maar toch, zij treurde, koesterende haar vergaan ideaal met uitgedoofd verlangen. Roosje hielp haar, treurde mede op dagen van herdenken, luisterde altijd weer opnieuw met even groot geduld … En om de beide oude vrouwtjes spon de tijd een lieflijk waas van zachte romantiek.—

Juffrouw Roosje meende nu Mieke ook wat te moeten opvroolijken. Wel foei, den heelen avond moraal en treurige geschiedenissen ging niet aan! Dan zou Mieke wellicht nooit terugkomen!—En nu kwam er een ander bedrijf uit beider jeugd … Pas naderhand ervaarde Mieke, hoe ook dit verhaal een wederkeerend was,—doch het deerde haar niet.

Toen zij verteld had van dominee Rensen, sprak ook juffrouw Roosje van haar godsdienstonderwijs. Hoe jong reeds leerde zij heele Bijbelhoofdstukken en teksten, psalmen en gezangen op haar grootvaders uitdrukkelijk verlangen uit het hoofd. Nergens stelde de oude heer zóóveel belang in als in deze lessen betreffende de grondbeginselen des Christendoms bij z’n kleinkinderen. Des Zondags moesten juffrouw Mance en juffrouw Roosje haar wijsheid bij hem komen luchten om beloond te worden met gaven in den spaarpot, waar, zooals juffrouw Roosje zei, heur hart als braaf kind, niet naar uitging … Heel heur gezichtje zag guitig en kwam vol oolijke rimpeltjes onder ’t grappig vertellen uit haar kindsche jaren … Ja, zij was heusch een zóét kind geweest, èn zich dit bewust. Ze had niet voor niets Van Alphen’s versjes van buiten geleerd, en voelde zich [198]diep doordrongen van: „Geen geld bekore ons jong gemoed, maar heiligheid en deugd …” Ach, tóén werd men misschien dikwerf wat met deugdzaamheid overladen, nu mist men ’t streven ernaar wel eens noode!… Maar enfin … Juffrouw Roosje zei dan, dat ze werkelijk een braaf meisje was geweest en niet dàcht aan grapjes, wanneer ze bij grootvader haar wekelijksche proeve aflegde van kinderlijke stichting. Maar, zooals kinderen vaak op den klank nazeggen wat zij hooren, zonder zich rekenschap van den zin te geven, had ook zij met de mede-leerlingen op school den meester nagesproken het godsdienstig gezang, ’twelk die week aan de orde was … Daar stond zij op zekeren Zondagmorgen voor grootvader, de kleine meid, in het korte jurkje, waaruit het lange, gesteven pijpenbroekje met het fijne borduurseltje getuigen aflegde van moeders keurigheid; helder witte kousjes had zij aan en zeer, zéér glimmend gepoetste knooplaarsjes. Daar stond zij, het gezichtje opgeheven, de handjes op den rug, en na diep te hebben adem gehaald begon zij ernstig:

„Rijksdaalder met een bol gezicht,

De zondvloed tijdig neder …”

En de arme, brave Roosje werd in den hoek gezet om zóóveel goddeloosheid! Wel foei, zùlk een scherts!

Nóg lachte het oude dametje. Ook juffrouw Hermance lachte, maar van juffrouw Roosje’s kleine gezichtje was niet één centimetertje zonder rimpeltjes of deukjes, en traantjes drupten op haar pensée japonnetje. [199]Ach, haar godvruchtig zieltje had niets dan zoet-zijn en leerzaamheid gewild, en het gezang:

„Reeds daalt met een omwolkt gezicht

De zon vroegtijdig neder …”

had toch waarlijk ook in den uitspraak van den rijksdaalder met het bolle gezicht en den tijdigen zondvloed haar plechtig en verheven in de ooren geklonken.

Mieke schaterde. In lang had zij zoo hartelijk niet gelachen. „O,” vroeg zij, „zou Loes ook eens mogen meekomen en wilde de juffrouw het haar dan ook eens vertellen?”

De dametjes-zelf genoten niet het minst van dit succes. Welk een dankbaar gehoor! Zoo weinigen hadden tegenwoordig tijd om naar oude menschen te luisteren; iedereen had zoo’n haast … Ze vonden het een kostelijken avond.

Toen Mieke naar huis ging was ze voldaan en héél blij. Ze zou dolgraag terugkomen … Zou ze niet blij zijn? Ze wist nu zeker, dat ze twee vriendinnen rijker was geworden en al waren dit nu een paar heel oude, ouderwetsche dametjes, wat hinderde dat?

Loes vond ’t éénig ook eens mede te mogen.

„Wat hebben zulke kinderen nu bij mogelijkheid dáár!” riep Olga minachtend. „Eéns ben ik per ongeluk bij de Totebelletjes boven geweest, maar ik hield ’t er geen vijf minuten uit. Je besterft het van verveling.” [200]

Mieke antwoordde niet. Zij dacht erover hoe eigenaardig die kennismaking tot stand kwam, door hindernissen en onaangenaamheden. En dikwijls, heel dikwijls nog zocht ze de vriendschap der dametjes, vond ze bij haar evenwicht en raad. Maar over dien raad later. [201]

[Inhoud]

HOOFDSTUK XII.

ASSCHEPOESTERTJE.

Begin Januari werd Mieke achttien jaar. De verjaardag ging in alle stilte voorbij, en behalve door eenige cadeautjes en brieven, welke ze kreeg, was er weinig verschil merkbaar tusschen dezen dag en andere. Toch verheugde zij zich om enkele dingen. Loes had haar verrast met een aardig boekenstandaardje, en oom Egbert met „Armoede” van Ina Boudier, iets wat tante Sophie erg duur en overdreven vond. Mieke had van haar toch al zes zakdoekjes! Zoo’n boek er nog bij was heusch onnoodig, vond ze. Maar ze bedacht, dat Mieke tijdens en na haar ziekte eigenlijk heelemaal geen aardigheidje van haar gekregen had—ofschoon Mieke een feitelijke belooning indertijd min-of-meer verspeelde dien avond van haar „redding van drenkelingen”, zooals Olga haar hulp aan juffrouw Roosje spottenderwijs betitelde—dus maakte mevrouw Sophie haar man maar geen al te groot verwijt van die „maltentigheid”, die ze bij hem voor het nichtje waarnam de laatste dagen. Met dat al hinderde het haar toch eenigszins te gelooven, dat hij Mieke bijwijlen eenigszins scheen te willen voortrekken. Hij kon soms zoo bespottelijk belangstellend naar haar oordeel luisteren en later, op ongelegen [202]oogenblikken, terugkomen op wat zij gezegd had … Enfin, daar maar niet te veel notitie van nemen was het beste. Mevrouw, van haar kant, was blij met Januari het driemaandelijksch kostgeld van Mieke te ontvangen bij het gewone huishoudgeld, nu ze met Olga’s verloving zulke groote onkosten had, die ze daarmee wel nog lang niet heelemaal kon bestrijden, maar dat haar toch heel aardig hielp bij de allerdringendste uitgaven. Vandaar dan ook haar toegevendheid op den verjaardag bij vaders lichtelijk verwennen van Mieke.

Juffrouw Wije schreef haar ex-buurvrouwtje een hartelijken brief over alles wat haar belang kon inboezemen. Haar korte zinnen waren duidelijk en welsprekend, zooals geheel haar persoon. En Mieke frischte op van dien brief als van een blijden voorjaarsdag.

Haar lessen waren nu ook weer begonnen en haar dagen zouden weer hun gewonen gang van vóór tantes ziekte zijn gegaan, wanneer niet langzamerhand haar hulp in velerlei thuis weer dienstig werd bevonden. Boodschapjes in allerhande richtingen werden noodzakelijk naarmate de groote dag naderde van Olga’s receptie; massa’s kleinigheden, die tijd en vaardigheid vereischten, moesten worden afgedaan, en in heel wat van deze tegemoetkomingen bleek Mieke, gewend als men geraakt was aan haar vlugheid van begrip en handigheid, niet te vervangen. Dus keerde, na eenige weken van betrekkelijk gemak, de drukte weer voor haar terug. [203]

De receptiedag werd een ontzettend ingespannen. Mieke vroeg zich af waarom men zichzelf eigenlijk die penetentie oplegde van uren achtereen te staan en te glimlachen, terwijl ieder, die tot de familie behoorde, toch onomwonden verklaarde het afschuwelijk te vinden. Allen te samen vormden een schitterenden stoet van fraai gekleede menschen met Olga als brillant middelpunt, en elkeen leek zich, niettegenstaande zijn eigen tegenspraak, zeer verheugd en prettig te gevoelen … Mieke begreep dat weer niet … Zij stond nevens allen, on-thuis, verlangend naar het einde, moe van het langstrekken dier vele bekende en onbekende gezichten, met hoofdpijn van de zoete geuren in de met bloemen overladen suite.

Olga in heur soepel wit zijden japonnetje, op heur gezichtje een trekje van hooghartige minzaamheid en zegevierenden trots, was sprookjesmooi naast Bogaerts, den in stille verrukking haar bewonderenden prins, z’n knap, wat onbeduidend gelaat in stereotiep welwillenden glimlach naar de gelukwenschenden gekeerd. De pa’s spraken gemeenzaam doch uiterst correkt en met beschermend handgebaar van bezadigde mannen tot de gaanden en komenden. De ma’s, meer gereserveerd, meer-of-minder innemend hoofdneigende onderhielden zich met de diverse bezoekers naar hun aanzien of rang op eveneens meer-of-minder vriendelijken toon. De gasten zeiden lieve en vleiende dingen en bewonderden om strijd de prachtige bloemen, en algemeen vernam men ’t oordeel, dat het „een magnifique dag” was, hoewel met een [204]zucht van verlichting hunnerzijds de huisdeur zich achter hen sloot.

En des avonds volgde een diner.

Mama had dit, ook al op uitdrukkelijk verlangen harer oudste dochter, buitenshuis gewild, en vader stond voor een fait-accompli toen hij hieromtrent bezwaren maakte. Bijna ontstond daarover een zóó groot meeningsverschil tusschen meneer en mevrouw als de kinderen nog nooit hadden meegemaakt. Oom Egbert toonde zich nog zelden zóó ontstemd omdat er nu niets meer aan te veranderen viel … Was een partijtje aan huis niet goed genoeg? Waarom zulk handen vol geld weggegooid voor noodeloos vertoon? De tegenwoordige tijd was er waarlijk niet naar om zulke uitgaven, reeds bij een verloving, klein te achten. Wat dàn als Olga trouwde?

Doch tante Sophie bepleitte haar goed recht met niet onverdienstelijke scherpheden. En Olga liet mama dezen keer maar alleen de kastanjes uit ’t vuur halen. Zij had haar zin. Waar diende ’t voor zich nog verder te verontrusten?

Mama betoogde, dat dit dinertje heusch zooveel kostbaarder niet was dan een partijtje thuis. Slechts petit-comité inviteerde men … Loes, als zusje, kon niet gemist, maar op Mieke bij voorbeeld had men niet gerekend … En méér zoo … Zag Egbert nu niet in, dat men op die manier op stellig de helft minder uitnoodigingen kwam?

Maar oom Egbert scheen hardleersch, dien keer. Hij ontstak in toorn. Tante Sophie, gewend aan z’n [205]goedige lijdzaamheid en zijn afkeer voor onaangenaamheden en gekibbel, stond eenige oogenblikken verslagen.

„Dus eigen moet wijken voor vreemde snoeshanen?” viel hij uit, tante Sophie herinnerend door dien uitval aan de dagen in het begin van haar huwelijk, toen Egbert nog zoo weinig gepolijst was en zoo dwars tegen den man in kon gaan. Zij ergerde zich onzegbaar. Foei, hoe ruw en grof!

„Vreemde snoeshanen?” en in haar toon lag Olga’s korte ironie.

„Dat kind,” ging hij voort, „dat zooveel gemak in huis geeft en ons zooveel diensten bewijst en dat toch ook betáált …”

„Cht! Cht! Wat ik je verzoeken mag,” sprak mevrouw Van der Hoeve met krachtig afwerend handgebaar. „Ik begrijp heusch niet wat je mankeert opeens, Egbert. Ik heb heel goed bemerkt, dat je den laatsten tijd wat zenuwachtig bent, maar nu kan ik dat toch werkelijk niet langer tot een excuus aanvoeren, als je zóó begint … Het zou wat moois zijn als wij eens niets dan last hadden van Mieke. Waar ze genoeg bezit zou het wel méér dan dwaas wezen haar rente op rente te laten leggen en haar niet haar eigen onkosten te laten dekken. Blijft haar daarna niet nog genoeg over om hier te waardeeren? Of houdt dat eenig verband met haar presentie op ’t diner?… Ik geloof zelfs niet, dat je er haar een dienst mee doet zoo voor haar in de bres te springen op zoo’n allerongelukkigst moment. Ze wil niets liever [206]dan thuisblijven. Vráág het haar!… En dan: onderhield ze bij je moeder niet het heele huisje? Ze doet gráág wat in de huishouding.”

Oom Egbert zag reeds heel spoedig na tante Sophie’s beginnen het nuttelooze in van zijn tegenwerpingen … Was het waar, dat hij Mieke geen dienst bewees met zoo te spreken?… Mevrouws positieve woorden verrasten als altijd zijn immer dralende beweegredenen en verdreven die weder successievelijk naar den achtergrond, hoewel niet zoo vlug en gemakkelijk als gewoonlijk. Het ging hem aan ’t hart het kind te moeten achteraf-zetten, waar hij kort tevoren zoo een overgrooten dienst van haar ondervond,—zij het er dan ook één door haarzelve en door anderen ongeweten … Had een deel van haar kapitaaltje, door hem beheerd, hem onlangs niet uit een hoogst penible geldverlegenheid gered, nadat hij eenige dagen met de handen in het haar gezeten en over een veilige oplossing afmattend had zitten piekeren? Maar dat kon hij natuurlijk aan niemand vertellen, dat behóéfde hij ook niet aan iemand te vertellen, want de zaak was al lang weer in orde: hij had het geld onmiddellijk weer aangezuiverd, toen de slimme dagen voorbij waren … Doch dat men dit kind, dat hen allen—onbewust, maar nochtans—eigenlijk gered had, dat men haar niet alle vergoeding gaf, welke haar daarvoor toekwam, het begon hem te steken, te verwijten, het vergrootte ook zijn angstgevoel voor een niet onwaarschijnlijke herhaling van een nieuw tekort, dat wederom dreigde. [207]Moest Mieke’s onvoorwaardelijk vertrouwen dan wederom den tol betalen voor hen, voor hen-allen? Ach, als eerst Olga maar goed-en-wel getrouwd was en Erik afgestudeerd dan zouden z’n uitgaven zeker tot de helft verminderen, maar den laatsten tijd leek het alsof men dacht, dat hij het geld maar van een boompje schudde, terwijl men toch eens begrijpen moest hoe moeilijk het zaken-doen werd tegenwoordig.

Z’n hoofd vol bezwaren op allerlei gebied, werd hij inmiddels gecomplimenteerd door allen, die prijs stelden op Olga’s gunst. De Bogaertsen muntten uit in voorkomendheid, wat zéér diende te worden geapprecieerd. Olga pakte allen dan ook onweerstaanbaar.

En op het diner, te midden harer aanstaande familie, harer vrienden en vriendinnen, zwaaide Olga gracieus heur tooverstaf. Zoo geestig en opgewekt, zulk een buitengewoon begaafd gelukskind kreeg men zelden te vereeren. Wèl vond Tilly Mertens haar wat medelijdende neerbuigendheid ongewoon en eenigszins pijnlijk toen ze vroeg, „of het werkelijk waar was, dat ze plan had haar studie op te geven om de kinderen van haar gestorven zuster op te voeden?”

Tilly’s leelijk gezichtje straalde toen ze deze vraag bevestigend beantwoordde en zei ’t heerlijk te vinden een doel te krijgen om voor te leven.

„Je lijkt Mieke wel,” lachte Olga een weinig spotachtig. „Wel zielig voor je om er je studie voor te moeten laten varen.” [208]

„Zielig, o neen,” weersprak Tilly blijmoedig.

„’t Is toch zonde van je knappe werk. Je hadt al zooveel bereikt.”

„Beklaag me maar niet,” verdedigde de ander vroolijk haar voornemen; Olga’s manier-van-spreken drukte haar even, maar opgewekt herstelde zij zich. „Wie weet bereik ik nu niet veel méér dan een doktoraal.”

Olga gaf haar een tikje op den arm, echter op minder amikale wijze dan toen Tilly gold voor „de meest eminente” onder de vriendinnen. Dégradeerde Tilly zichzelve niet tot een doodgewoon sloofje?… Jammer. Niets in Olga’s geest. Ze hield nu eenmaal niet van menschen, die beneden een zeker niveau, wat haar niet aanstond, leefden of terugvielen. Als zij het vooruit geweten had zou ze Tilly maar liever in plaats van op dit diner op het onder-onsje thuis hebben geïnviteerd.

Tilly informeerde belangstellend naar Mieke. Zelf nu van gansch andere gedachten vervuld dan tijdens haar vroegere bezoeken bij de Van der Hoeve’s, voelde zij zich bij het noemen van Mieke’s naam deze plotseling naderkomen.

„Zij bleef liever thuis,” zei Olga met afdoende beslistheid. „Ze houdt niet van festiviteiten als deze.”

Loes, die wat achteraf stond, ze was knorrig en had het land ondanks de grapjes van Bogaerts’ jongsten broer, dien ze „een mispunt” vond, Loes schamperde ertusschen: „Ze is ook niet gevráágd. Ze is immers onze Asschepoester.” Haar oogen toornden. [209]Toen werd ze heftig even. „Maar als er ooit,” flapte ze uit, „een glazen muiltje verloren is, zal ’t háár passen. Háár voet is de kleinste,—ze is de beste van allemaal!”

De heer Van der Hoeve, die in de nabijheid het gesprek onwillens verstond, keerde zich wat gejaagd en met een korte wrevelbeweging af … Hij was wat bleek geworden … Was het Asschepoestertje in zijn oogen niet reeds verheven boven den schoonen schijn van dit feest? Wist hij het niet allang, dat het muiltje haar paste?… Wat haperde er toch in hem?… Waarom was hij niet even verheugd als Sophie, als iedereen?… Was Olga dan z’n trots niet meer, zijn bewonderde oogappel?… Behoefde hij zich nog om gepasseerde kleinigheden ongerust te maken? De kleine som, die hij van Mieke’s kapitaaltje leende, stond immers reeds weer voor haar vast? Alles was nu toch weer in orde, goed, deugdelijk in orde?… Nu dan! Wat behoefde hij dan zoo te malen over glazen muiltjes en Asschepoestertjes?… Buitendien, ’t kind zei toch zelf niet eens graag te willen naar het diner.

Hij keek rond en zag hoe allen zich sterk voelden en hoog, vol eigendunk en trots, en hijzelf ook deed mede, trotsch en vroolijk en eigendunkelijk. En mama knikte hem van verre toe, omdat hij toch wel een goede, beste man was, als ’t erop aankwam, en vreeselijk inschikkelijk … Maar met dat al bleven Loes’ woorden dreinen in zijn hoofd, ondanks toosten en gelach.

En Asschepoestertje zat welbehaaglijk bij haar [210]oude tooverkolletjes, met doodgewone, waterdichte laarzen aan en ze dàcht niet aan glazen muiltjes, die haar konden passen en de eerekroon konden doen verwerven. Zij luisterde weer naar het verhaal van den rijksdaalder met het bolle gezicht en den tijdigen zondvloed, en naar nog eenige dergelijke jeugdvertelsels, en ze bekeek portretten uit de oude doos, van dames met crinolines en meisjes met tournures, ze amuseerde zich best en voelde zich tevreden en veilig en heelemaal bijkomen na den vermoeienden receptiemiddag. Haar linkeroor gloeide niet eens, zoodat ze zelfs geen flauw vermoeden had, dat men zoo gedurig over haar nadacht als oom Egbert deed, dien avond. Zij had er niet het minste idee van hoe hij met herhaaldelijke zelfkwelling zich haar eenzaamheid herinnerde, niets vermoedend van haar tevredenheid.

Pas bemerkte zij dat ze niet vergeten was, toen ze, reeds in bed liggend en half in dommel, gewekt werd door Loes, nog in partijjurk, zittend op den rand van haar ledikant. Zij had het licht aangestoken en spreidde nu op de deken alles uit wat ze meebracht.

„Hier, voor jou; allemaal voor jou. Ik heb zooveel gekaapt als ik kon van ’t dessert, chocolaadjes en bonbons,” zei ze.

„Loes, táárt?”

„Ja, natuurlijk, taart ook. Gevraagd aan den kellner, een piekfijne met een kuitenbroek, geloof ik. Hij heeft het zelf voor me in een papiertje gedaan, toen ik zei, dat ’t voor een vriendin van me was. Zoo’n [211]lieve man! Voor niets nog al. Ik had niet eens een fooitje.”

„Maar Loes!”

„Eet nou op. Alles … Lekker?”

„Ja, fijne dingetjes.”

„Was ’t aardig bij de Totebelletjes?”

„Ja … En bij jullie?”

„Ze vonden ’t allemaal dol.”

„En jij? Was ’t heerlijk?”

„Och … heerlijk? Neen … niet heerlijk.—Is vader niet ongedurig, Mieke?” ze vroeg het angstig opeens.

Mieke schrok van Loes’ plotse onrust.

„’k Heb niet gemerkt,” zei ze, even ontsteld. „Hoe zoo?”

„Ik weet niet …”

„Niet tobben, Loes. Je hebt je wat druk gemaakt vandaag.”

„Dat zal ’t zijn,” bevestigde Loes, hangerig. „Dat iemand zooveel inspanning nu noodig vindt bij de liefde, hè?” Ze gaapte, en Mieke gooide een chocolaadje in den geopenden mond.

Toen lachten ze allebei.

„Als wij es gaan trouwen moeten we niets van dien rompslomp hebben, is ’t wel?” vervolgde ze, alweer monterder, grappig gesticuleerend, opstaande van den bedrand met het restje van haar lust.

„Ik denk van niet,” stemde Mieke in. „Als … àls … misschien nooit.” [212]

„’t Wordt kritiek, ’t onderwerp. Laten we maar gauw ’t licht uitdoen, anders gaan we nog blozen … Hèb je je neus al in ’t kussen, Miek?… Nu dan, wel te rusten, lief Asschepoesje.”

„Waarom Asschepoesje?” Mieke draaide ’t hoofd naar ’t uitploffend gas.

Loes kwam nog even met een vaartje naar haar toe en een zoen verdwaalde op Mieke’s haar.

„Daarom,” zei ze,—en ze ging. [213]

[Inhoud]

HOOFDSTUK XIII.

MIEKE ONTVANGT BEZOEK.

Na de schitterende verlovingspartij braken er voor Olga en Bogaerts drukke weken en dagen aan van logeeren en visites, maar voor de familie Van der Hoeve ging het gewone leven toch weer z’n oude gangetje. Dus ook voor Mieke.

Olga was den eersten tijd na het publiek worden van haar engagement veel van huis geweest, zoodat haar groote schare kennissen zich minder ten huize der familie vertoonde. Wel kwam hierin eenige verandering toen zij de colleges weer regelmatig volgde, omdat zij van den zomer nog haar candidaatsexamen wenschte te doen, maar het leek toch alsof zij niet meer zóó’n belangwekkend middelpunt was van haar kring als vroeger. Trouwens zij verlangde dit ook niet meer te zijn; haar wenschen gingen nu meer-en-meer in een andere richting.

Het was daarom na de groote gebeurtenis van het engagement veel saaier geworden bij Van der Hoeve, want ook Erik kwam slechts sporadisch opdagen, zeer tot z’n moeders grief om zooveel onachtzaamheid. Maar hij verontschuldigde zich om drukke studie. [214]

Mieke betreurde die kalmer entourage niet, daar de bereddering van den aanloop grootendeels op haar neerkwam, en ook al omdat ze nu minder dan voorheen, door Olga’s vake afwezigheid, haar opmerkingen te verwerken kreeg. En Loes betreurde het evenmin.

Tante Sophie evenwel klaagde steen en been te zullen doodgaan van verveling nu haar eigen kinderen haar zoo aan haar lot overlieten en nu Egbert altijd zoo gejaagd weer òf naar kantoor moest òf op z’n kamer ging zitten pennen als hing z’n leven af van al de mogelijke en onmogelijke brieven, welke hij zat te schrijven of niet te schrijven. Want van dat „werken” van Egbert geloofde tante Sophie niet veel. Als zij hem onverwachts verraste deed hij dikwijls niets … Hij werd ook zóó zeurig tegenwoordig, óúd … Tante Sophie vond het een naren, vervelenden boel in huis, en ze had nog al juist zooveel meerder gezelschapsleven verwacht. Maar neen, ieder ging tegenwoordig z’n eigen kant uit, en wat kostte dit handenvol geld! Zelfs mama zou, als het zóó voortging, maar blij wezen als Olga goed-en-wel de studie had vaarwel gezegd en nog een poosje rustig thuis kwam om dan aan de inrichting van haar huis te beginnen … Egbert had er laatst eens heel ernstig met haar over gesproken en after all moest ze hem nu eigenlijk gelijk geven … Zeker, (mama keek hoogst serieus), ze waren nu eenmaal geen menschen van groot kapitaal zooals de Bogaertsen. Het kantoor ging uitstekend, dat zei Egbert [215]uitdrukkelijk, ofschoon natuurlijk soms wel eens iets minder, doch dat kwam door omstandigheden, die zich wel weer herstelden mettertijd. Maar overleg moest er zijn!… Dit beaamde mevrouw volkomen, te meer nu ook haar kas leemten vertoonde, die nog nooit zóó groot waren geweest als thans … En zij zegde Egbert beslist meerdere zuinigheid toe, tevens beloften om ook Olga terecht te wijzen met het oog op de aanstaande enorme onkosten bij haar huwelijk. Want dit moest toch de kroon zetten op alles! Dat was dan ook het laatste … Niettemin het maakte mevrouw Sophie wel zéér nerveus, al dit gezeur … Ze hield maar weer eens voor een poosje wat langer ’s morgens haar kamer, nam een rustkuur.

Er kwam na den neerval, die volgde op den zoo glorieusen tijd, echter eenige opleving toen Olga slaagde voor haar candidaats en toen Bogaerts promoveerde, wat weer ettelijke dinertjes tengevolge had. Tante Sophie werd die dagen weer geheel de oude … Loes’ overgang naar de vierde van de H. B. S., evenals Mieke’s bevordering naar een hoogere klasse, raakten op den achtergrond bij deze veel beduidender gebeurtenissen.

Mieke-zelf en Loes verblijdden zich echter zeer, en ook oom Egbert toonde zich hoogelijk tevreden. Mieke schreef een verheugden brief naar juffrouw Wije, zich verwonderend, dat ze daarop maar geen antwoord van de boerin kreeg. Tot het haar op een goeden morgen in ’t begin van September gebracht werd. [216]

Betje had „een meneer voor juffrouw Mieke” in het salon gelaten.

Met kloppend hart meende het meisje dominee Rensen te zullen ontmoeten, maar diep blozend stond ze tegenover de groote gestalte van Geert Wije, die in de stad moest wezen en nu zijn moeders groeten en gelukwenschen kwam overbrengen.

„Je bent groot geworden, Mieke, slanker en langer,” vond Geert, haar monsterend, en z’n zware stem klonk vreemd sonoor in het volgepropte salon, evenals zijn gestalte er wat eigenaardig aandeed. Hij keek eens rond met een vroolijk: „En leef jij nu hier, in zooveel deftigheid en pracht? Ben je nou niet héél erg de lucht in gegaan, meisje? Wil je je eenvoudige buren nog wel aankijken, zeg?”

„O, meneer Geert,” riep Mieke met tranen van vreugde in de oogen, „dat moet je niet zeggen. Ik ben toch zoo blij weer eens iemand van thuis te treffen,” geheel sprekend in den trant van vroeger. Zij voelde zich weer heelemaal kind naast Geert, niet de jonge dame, die men in haar had willen doen ontwaken,—die ook ontwaakt wàs, successievelijk.

„Zoo, zoo,” zei Geert, veel bedaarder opeens en langzaam, niets spottend meer, „nou, dat is dan best. Ik ben er wel eens bang voor geweest, moet ik je eerlijk zeggen, dat we niet goed genoeg meer voor je zouden zijn als je zoo schreef van al die deftige menschen.”

Zij mat hem eens: z’n hooge gestalte in ’t donkerblauwe pak, ’t bruin verbrande, open gezicht met de [217]klare, blauwe oogen, die haar zoo vriendelijk, doch ook wel wat wantrouwend aanzagen,—en ze stak hem spontaan heur hand toe, ontroerd.

„Jullie hoeft nooit bang voor me te wezen,” zei ze. „Ik heb geleerd van veel hier te houden, maar ik blijf een buitenmensch, altijd.”

„’t Is waar,” zei Geert, „zoo ging ’t ook mij. Ik ben en blijf een boer, ik kan er niks aan doen.” Het leek alsof er een verontschuldiging in die woorden klonk. Ze troffen Mieke niet aangenaam.

„Maar,” vervolgde hij, „ik praat over mezelf. Ik zal je vertellen van moeder en mevrouw Bos.”

Mieke’s gezichtje glunderde van interesse. Nu kwam ze eerst geheel op dreef, zoo echt op dreef als in geen jaar … Was Jans nog op de boerderij en Trijn?… Allebei nog?… En oude Thijs?… Ook?

Maar nu vroeg Geert naar háár leven … Wat moest Mieke daarvan zeggen? Het was heel gewoon: elkeen was goed voor haar, zei ze … En ze kwam ook nog bij twee aardige, oude dametjes, met wie ze vriendschap had gesloten …

Ja, dat wist Geert allemaal … En wat dacht ze te gaan doen als ze het volgend jaar door haar examen kwam? Bleef ze dan in de stad?

„Dat zal afhangen van ’tgeen oom Egbert vindt. Tante wil mij voorloopig wel graag hier houden, denk ik.”

„Voorloopig? Wat is voorloopig?” vroeg hij.

„Tot ik meerderjarig ben en doen en laten kan wat me zelf ’t beste lijkt.” [218]

„En dan? Daarna? Wat begin je dan?”

„Dan …? Dan wil ik eerstens oom vragen mijzelf het beheer over mijn geld te geven.”

„Natuurlijk. Je krijgt daarvan zeker nu nog geen verantwoording, is ’t wel?” hij vroeg het onderzoekend.

„Neen,” antwoordde zij, eenigszins verwonderd over de wijze, waarop hij de vraag stelde. „Dat hoeft nu natuurlijk nog niet. Maar zoodra ik een-en-twintig ben wil ik heelemaal onafhankelijk zijn om mij te vestigen, en zóó te vestigen als ik mij dat voorstel. Ik zou het liefst buiten in een mooie streek een school zoeken en me daar aardig een kamer inrichten bij vriendelijke, eenvoudige menschen. Ik zou dan Loes bij me te logeeren vragen en de kleine dametjes, en dan echt willen meeleven met de kinderen.”

„Zoo,” zei Geert, belangstellend luisterend. Hij knikte haar glimlachend toe, zooals een verstandige, oudere broer een jonger zusje toeknikt, dat hij tot-nog-toe volstrekt niet als volwassen beschouwde en dat hem nu opeens komt herinneren, hoe de tijd voortgaat en ook zij haar plaats in het leven verlangt te gaan innemen. Hij stond bij die plotse ontdekking er een oogenblik wel wat vreemd tegenover, maar toen gaf hij zichzelf toe een beetje onnadenkend hieromtrent te zijn geweest. „Nou zie ik toch,” ging hij voort met een glimpje meerder respekt en wat minder gemeenzaamheid, „nou zie ik toch, dat je wel erg gegroeid bent, Mieke. Je bent anders geworden dan toen ik je in de tilbury naar het station bracht.” [219]

„Anders?” vroeg ze verschrikt. Zij kleurde.

„Zelfstandiger en met zulke grootsche wenschen!”

„Vindt u?” ze trok wat terug, een beetje bekoeld door zijn nuchtere, spottend klinkende opmerking. Vond hij haar overdreven? „Grootsche wenschen!”… Zij kon het niet helpen, dat zij naar haar zelfstandigheid verlangde met geheel haar hart.

Het gesprek begon eenigszins te hokken, en toen even daarna tante Sophie binnenkwam, die „dien Geert Wije toch ook eens wilde zien,” verliep het heelemaal. Ondanks het weinig conversabele van ’t onderhoud, dat zoowel Mieke als den bezoeker drukte, viel hij tante Sophie toch bijzonder mee, naar ze later beweerde. „Hij was volstrekt niet lomp,” prees zij „en lang niet zoo ongelikt als ze zich een boer voorstelde. Wel den echten buitenman zag je aan hem, maar niettemin iemand met tamelijk goede manieren en niets verlegen in haar salon.” En èven moest Mieke nu fijntjes glimlachen om tante Sophie’s aanmatiging. Zij dacht aan de prachtige modelboerderij en aan juffrouw Wije’s porcelein, dat ze vergeleek bij tante’s verscheidenheid van modernen smaak en wansmaak in „haar” salon.

Loes, die juist bij het afscheid Wije nog trof, verheugde zich hartelijk eens een van Mieke’s oude vrienden te ontmoeten.

En toen Geert vertrokken was stond Mieke alleen in de gang met zeer gemengde gevoelens: blijdschap om het weerzien, maar ook kwam er in haar ontevredenheid [220]met zichzelf, omdat Geert zeide haar „anders” te vinden dan vroeger … Zouden àllen daarginds iets in haar verloren hebben zooals hij? Dat vond ze akelig, bedroevend. Uiterlijk mocht ze dan al eenigermate verschillen bij een jaar geleden, zij drukte zich thans misschien wat minder ongekunsteld en onduidelijker uit dan toen, haar wil toonde zich misschien sterker geworden en heel haar persoon verried waarschijnlijk de meerdere ondervinding sedert ze vertrok van het dorp,—maar ànders? neen anders was zij niet geworden, dat wist ze héél zeker! Het leek haar, alsof ze met die uitspraak wederom iets verloor van ’t lieve van vroeger, dat weer niet door het tegenwoordige te vergoeden was … Het bezoek had haar niet die onverdeelde vreugde gegeven, welke zij er wel eens van had verwacht, al verheugde ’t haar Geert gesproken te hebben, alleen al om de onvoorwaardelijke goedkeuring waarmede hij met haar plan instemde, om na haar meerderjarigheid geheel onafhankelijk haar weg te gaan.—

Hoe meer zij hierover nadacht en hoe meer deze wensch vasten vorm ging aannemen, hoe sterker zij naar die onafhankelijkheid en dien tijd van zelfstandigheid ging verlangen. Doch ook begon zij duidelijker en duidelijker in te zien welk een menigte bezwaren haar in de naaste toekomst zouden verhinderen ongestoord haar vleugels uit te slaan en de wereld in te vliegen. Een jaar geleden nog voor een groot deel der familie min-of-meer een hinderpaal, was zij de afgeloopen maanden voor het gezin en [221]vooral voor tante Sophie een steun geworden, dien deze niet graag zou willen missen. Men sprak er reeds nu-en-dan en nog losjesweg over zich na Olga’s huwelijk slechts met één dienstmeisje te vergenoegen en Mieke de bepaalde functie te geven van hulp-in-de-huishouding, desnoods met een kleine toelaag, die dan verrekend kon worden met het kostgeld. Vooral gedurende tante’s veelvuldiger voorkomende ongesteldheden, nu ze weer vaker last kreeg van haar oude kwaal, zouden allen met een dergelijke regeling zeer gebaat zijn. Ook kon die wellicht leiden tot eenige bezuiniging,—maar van deze laatste beweegreden hoorde Mieke niet. Wèl van opkomende plannen omtrent haar toekomst. En hoewel ze nog een jaar ongeveer voor den boeg had vóór ze haar onderwijzeres-akte kon halen, toch zag ze in nog een harden dobber te zullen hebben om haar rechten te verwerven, haar recht op vrijheid bovenal. Doch des te moeilijker zou ze dit verkrijgen, nu men haar somtijds merken liet erop gesteld te zijn, dat ze blijven zou, ook later … Had zij tegenwoordig nog te klagen?… Neen immers … Men vitte zelden meer op haar: Mieke was Mieke, blééf Mieke desnoods. Men nam haar in zekeren zin zooals ze was, zelfs Olga, die tegenwoordig zulke ontzettend gewichtige dingen aan ’t hoofd had, dat ze Mieke nauwelijks meer zág. Dat de zachte kracht eener warme liefde in dit gezin ontbrak, een kracht, die Mieke steeds nog noode miste, daarover mocht ze niet morren: alle huisgenooten konden het blijkbaar zonder deze stellen, of legden [222]zich bij het gemis ervan neer. Waarom zij dus niet?… Zij had bovendien nog Loes en de dametjes en een paar sympathieke schoolkennisjes, èn oom Egbert’s tersluiksche genegenheid, die haar toch nu-en-dan eens herinnerde in hem een familielid te hebben.

Van oom Egbert echter, ondanks die genegenheid, voorzag ze nochtans evenveel tegenkanting als van tante Sophie zoodra de tijd dáár zou zijn dat ze vrij het leven in wilde gaan om te trachten te bereiken wat ze zoo vurig hoopte. Hij zei het haar laatst duidelijk genoeg: „Wij kunnen je niet meer missen, Mieke. Je moet in ’t vervolg maar altijd bij ons blijven, zooals nu,” en gadeslaande haar stille bedrijvigheid, streek hij haar over ’t haar, zich dan in gepeins afkeerend.

Dit alles verontrustte Mieke menigmalen met betrekking tot haar vooruitzichten. Maar veelal dwong zij zich geen zorgen voor tijd te scheppen. Het duurde nog een jaar ongeveer vóór ze onderwijzeres kon zijn en nog ruim twee vóór ze meerderjarig was.

Doch heelemaal geruststellen kon ze zichzelve niet.


Zoo verliep er nog een jaar en vierde Mieke voor den tweeden keer haar geboortedag onder oom Egbert’s dak. [223]

[Inhoud]

HOOFDSTUK XIV.

TOEKOMSTPLANNEN.—OOM EGBERT IS EEN EERLIJK MAN.

En weer was het zomer geworden.

Mieke’s examen kostte menig uurtje harden arbeid en nachtrust, maar in weerwil van het tweeledige van haar bezigheden—ik doel nu ook op haar huiselijke plichten, die van lieverlede der familie onontbeerlijk waren geworden—had zij zich staande gehouden, ondanks de weinige medewerking, die zij van den kant van verreweg de meeste harer huisgenooten ondervond, want men maakte het haar niet gemakkelijk.

Heimelijk zou het tante Sophie niets gespeten hebben, wanneer Mieke maar gezakt was. Wanneer de werkzaamheden nog een jaartje op denzelfden voet moesten voortgaan zou zij zich niet beklagen. Nu had je kans, dat Mieke een geheel andere dagverdeeling zou krijgen, wanneer ze eens een plaats aan de een-of-andere school verwierf, en dit stond tante Sophie, voor ’t oogenblik althans, allerminst aan.

Mieke’s helder verstand en sterk geheugen bij haar doorzettingsvermogen wonnen het evenwel, ondanks de vele inconveniënten. Zij slaagde. Overgelukkig bracht zij, kort na haar verworven diploma’s [224]voor gymnastiek en handwerken, ook dat van onderwijzeres aan oom Egbert. Oom Egbert toonde zich heel tevreden en zei, dat Mieke nu vooreerst maar eens niets anders moest doen dan een beetje rust nemen, want ze zag er allesbehalve florissant uit. Geen woord sprak hij over de mogelijkheid voor haar zich nu een functie bij het onderwijs te verwerven.

Tante Sophie repte hiervan ook geen syllabe en meende, evenals oom, dat het ’t beste voor Mieke zou wezen nu eens een poosje niets te doen, dat-is-te zeggen thuis te blijven, ofschoon zij geloofde, dat Mieke er wel gauw weer wat beter zou gaan uitzien. Ze was sterk en gezond, alleen misschien een beetje overwerkt en wat zenuwachtig door de vrees te zullen zakken. Daarom ging zij, mevrouw, ook liever niet in op het verzoek van juffrouw Wije het meisje een poosje bij haar te laten logeeren.

Met hoeveel blijdschap Mieke de uitnoodiging ook ontvangen had, hoe dolgraag zij eraan gevolg zou hebben gegeven, tante bleef erbij, dat ze Mieke niet missen kon, nu allerminst. Want Olga’s huwelijk naderde met rasse schreden en er viel nog zóó ontzettend veel te doen, „dat Mieke zich in vredesnaam dit ééne keertje maar eens een beetje moest opofferen,” naar ze zei.

Zeer, zeer teleurgesteld vernam het meisje tante’s besluit. Reikhalzend had ze dikwijls uitgezien naar een dergelijk verzoek van juffrouw Wije; innig verlangde zij, vooral nu na haar geblok en na de eentonige jaren van gestadigen, vreugdeloozen arbeid in [225]dit huis, naar buiten, naar haar eigen, lief, vertrouwd dorp, naar de wijdte van de vlakke velden, waar ze zou kunnen ademhalen als van ouds, waar ze zich vermeien kon in onbelemmerd zonlicht en in den schaduw van de boomgaarden, waar de stilte sprak en de wind antwoordde, waar de zwaluwen onder je dak nestelden en men nog eens andere vogels zag dan musschen of de papegaai van de mevrouw aan den overkant. Hoe snàkte zij den laatsten tijd naar enkele weekjes van vrij bewegen; hoe verheugde zij zich bij het denkbeeld weer als vanouds juffrouw Wije’s kippen te voederen, te helpen karnen den boter voor ’t eigen gebruik, de boontjes mede te plukken, en te helpen kneden het zelf te bakken brood. Juffrouw Wije had er haar tijdens den moeilijken examentijd op voorbereid tante Sophie te zullen vragen haar nichtje eens een poosje ontspanning toe te staan, wat Mieke’s werklust en ijver zéér te stade was gekomen en versterkte. Nu plofte ze néér: tante kon haar niet missen!

„Als ik-zelf niet voor mijn gezondheid veertien dagen naar buiten moest, zou ik heusch zèlf thuis blijven,” beweerde zij. „Maar nu Olga bij de Bogaertsen logeert, Loes bij m’n zuster in Apeldoorn is, en Erik in Den Haag, wie zou er dan bij de dienstmeisjes blijven? Het is heel vervelend, maar ze willen geen van beiden met kostgeld, omdat ze geen ouders hebben en ze niet weten waarheen te gaan. Mij is het natuurlijk ook goedkooper ze hier te houden, maar ik had er graag de grootere onkosten voor over gehad [226]ze weg te sturen om jou de gelegenheid te geven naar je oude vrienden te gaan. Nu is ’t onmogelijk. ’t Spijt me werkelijk. Er moet nu iemand bij de meisjes blijven; alleen vertrouw ik ze absoluut niet; je hoort zulke gekke dingen tegenwoordig … Het volgend jaar, dan moeten we er vooraf op rekenen, dan moet je stellig eens een poosje naar die boerenmenschen gaan,” besloot tante met groote welwillendheid. En zij gaf Mieke een tikje op de wang, dat van goedkeuring en vriendelijke gezindheid getuigde.

Oom Egbert probeerde zijdelings nog een slap aanvalletje.

„Zouden we ’t heelemaal niet kunnen schikken, dat ze, als is ’t maar een weekje, gaat?” stelde hij tamelijk krachteloos voor.

„Aan een weekje heeft ze niets,” zei tante met beslistheid, ietwat ongeduldig.

„Zij heeft zoo haar best gedaan,” prees oom weifelend.

„Nu moet je niet weer zoo’n sentimenteel gezicht zetten, man,” kwam mevrouw terechtwijzend. „Ik apprecieer Mieke’s plichtgevoel inderdaad. Ze mag dan ook met plezier eens een dagje van me met Loes naar Zandvoort en eens naar de Totebelletjes in dat pension in Bussum, maar uit logeeren gaan is heusch van ’t jaar onmogelijk. Als je ziet hoeveel linnengoed er nog gerolzoomd en geborduurd moet worden,—ach neen, heusch ’t kan niet. En dadelijk als wij, jij en ik, terugkomen, krijgen we al die omslachtigheid van de voorbereiding voor Olga’s huwelijk … [227]Ik weet er alles van! ’t Volgend jaar, hoor, Mieke, ’t volgend jaar, dan …”

Gedurende tante’s ononderbroken relaas kwam bij Mieke’s schrijnende teleurstelling ook verbazing en schrik.

„Maar,” zei ze, toen ze kans zag tante Sophie met goed fatsoen te kunnen antwoorden, „maar als ik nu wat opgeknapt ben, binnenkort, ga ik toch immers solliciteeren? En als ik dan eens een plaats krijg als kweekeling of zoo …”

„Ja, ja, ja,” weerde tante kort en haastig af, „met dat solliciteeren zou ik nu vooreerst nog maar even wachten. Dat komt later. Daar spreken we nog wel eens over. Voorloopig blijf je nog maar eerst een paar maandjes thuis, tot je er weer wat sterker uitziet.”


De vacantietijd verstreek.

Voor Mieke was het dit jaar geen vacantie geweest, want niet als anders volgde na den geëindigden schooltijd een nieuw leertijdvak. Zij zag er wel weer beter uit dan na haar examendagen, maar toch voelde zij zich down, gedrukt. Nu wàs ze geslaagd, onderwijzeres, had ze een deel bereikt van wat ze als het begin eener vrijer, blijder toekomst beschouwde, en nu bleek dat toch weer niets te zijn!… Het begon te gisten in haar … Moest dit nu zoo haar heele leven voortgaan? vroeg ze zich af. Toen ze in den beginne de schimpscheuten van Olga te verdragen kreeg, haar ironische hatelijkheden en spottende [228]geringschatting, toen Olga’s aanmatiging haar vernederde en haar trots zich boog voor de noodzakelijkheid dit alles te moeten dulden omdat er nu eenmaal op ’t oogenblik niets aan te veranderen was, ja, toen schikte zij zich, schoon met harden strijd en tranen, in het onvermijdelijke. Nóg trof Olga’s totaal veronachtzamen van heel haar doen en laten Mieke menigmaal pijnlijk, doch het benadeelde haar niet persoonlijk, al deed het haar leed. Tante’s eigenmachtigheid ging thans veel verder. Zij verlangde Mieke’s diensten ten koste van Mieke’s belang. Het meisje werd niet eens gevraagd of ’t haar wel beliefde!

Toch wilde Mieke tante’s overheersching, tante’s eigengerechtigheid nog verdragen; nog besloot zij te bukken en wilde zij tante over zich laten zegevieren, zooals Olga haar ééns en ook nu nog overwon; zij wilde niet door ondankbaar te schijnen, door allen misschien in ongelegenheid te brengen de vreugde en de plannen van het aanstaand huwelijk, dat weer de gansche huishouding en haar leden in beslag nam, hinderlijk zijn, maar daarnà, besloot ze, zou ze spreken, zou ze het tante Sophie duidelijk maken haar niet langer aan banden te mogen leggen. Ook oom Egbert wilde zij van haar zelfbeschikkingsrecht overtuigen, zich beroepend op grootmoeder, wier streven het immer was geweest haar kleindochter zóó op te voeden, dat ze eenmaal haar eigen brood zou kunnen verdienen … Mieke voelde zich een persoonlijkheid worden, die leven en werken wilde naar eigen aard; [229]op deze manier bleef zij altijd de ondergeschikte pupil. En zij overlegde hoe zij desnoods—het was inmiddels reeds wederom December geworden en haar twintigste verjaardag was aanstaande—tot het volgend jaar, tot zij mondig werd, bij de familie Van der Hoeve zou blijven. Zoodra Olga’s huwelijk en de nasleep daarvan achter den rug was, wilde zij in weerwil van vermoedelijke tegenkanting, toch trachten een tijdelijke aanstelling te krijgen. Ze zou in haar vrije uren tante Sophie dan nog gaarne blijven helpen … Maar dàn, (en ze besloot er allen nu reeds zeer bepaald op voor te bereiden), als ze meerderjarig geworden was, liet zij zich niet meer binden, zou ze gaan waarheen zij wilde en waar ze geloofde, dat haar werk en toekomst lagen,—wilde ze vrij zijn! In Gods naam dan maar beschuldigd van ondankbaarheid! Zij kon niet anders!… Het jonge bloed stroomde warm; haar idealen groeiden; zij wilde dapper vooruit in het leven en in de wereld. Zij omgordde zich reeds de lendenen en had den wandelstaf reeds in de hand … Maar nóg moest zij wachten …


Olga’s huwelijk zou in December plaats vinden, doch door allerlei vertragingen werd het einde Februari vóór het definitief werd vastgesteld. Olga’s tijd werd nu voortdurend verdeeld tusschen haar uitzet en haar nieuwe woning, die ze tot haar spijt niet in Den Haag had kunnen kiezen, daar Bogaerts zich beter in Amsterdam had kunnen associeeren, iets [230]wat mevrouw Van der Hoeve echter wel plezier deed.

De aanstaande bruid, veeleischend als altijd, muntte ook nu niet uit in toegevendheid. Wanneer niet alles liep naar de door haar voorgeschreven volgorde of op de manier, die zij wenschte, werd de omgang met haar wederom geen gemakkelijke. Loes, die na haar eindexamen aan de H. B. S, voor middelbaar Fransch was gaan studeeren, trok zich van het gehol en gedraaf naar Olga’s bevelen niet zooveel aan, maar mama, als steeds aangestoken door haar dochters buitensporige eischen, die maar al te zeer de haren in de kaart speelden, beviel die oude koers beter. De saaie, afgeloopen maanden hadden haar absoluut niet bevredigd; Olga’s lang en veelvuldig afwezig-zijn had haar dikwijls gehinderd, evenals het wel eens over-’t-hoofd-zien van mama, doch nu haar dochter weer van allerlei met haar overleggen ging over aankoop van dit mooie en dat onontbeerlijke, keerde de vroegere verhouding tusschen tante Sophie en haar oudste van kibbelen met elkaar en ten slotte toegeven in gloeiend eens-zijn weer terug, omdat beider ijdelheid en verlangen naar hetzelfde doel streefden.

Loes interesseerde dit alles niet. Zij verweet zichzelve hoe langer hoe meer onhartelijkheid en koelheid tegenover mama en Olga; laatst klaagde ze met tranen in de oogen Mieke haar nood dit niet te kunnen helpen … Was Olga ooit lief voor haar als een zuster?… Liet mama zich half zooveel aan haar gelegen liggen als aan de beide anderen?… Kon zij [231]het helpen, dat ze maar een doodgewoon meisje was en niet hield van al die opschroeverij?… Zij kwam, als Mieke zat te naaien aan het fijne linnengoed of te borduren aan monogrammen, dikwijls bij haar zitten met een studieboek, maar meestal werd dit al gauw ter zijde geschoven, omdat er zich groote gesprekken ontsponnen tusschen de meisjes, die allebei in den grond precies denzelfden kant opgingen … Loes wilde naar Parijs, zoodra ze zoover met haar studie gevorderd was om in het land-zelf de laatste hand aan haar studie te leggen. Ze had breede, prachtige voornemens en hield vurige betoogen,—en Mieke voelde heur eigen hart zwellen bij haar geestdrift, doch aarzelde nog om even openbaar als Loes te toonen wat in haar omging. Doch allengs wierpen ook haar schroom en zelfbedwang de bescheidenheid af en zaten de meisjes menigmaal met gloeiende wangen elkaar te vertellen hoe zij haar leven wilden inrichten op den duur.

Niet alleen tegen Loes sprak Mieke hierover. Nu-en-dan tante Sophie eens voorbereidend, latende doorschemeren wat haar plannen waren, coupeerde mevrouw Van der Hoeve echter altijd een positief gesprek, wanneer Mieke dit onderwerp aanroerde. Een anderen keer weer hield ze zich alsof ze haar nichtje niet begreep of verkeerd verstond, niet kunnende nalaten er toch ietwat ongerust met Olga over te spreken, tegen wie Mieke zich evenwel minder vaak uitte dan tegen tante. Met Olga, vooral na haar huwelijk, had ze, meende Mieke, in dit geval [232]niets te maken en ook bracht Olga’s minder dan tante Sophie’s belang het mee, dat zij bij haar voogd bleef, waar zij wist, dat men haar huishoudelijke hulp niet gaarne miste, ’t geldelijk voordeel, dat haar aanwezigheid daar verschafte en waarover ze eigenlijk nooit precies had nagedacht, vermoedende, dat de verkapte tegenstand aangaande haar mogelijk vertrek alleen voortkwam uit vrees voor minder gemak voor tante en volstrekt niet om ’t beetje, dat ze hier betaalde. Praatte mevrouw dus over de zaak heen, veronachtzaamde zij iedere, nog bescheiden toespeling van Mieke op haar te hernemen vrijheid, scheen zij van oordeel tegen dien tijd wel haar macht op ’t meisje te kunnen toepassen om haar tot blijven over te halen wellicht te pressen, Olga, geïrriteerd door de vele beslommeringen, die haar ’t hoofd deden omloopen, door herhaaldelijke teleurstellingen, door overstelpende drukte, en door het heimelijk verzet, dat ze oprijzen zag in Mieke bij haar nu eens ongeduldige en dan weer achtelooze bevelen, die klonken, alsof datgene wat Mieke voor haar deed een móéten was, Olga, bovendien geërgerd door tante Sophie’s gezeur achter Mieke’s rug over het inconveniënt van haar mogelijk heengaan-op-den-duur, juist nu ze wat aan het kind begon te krijgen, juist nu ze Betje na den bruiloft wilde opzeggen om bezuiniging,—Olga uitte die ergernis over dit alles weder als vanouds in spot en ironische opmerkingen, in geestige hatelijkheden nu en dan. Haar nerveuze en gejaagde gemoedstoestand maakte haar woorden bijwijlen nog scherper [233]dan in den tijd, toen Mieke hiertegenover nog onbeslagen op ’t ijs stond. Nu kende zij de situatie, doch eenigermate ontwend aan het twijfelachtig genoegen van Olga’s interesse, trof haar deze nu weer pijnlijker dan ooit.

Mieke ook voelde, nu Olga zich door het vooruitzicht een plaats te zullen bekleeden in de aanzienlijke familie Bogaerts, minder dan ooit in tel te zijn bij haar nicht. Zij, nog altijd in Olga’s oogen het eenvoudige buitenmeisje, het dood-gewone schooljuffrouwtje, bleef en werd opnieuw, vooral nu ze weer herhaaldelijker en nauwer met haar in aanraking kwam bij het installeeren van haar kostbaar intérieur, bij het afwerken van het luxueuze uitzet, iemand, die haar alleen reeds door haar persoon aan verschillende waarheden herinnerde, welke zij veel liever wilde vergeten. Olga was daarbij menschkundig genoeg om op te merken hoe Mieke haar beoordeelde op den juisten maat, en Olga wènschte niet beoordeeld te worden en zeker niet op den juisten maat. Zij wilde gevleid zijn en gevierd, zij wenschte te regeeren en geen verantwoording te geven van haar doen en denken. Men moest niet vragen—luid of met de oogen—: „Waarom doe je dit?” of „Waarom laat je dat?” Evenmin als men slechts haar zin moest doen omdat zij, Olga, het gebóód, dan wel, omdat men haar, de meeste, de koningin, niet anders dan dienen wilde. En zij besefte héél duidelijk: Mieke diende haar niet, net zoo min als Loes. Zij voelde, hoe er altijd dezelfde strijd bleef tusschen haar en [234]dat kind, dat haar nabij stond en dat ze toch niet nabij duldde … Dit kon Olga natuurlijk wel niemendal schelen, natuurlijk, ze gaf er geen ziertje om, maar wanneer er andere dingen bij kwamen, die haar hinderden, dan herleefde de oude wrevel, en zocht en vond een uitweg in haar gedrag van vroeger. En, sedert Mieke vaster haar toekomstplannen omlijnde en erover sprak, werden dezen het punt van aanval voor Olga’s toenemende prikkelbare stemmingen.

In die dagen bezocht Mieke zelden haar kleine dametjes. De keeren, waarop zij bij ze kwam, vertelde ze echter nooit iets van Olga’s schimpscheuten. Toch, de dametjes begrepen maar al te goed, dat er wat onaangenaams haperde bij haar buurvrouwtje, en het vuur waarmede deze over haar plannen na den bruiloft sprak overtuigde beiden, dat het heden nu niet juist zoo buitengewoon rooskleurig voor haar was. Zij deelden hartelijk in Mieke’s hoopvolle bespiegelingen; daarvoor hielden zij van haar; en juist in wat Mieke verzweeg hoorden zij wat ze thuis miste. Mieke’s eenvoudig persoontje kon niet aarden in dat milieu van leege uiterlijkheid en luxueuzen schijn, van intellektueele opgeschroefdheid en berekende vriendschap; haar klare, onopgesmukte natuur móést zich wel zwervend voelen tusschen deze zoo van haar verschillende elementen. Daarom juichte vooral juffrouw Roosje Mieke’s zelfstandigheid toe. Zij moest geheel op eigen beenen leeren staan, haar eigen kapitaaltje leeren beheeren, dat was ’t beste voor haar, oordeelde de juffrouw onomwonden. Mieke [235]was er verstandig en praktisch genoeg voor om spoedig, met haar voogds voorlichting, hiertoe in staat te zijn en dan haar eigen, zelf gekozen weg te gaan.

Juffrouw Roosje had nooit over haar eigen levensondervindingen gesproken dan over zulke als het reciteeren in het pijpenbroekje-toilet. Maar als zij Mieke aanspoorde van het leven te nemen wat het haar bieden zou voor schoons en mogelijkheden, dan dacht Mieke wel eens of juffrouw Roosje misschien zelve niet te weinig ervan had genoten, te weinig had gewaagd. En toen het oude dametje, eens met haar alleen zijnde, Mieke’s handje vatte, zeggend: „Het is zoo heerlijk, dat tegenwoordig een meisje het leven mag aandurven, het niet geheel langs zich behoeft te laten gaan,”—toen wist het jonge meisje, dat ook juffrouw Roosje nog andere en diepere ervaringen had opgedaan in de vele jaren vóór haar gezichtje zoo rimpelig was en heur haar zoo grijs als nu, dat ook juffrouw Roosje’s herinneringen niet stilstonden bij den bolwangigen rijksdaalder, Mance’s gestorven geliefde en de dames in crinolines en met tournures op de verbleekte portretten in het album. Juffrouw Roosje had óók haar geschiedenis, wellicht door niemand gekend dan door haarzelve.

Mieke werd deze waarheid duidelijk door de trillende aandoening, die over het lieve, vervallen gezichtje vaagde en door den innigen druk van het kleine, magere handje.— —

Oom Egbert, grijzer geworden het laatste jaar en verouderend, trok zich tijdens de drukte in huis zeer [236]terug. Soms waagde hij nog een poging om aan te sporen tot bezuiniging, maar zóó eendrachtig beweerden mama en Olga, „dat dit nu de slotuitgaven waren en vader nu eens bedenken moest, dat dit nu werkelijk het allerlaatste was, wat hij aan z’n dochter ten koste behoefde te leggen,” dat vader eindelijk maar zonder opmerkingen betaalde, zichzelf paaiend met de geruststellende verzekering: „Ze hebben eigenlijk gelijk.”… ’t Duurde immers nog bijna een jaar vóór Mieke meerderjarig zou wezen en verantwoording kon vragen over het financieel beheer van haar bescheiden vermogen?… Oom Egbert suste zichzelf in slaap met de gedachte, dat het tegen dien tijd in de zaken wel weer beter zou gaan dan nu in den crisistijd. Bovendien, Olga’s toelagen zouden dan zijn opgehouden, van den zorg voor haar was hij dan heelemaal bevrijd; Erik zou wellicht ook een eind opgeschoten zijn met z’n werk, wat ernstiger wezen en minder uitgeven dan nu; Loes, die lieveling, bleef sober genoeg in haar eischen,—en verder zou, na Olga’s huwelijk, de heele huishouding ook veel eenvoudiger worden, Sophie had het hem immers uitdrukkelijk beloofd?… In vredesnaam, nu dus nog maar niet opnieuw zich muizenesten in ’t hoofd halen; de komende tijden zouden ongetwijfeld veel vergoeden, en al wat hij de laatste maanden soms weer van Mieke’s geld gebruikte zou zij terughebben, zèker,—hij was een eerlijk man! Hij stond haar borg, dat hij een eerlijk man was. [237]

[Inhoud]

HOOFDSTUK XV.

DE BRUILOFT.—STRIJD.

Al was Mieke de laatste jaren ook aan luxe en uiterlijk vertoon gewend geraakt, de bruidspartij overtrof toch verre haar verwachtingen. Ditmaal niet gepasseerd, zooals bij het engagementsdiner, bevond ook zij zich te midden der talrijke gasten. Het duizelde haar, luisterde zij naar de vele schoonklinkende woorden als: „het heil van het bruidspaar is ook ons heil”, „onverbrekelijke banden” en „onveranderlijke vriendschapsgevoelens”.—Waren àl deze menschen Olga’s en Bogaerts’ vrienden? Elkanders vrienden? Onveranderlijke vrienden? Zoovelen?… Mieke, gewoonlijk slechts aarzelend haar gevoelens uitend, zich moeilijk gevend en alleen dàn wanneer ze waarachtige sympathie voelde, stond van dit alles versteld.

Zij zag er aardig uit in een lila japonnetje, een geverfd en vermaakt van Olga, maar welk toiletje haar bij heur blonde haar en zacht gezichtje iets heel jongs en onschuldigs gaf. Tot-nu-toe beschouwde elkeen „het nichtje van Van der Hoeve” zoo eenigszins als een nullig, simpel wezentje, dat langs een ieder ging. Nu waren er jongelui, die met verbazing haar begonnen [238]op te merken. Niet geestig kon men haar noemen, doch bevallig of indrukwekkend, maar lief, wel héél lief. Men sprak tot haar op ingehouden en vriendelijke wijze, reflex van haar eigen manier van doen. En Mieke, die ervóór ontzettend tegen het feest had opgezien, viel het nu werkelijk meer-en-meer mee. Zij werd daarom wat vrijer en ongedwongener na de eerste oogenblikken van schroom in die groote, hel verlichte zaal vol luisterrijk gekleede menschen; ze lachte nu-en-dan hartelijk om de een-of-andere grap en begon zich te amuseeren.

Tot Olga, even in de nabijheid toevend van ’t geanimeerd clubje, waarin ook Loes zich vermaakte, luisteren bleef en, met een lachje en een tikje op haar schouder, Mieke toevoegde: „Ik wist heusch niet, zeg, dat jij zoo flirten kon,” Mieke’s vroolijkheid met één slag verdrijvend.

Flirtte zij?… Onmiddellijk betrok Mieke’s warm, opgewekt gezichtje … Deed ze mal, zooals enkele van Olga’s vriendinnen en sommige meisjes van school?… Had ze zich aangesteld?… Een gevoel van schaamte deed haar hevig blozen. Neergeplofd trok ze zich terug, schuchter als altijd. Zij was weer klein tegenover Olga.

Tante Sophie, in haar element als nooit voor dezen, zat als bruidsmoeder op den troon. Alle kwaaltjes en ongemakjes, alle wenkbrauwfronsen van Egbert, alle zuinigheidsplannen waren vergeten. Olga, haar trots, toonde heden onuitwischbaar het stempel van haar moeders opvoeding. Èn het resultaat. Egbert [239]mocht haar altijd bestreden hebben, openlijk of zijdelings, hij mocht herhaaldelijk op het aambeeld hebben geslagen: „Je voert de kinderen te veel de hoogte in. Als het maar goed voor ze is,”—heden werd de kroon gezet op haar werk, deze avond bracht haar den onbetwistbaren, volkomen victorie. Egbert en de kinderen moeten haar dankbaar zijn.

Toen, eenige dagen daarna, de huwelijksinzegening!

Mieke, niet in den familiestoet maar onder de belangstellenden in de kerk, deed moeite zich een stemming van wijding op te dringen, maar haar godsdienstig gevoel détoneerde. Daar ging geen machtige innigheid, geen breede straal van liefde uit van het schoone, bewonderde bruidspaar, geen diepe, vrome bede steeg omhoog van de ouders voor de kinderen. Toch was ’t geheel zeer imponeerend. De deftige pa’s en ma’s, de overige verwanten, zij zaten met ernstige gezichten te luisteren naar de goed gekozen rede van den predikant. Het orgel speelde „de Hochzeitsmarsch”; een dame zong: „Wo du hingehst, da will auch ich hingehen …” maar in de consistorie herinnerden zich waarschijnlijk slechts enkelen het tekstwoord: „En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie, doch de meeste van deze is de liefde.”

Maar: „’t Toucheerde,” zei stralende mama tot mevrouw Bogaerts, met een verrukt glimlachje een traan wegpinkend. „’n Beeldige preek, nietwaar?”

„’t Toucheerde ontzettend. Schitterend; schitterend,” beaamde mevrouw Bogaerts. [240]

Nog een klein déjeuner en-famille thuis, waarna het bruidspaar op reis ging.

En ook deze mijlpaal was geheid,—voor immer.


De eerste dagen volgde op de doorgemaakte emoties natuurlijk een reactie. Allen voelden een leegte. Tante Sophie, wier wilskracht, zoodra zij deze concentreerde, ongeloofelijke dingen kon verrichten, doch wier niet sterk gestel slechts matig bestand was tegen al te groote inspanning, plofte neer. Moe, overmoe werd zij zeer prikkelbaar.

Nu ze haar doel bereikt had, scheen ’t haar toe iets verloren te hebben. Een verwezenlijkt ideaal is somtijds een verloren illusie!… O, zij hoopte zeer zeker nu op Olga’s terugkomst in heur eigen comfortabel home, zij verheugde zich op de bezoeken bij haar getrouwde dochter, maar voor het oogenblik kon tante Sophie de leege dagen, die volgden, nog niet goed verduren, voelde zij zich ontevreden en nerveus.

Mieke verdroeg haar minder aangename humeuren zooals zij ze altijd verdroeg, met geduld, hoewel ook met toenemend verlangen spoedig ervan verlost te zijn. Echter nog niet onmiddellijk na Olga’s heengaan wilde zij tante Sophie opnieuw irriteeren met de mededeeling nu eindelijk eens te gaan solliciteeren naar een plaats, maar toen er een paar weken verloopen waren en zich een goede gelegenheid aanbood erover te beginnen deed zij het.

Evenals na Mieke’s examen en in de daarop volgende [241]drukke maanden gebruikte mevrouw Van der Hoeve haar trucjes van eroverheen-praten en negeeren, doch zóó positief hield Mieke vol, dat tante ten slotte wel luisteren moest.

Wat het meisje voorzien had, tante Sophie toonde zich zeer tegen haar plan gekant en sprak verwijtend van grove ondankbaarheid. Toen ze zag hier weinig mede te bereiken en dat Mieke op haar stuk bleef staan werd zij vinniger, beriep zich op oom Egbert.

In den grond Mieke’s wenschen kunnende plaatsen en er niet op tegen hebbende dat zij een anderen werkkring zocht dan uitsluitend dien van hulp zijner vrouw, mits ze maar bij hem in huis bleef, viel hij het nichtje niet zóó af als mevrouw Sophie wel wenschelijk achtte.

„Het spijt me werkelijk, tante,” zei Mieke aan het eind van het twistgesprek, „dat ik u misschien een beetje in ongelegenheid moet brengen, wanneer ik ’s morgens en ’s middags niet meer thuis kan zijn, maar ik wou, dat u begreep hoe m’n heele toekomst ermee gemoeid is.”

„Heele toekomst!” bitste tante. „Groote woorden. Zei ik niet dat je hier, desnoods, bij mij ook salaris kunt krijgen?”

„Maar wat helpt dat, tante? Ik moet toch eindelijk eens een begin maken met les te geven.”

„Waarom? Je kunt wel degelijk hier blijven, de eerste jaren althans nog. Heb je het hier niet goed?”

„O ja,” kwam er aarzelend.

„Nu dan? Wat wil je? Een plaats,—dat dient [242]voorloopig nergens toe als je bij mij in betrekking kunt zijn.”

„Maar dat wil ik niet,” ontviel Mieke, zeer beslist, echter niet onvriendelijk.

Oom Egbert zat erbij en zei niet veel, keek onrustig van de één naar de ander.

„Ik zal u zooveel mogelijk blijven helpen,” beloofde Mieke bedaarder, „maar ik wil bij ’t onderwijs beginnen, desnoods voor tijdelijk of als kweekeling.”

Tante Sophie’s tegenwerpingen namen toe in scherpte; haar min-of-meer flets gezicht kreeg een verhoogde kleur, wat haar niet goedstond. Zenuwachtig knipperde ze met de oogen.

Oom Egbert zat tusschen twee vuren … Als het kind toch in Amsterdam en bij hen wilde blijven waarom haar dan verder bemoeilijkt? ’t Was waar, Sophie raakte zeer aan Mieke’s hulp en vlugheid gewend, maar als ze nu per se een andere richting uitwilde mocht men haar toch niet tegenhouden?

„Wanneer Mieke nu belooft je niet heelemaal in den steek te laten …” opperde hij aarzelend, ziende hoe het Mieke ernst werd haar wil door te drijven, en kennende dien trek van vastberadenheid op haar gezichtje, welke hem aan zijn moeder herinnerde.

„Dat wil ik,” stemde Mieke nog eens toe, warmer wordend, in tweestrijd komend, meer-en-meer, wàt te doen: te zeggen ’tgeen zij nog verder wenschte als ze meerderjarig was, of nog tot zoolang te zwijgen … Het jonge hart klopte onstuimig. Zoolang [243]verborg zij reeds haar vurigste wenschen, en—de mond liep over. Zij sprak vlugger dan gewoonlijk.

„Tot het volgend jaar,” zei ze, „wil ik hier blijven, tot ik mondig ben. Maar dan, oom, tante, dàn wil ik ook vrij zijn, heelemaal vrij! Ik ben dankbaar voor alles wat u voor me gedaan hebt, maar ik weet ook, dat ik handel in grootmoeders geest als ik eenmaal zelfstandig wil wezen. Ik wil dan een overzicht hebben van wat ik bezit en m’n geld zelf leeren beheeren. Ik wil een plaats zien te krijgen op een mooi dorp of in een kleine stad … Ik …”

Oom Egbert was bleek geworden.

„Dus,” onderbrak hij haar scherp, z’n wenkbrauwen waren gefronst, „dus jij wilt hier beslist wèg?”

„Is dat onze dank?” viel tante grif bij.

„Dank, dank,” weerde oom Egbert af, „dank is niet direkt noodig, maar …”

„Niet noodig? We hadden haar toch niet den kost te geven, waar dit niet behoefde? Maar we zouden het gedaan hebben, als het wèl noodig was geweest; dàt vergeet je!” Driftiger werd mevrouw. „De gedachte te verduren altijd iemand in je huis te hebben gehad, die alles op touw zette om zoo gauw mogelijk bij je vandaan te komen, die het altijd vreeselijk bij je heeft gevonden, ’t is … ’t is …”

„Dat niet, tante, werkelijk niet,” probeerde Mieke haar tevergeefs te overtuigen, het gezichtje rood van opgewondenheid, „ik hèb het hier niet zoo vreeselijk gevonden, als u wel meent, en ik heb er niet [244]altijd over gedacht hier weg te komen. Maar ik wil vrij zijn, eens mezelf worden. Kan u dat niet meevoelen? Kan u niet begrijpen, dat ik ook eens iets anders wil wezen dan, zooals hier …”

„… de sloof,” vulde tante scherp aan. „Zeg maar de sloof, dat bedoel je toch immers.”

„Neen, tante, ik bedoel het afhankelijke nichtje.”

„Afhankelijke nichtje,” sprak oom weer afwerend. „Ben jij hier zoo verschrikkelijk afhankelijk?… Goed,” viel hij eensklaps bij, „ik ben er niet langer op tegen, dat je hier in de stad een school zoekt. Als ’t je aanstaat zoo gauw je wilt. Bèst! Maar wees daar dan ook tevreden mee en praat niet langer over afhankelijkheid en zelfstandigheid en dingen waar je geen verstand van hebt, zooals het beheeren van je geld.” Ongedurig liep hij heen-en-weer.

Mieke stond verslagen.

„Ik zei,” sprak ze nu zacht, met bevend mondje „ik zei, dat ik het wilde lééren beheeren. En daar heb ik toch het recht toe. Het is toch billijk, om op mijn een-en-twintigste jaar te gaan en te doen en te willen waar en wat ik wil.”

Nu viel met harden slag een vuist op tafel. Mieke week achteruit en sidderde. Ook tante Sophie schrok, schoon ze later Egbert’s krachtig optreden als zéér flink had geprezen.

„Recht?” riep hij. „Recht? Natuurlijk heb je recht, maar ik zou mij schamen van zulk recht gebruik te willen maken, tegenover ons.”

Kleintjes kromp Mieke ineen. Zóó verslagen was ze [245]nog nooit geweest … Ook oom Egbert liet haar dus in den steek, als het erop aankwam? Blijven moest ze hier, àltijd blijven onder tante’s regime, altijd de dienares wezen van den schoonen schijn en den liefdeloozen plicht, zonder ooit zichzelf te kunnen ontplooien: het nichtje, dat geduld werd, hoogstens een weinig geapprecieerd omdat haar hulp te pas kwam en, misschien—feller en bitterder werd zij, arme, zachtzinnige Mieke—omdat zij daarenboven nog kostgeld betaalde!

Hoog laaide verzet in haar op. Met Loes sprak ze er echter geen woord over. Zij kende Loes’ impulsiviteit en vreesde onmin voor haar met de ouders. Zij wilde haar niet in moeilijkheden brengen, hoewel: Loes voelde den gespannen voet.

En het bleef werken en woelen in Mieke; snel groeide sindsdien haar vastberadenheid; haar lijdelijkheid gaf zich gansch-en-al prijs, zij ’t nog verborgen. Oom Egbert’s plotse uitbarsting maakte haar voor ’t oogenblik nog krachteloos, doch haar wilskracht won veld. Hier-blijven beteekende onveranderlijke ondergeschiktheid. Hoe meer zij dit inzag, hoe grooter haar verlangen werd naar vrijheid, hoe breeder en sterker haar illusies zich verduidelijkten. Zij wilde buiten tot zichzelf komen, daar eenigen tijd onderwijzeres blijven, om dan frisch voor een middelbare akte of voor een hoofdakte te gaan studeeren … Maar éérst moest zij niet meer gebonden wezen en zichzelve terugvinden als grootmoeders kleinkind. Weg van hier moest ze, het koste wat ’t wilde! [246]In vredesnaam zelfs oom Egbert getrotseerd!

Zij telde de maanden, die nog vóór Januari, vóór haar verjaardag, verloopen moesten, en verbeidde in rusteloos verlangen den dag, waarop zij haar vrijheid eischen kon, met het volste recht.

De maanden verliepen.


In dien tijd kreeg ze, na herhaaldelijk solliciteeren, eindelijk een tijdelijke aanstelling op een school, vrij ver uit de buurt. Ofschoon tante niet ophield te klagen over haar zwak gestel en hoe zij de thans weer op haar rustende veelvuldiger geworden huiselijke plichten nauwelijks dragen kon, nam Mieke toch haar functie van onderwijzeres waar, na de schooltijden tante zooveel mogelijk tegemoet komende. Zij naaide ijverig, verstelde en stopte, hielp des Woensdags en Zaterdags ook aan andere werkjes, deed boodschappen en bediende tante Sophie zoo goed zij kon,—doch mevrouw Van der Hoeve bleef mokken.

Olga, hoewel mama niet overloopend, ingelicht over de inconveniënten voor mevrouw nu Mieke haar zin had doorgedreven, gaf kleine prikjes op fraaie manier. Mieke verdroeg ze als altijd: zij reageerde zoo min mogelijk. [247]

[Inhoud]

HOOFDSTUK XVI.

HET ONVERMIJDELIJKE.

Brak er na haar dochters verloving voor mevrouw Van der Hoeve door Olga’s herhaalde afwezigheid een eentonige tijd aan en bezochten Olga’s vriendinnen mevrouw zelden in die dagen, wetende het meisje niet thuis te treffen, na het huwelijk leek mama het huis nog veel meer uitgestorven.

De vriendinnen ontving Olga nu natuurlijk in haar eigen home, en sedert zijn zuster getrouwd was met Bogaerts ging Erik’s weg ook vaker naar hen dan naar de oudelui. Zijn vrienden, nu er zoo weinig „jeugd” meer thuiskwam, bracht hij heelemaal niet meer mee. Bovendien, mama kon soms zoo zaniken!

Tante Sophie klaagde dan ook steen en been en zei, dat haar huis wel een graf leek. Want aan Loes had ze niets. Die holde maar naar de hartsvriendin, die ze er tegenwoordig op nahield. Loes viel echter altijd uit de lijn, flapte altijd onhebbelijke dingen uit mal-apropos,—en dan, ’t kind werd zoo leelijk, iets wat zéér mevrouw kon hinderen, ze kon er niets aan doen. Verder: wat had ze nu aan Mieke, [248]sedert die een school opdiepte? Niemendal!… En nu hamerde Egbert er zelfs nog op Johanna weg te doen. Geen denken aan … Allerakeligst was het, wat ze door Mieke’s vlugheid en handigheid ontwend was, weer zelf te moeten aanpakken. Nooit kon ze ’s morgens meer eens een wandelingetje in het park maken, terwijl dit juist haar gestel zoo ten goede kwam … Als ze het niet liet om den vrij aardigen kostprijs, dien Mieke betaalde, zou ze er werkelijk feestelijk voor bedanken altijd rekening met haar te moeten houden, gezwegen nog van de verantwoording, die op je rustte. Toen Mieke dezen zomer ziek lag, hoeveel malen was zij, Sophie, toen wel naar boven geloopen? Ze wist ’t waarlijk niet!… Loes holde en draafde tot je er dood-zenuwachtig van werd; de meiden nam ze in beslag door extra voedselbereiding,—het kostte je wat al last en moeite! Ze knapte, een pak was ’t van tante’s hart, na een veertien dagen weer wat op, Mieke; ze kon ook mee naar buiten, waar men een zomerhuisje gehuurd had, er zelf kokend en huishoudend, heel aardig; er waren nogal logé’s geweest, en ’t werd een leuke zomer. Mieke kon toen gelukkig wel weer met Johanna den boel waarnemen, zoodat het ten slotte toch nog goed in orde kwam met het buiten-zijn, maar ’t had er toch leelijk om gespannen.

Met dit al, tante Sophie zou het leven gruwelijk saai gevonden hebben, zoo ze Olga niet vaak had bezocht. Bij haar vond ze althans een deel terug van wat haar levenslang boeide, wat een deel van haarzelf [249]uitmaakte. Daar trof zij een weelderig gezelschap, luxe, amusement; haar egoïstische, genotzuchtige natuur vroeg niet naar diepere grondslagen voor haar levensbevrediging, zij had genoeg, overvloedig, aan blinkenden schijn, en vermaakte zich. Hoe fanée en lusteloos thuis, bij Olga herleefde zij, werd zij de mondaine dame, die aardige dingen kon zeggen en zich te kleeden wist.

Oom Egbert werd oud, opvallend oud, het laatste jaar, en toch was hij nauwelijks zestig. Hij had zorg, zware zorg … Een geschoten bres in je financiën stop je ook niet zoo een-twee-drie. De voorafgegane jaren hadden zulke voor hem buitensporige uitgaven geëischt, daarbij vorderde zijn verwachting omtrent herleving der zaken zóó weinig, dat het tekort blééf. Men had altijd groot-op geleefd van de zaak; kapitaal vergaard had hij niet. De uitgaven hadden hem nooit in staat gesteld over te houden van wat er inkwam, tenminste zéér weinig. En dit weinigje „verschwund” geheel als sneeuw voor de zon sedert al de kostbare noodzakelijkheden geëischt werden tegenover de Bogaertsen. Zelfs het geld, wat hij nu-en-dan van Mieke geleend had, dit onmiddellijk weer aanzuiverend, zelfs dàt moest hij den laatsten tijd op ongeloofelijke dingen uitpingelen. Oom Egbert deed nog steeds gewichtig, hij sprak nog altijd met een breed, deftig zakenmannengebaar, maar toch, een opmerkend menschenkenner kon hem wel eens plotseling scherp aanzien. Was daar iets wankels in zijn manier van [250]doen, in z’n stem? iets onrustigs in z’n oogen?

Hij ploeterde maar alleen verder, niemand kon hij spreken over zijn zorgen, onmogelijk … En hij hoorde, hoe deze zóóveel verdiend had met speculeeren, en die zóóveel. Zij misten hun invloed niet op hem, deze verhalen … Als je maar gewikst was kon je nu je slag wel slaan. Maar je moest voorzichtig wezen, niet waaghalzerig, bezadigd. Je kon bij voorbeeld met een luttel inzetje beginnen,—alleen maar voor de aardigheid, niet om ’t een-of-ander, volstrekt niet, alleen zoo-maar es. Je kon nooit weten, nietwaar?… Bovendien, zou hij met z’n eigen geld, een paar centen, niet eens een kansje nemen, waar hoopen kennissen van hem vermogens hadden verdiend? Hij had waarachtig al genoeg pech de laatste jaren, zachts dat hij nu eens een voordeeltje kreeg! Hij zou wel gek zijn als hij ’t ook niet eens probeerde.—En hij won.

Hij won nogmaals … en hij won weer … ook verloor hij nu-en-dan een beetje, maar meestal won hij. Hij zag langzamerhand heel duidelijk in, dat het toch niet zoo gevaarlijk was om eens wat te wagen. Wie deed het niet tegenwoordig?… Onzin, om er je zoo benauwd over te maken. Als je maar voorzichtig bleef, voorzichtig … Hij vond er aardig baat bij, kwam er weer wat van in z’n financieel fatsoen, om zoo te zeggen. Jammer alleen, dat hij niet eens méér kon besteden …

Van Mieke’s kapitaaltje wilde hij hiervoor niets gebruiken … [251]ofschoon, kwaad kon ze er niet aan! Wanneer ze verloor zou hij natuurlijk uit eigen middelen ’t ontbrekende suppleeren.

Toen kwamen er langzamerhand slapelooze nachten, waarin kansen en winstberekeningen door z’n hoofd dansten als dronken duiveltjes, waarin hoop en angst elkaar begonnen te verdringen,—tot de roes der duiveltjes eindigde in een slap neervallen en zoowel de angst als de hoop verslagen werden door de zekerheid verloren te hebben, onherstelbaar,—en niet slechts het geld van zichzelf, doch ook dat van een ander … Het zweet brak hem uit, toen de waarheid hem duidelijk werd. Wat hemzelf betrof, dat redde zich nog wel,—maar Mieke! Op den duur, als hij Sophie en de kinderen tot bezuinigen dwong, kon hij met ’t kantoor ’t nog wel klaarspelen, maar tot stikkens benauwde hem het denkbeeld hoe hij zich tegenover het kind moest verantwoorden. Hij zag niet de flauwste kans het ontbrekende aangezuiverd te hebben vóór Januari. Stel, dat ze bij haar besluit bleef geheel zelfstandig haar eigen weg te gaan en haar eigen boel te bestieren! Iedere maand bracht hem nader tot die mogelijkheid … Misschien echter zou Sophie haar tot blijven overhalen, maar mocht dat, als dit tegen wil en dank werd bereikt? Mochten zij uit puur eigenbelang het meisje exploiteeren? Hoe zou z’n moeder dat gevonden hebben, en z’n broer, die hem altijd onvoorwaardelijk vertrouwden?… Strafbaar was hij zelfs!… Ontzettend, wat had hij er zich ingewerkt … Goedmaken bleek [252]een hersenschim. Met groote moeite slechts kon hij staande blijven.

En Januari kwam,—en het ontbrekende was níét gesuppleerd!


Reikhalzend had Mieke uitgezien naar den dag van haar verjaring, den dag, waarop ze wist vrij te zullen worden. Toen evenwel de beslissing gevallen was wist zij niet wat te doen. Zij schrok terug voor nieuwe botsingen en ook smartte het haar zeer, nu het erop aankwam, oom Egbert en Loes te moeten verlaten. Ze had nooit vermoed, dat dit haar zóóveel zou kosten, dat dit bijna opwoog tegen de wetenschap nu te kunnen gaan waarheen ze wilde. En nooit had ze geloofd, dat het vooral om oom Egbert zou zijn dat ze draalde haar wensch tot vertrekken kenbaar te maken. Hij was zoo veranderd, zoo stil en teruggetrokken. Zij geloofde hem ziek en had zoo’n medelijden met hem. Zij kwam in tweestrijd. Wat moest ze doen?… Al haar met zooveel moed opgebouwde plannen laten varen?… Ze voelde, hoezeer zij ’t noodig had onder den druk van dit gezin vandaan te komen, waar altijd haar gedachten, haar bewegingen, haar vreugde, haar heele persoonlijkheid aan banden lagen, waar ze loopen moest in het gareel, dat men haar aanwees … Ach neen, bepaald over iets te klagen had zij niet meer, maar toch, soms walgde het leven haar hier … Dan berekende ze ook weer het goede ervan: ze mocht nu toch immers haar brood verdienen! Was ze niet vrij?… Maar vrij zooals ze [253]het altijd gehoopt had?… Neen,—doch haar verwachtingen van die vrijheid zouden misschien óók teleurgesteld worden … Hiér echter had ze totaal geen verwachtingen meer; hier zou het nu altijd zoo blijven als ’t thans was, en begeerde ze dàt dan? Vrij, in den zin, zooals zij dat opvatte, werd ze hier niet, nóóit, nooit méér dan nu.

Zij wist niet wat te doen, zij wist het niet.

De verjaardag was reeds een maand voorbij en nog steeds had zij niets naders met oom Egbert besproken.

De kleine dametjes raakten ook in de war bij Mieke’s wankelmoedigheid … Ja, als ze er zóó tegenop zag te vertrekken wisten zij al niet wat ze raden moesten. Juffrouw Roosje meende echter: in ieder geval moest Mieke oom Egbert vragen haar in te lichten. Dan kwam men vanzelf tot meer positieve ideeën.

Toen schreef Mieke aan juffrouw Wije, en deze deelde juffrouw Roosje’s oordeel.

„Als je blijft, moet je blijven omdat je wilt of omdat het ergens noodzakelijk voor is,” schreef zij terug. „En dit dien je natuurlijk met jezelf uit te maken. Maar niets belet je met je oom te spreken en te vragen hoe de zaken staan. Dit moet je weten, zou ik zeggen, omdat je geen klein kind meer bent en je oom sterfelijk is. Dat zal hij je ook niet kwalijk nemen.”

Heelemaal gerust stemden zelfs juffrouw Wije’s woorden haar niet. Ooms verontwaardiging bij haar ook maar even aarzelend beroep op haar recht in [254]deze stond haar nog al te duidelijk voor den geest. Iets onverklaarbaars hield haar telkens terug erover te beginnen.

Tot onverwachts Olga radikaal den doorslag gaf.

Een middag bij haar moeder op bezoek zijnde, bracht zij het gesprek—expres?—op Mieke’s vroegere voornemens. Polste zij haar nichtje volgens tante Sophie’s verlangen?… Er kwam onwil in Mieke, als zoo menigmaal bij Olga’s niet steeds diskreet dringen in wat zij voor Mieke’s gedachtengang hield. Nooit ontzag zij fijner sentiment in ’t nichtje, altijd bleef er een wanklank in beider verhouding, voelde Mieke het beste in haar gekwetst, onpiëteitvol aangevat. Nog geheel onklaar met zichzelf nam, onder Olga’s vragen, haar willen gedurig vaster vorm aan, voelde zij weer duidelijk dien prikkel tot verweer, verkilde er iets in haar, dat haar stroef maakte en ontoegankelijk. Heur hart bonsde … Behóéfde zij dien killen meerderheidstoon van Olga nog te verdragen?… En ze antwoordde, de oogen neergeslagen, de gelaatsuitdrukking beheerscht: neen, ze bleef hier niet

Haar dralen werd opgeheven. Het groote woord was eruit vóór ze ’t wist. Duidelijk zei ze ’t: „Ik wil buiten een school zoeken. Ik wil mijn eigen weg gaan. Wat ik later zal doen weet ik nog niet, maar voorloopig wil ik eens heelemaal tot mezelf komen. Als tante het dus goed zou vinden, dat ik hier blijf tot ik iets gevonden heb …” [255]

Tante Sophie stotterde van boosheid.

„Dat … dat … is mooi!” riep ze. „Maar ik heb ’t wel geweten, hoe’n ondankbaar kind je bent, dat al onze goedheid verguist.” Ze hield niet op, ze had geen woorden genoeg om haar ergernis te luchten.

„Stil toch, mama,” kalmeerde Olga op haar bedaarde manier, „ik heb het u immers altijd wel gezegd, dat we haar liever niet in huis hadden moeten nemen.”

Wanneer er één geluidje van liefde had geklonken in beider woorden, Mieke zou gezwicht zijn en gebleven. Maar neen, geen zweem van begrijpen trof haar op de gezichten tegenover haar, geen sprankje sympathie maakte haar thans ’t harte week. Zij zag terug op een donker, eentonig verleden. En vóór haar lag noodend de nieuwe, blijdere koers, straalde het lokkend licht van een gulden, illusievolle toekomst,—ze zou gaan! vrij en zelfstandig … Het werd warm in haar en hoopvol en heerlijk; zij voelde zich enthusiast en moedig nu ze wist, éindelijk zeker wist!


Onmiddellijk bij z’n thuiskomst vroeg ze oom Egbert te spreken. Blijkbaar overvallen door dit verzoek schrok hij, zich dadelijk beheerschend, welwillend zeggend: „Mij spreken? Best, kind, tot je dienst. Vanavond dan,” hij kuchte, deed moeite opgewekt te schijnen. „Waarom zooveel plechtstatigheid?”

Even blikte ze verwonderd op bij den klank zijner [256]stem en overviel haar een gewaarwording van sterke terughouding. Maar zij dwong zich dapper te blijven om oom te kunnen overtuigen van haar rechtmatig, krachtig verlangen. Het gold haar toekomst!

Na den eten begaf oom Egbert zich naar boven. Tante Sophie, wier toespelingen den heer Van der Hoeve reeds duidelijk inlichtten over welk onderwerp Mieke hem te spreken wenschte, ging naar Olga om daar nog eens terug te komen op haar alleronaangenaamste ondervindingen. Loes was, als meestal tegenwoordig, naar haar hartsvriendin.

Het werd heel stil in huis.

Toen besloot ze, Oom Egbert een kop thee boven te brengen.

Toen besloot ze, Oom Egbert een kop thee boven te brengen.

Pag. 256.

Langen tijd bleef Mieke alleen in de huiskamer, overwegende of ze wachten zou tot oom haar riep dan wel zonder uitnoodiging te gaan … De minuten verstreken, men riep haar niet … Toen besloot ze oom Egbert een kop thee boven te brengen, en handelende als ze dacht, liep ze langzaam de trap op, met kloppend hart. Was het goed, wat ze doen ging: heur leven in eigen hand nemen, menschelijkerwijs gesproken?… Maar niet twijfelen nu! Hàndelen.

Zij klopte aan ooms kamerdeur.

„Binnen.”

„Uw thee, oom Egbert.”

„Dank je, Mieke. Ga zitten. Ik wachtte al op je.”

Zij voelde zich oogenblikkelijk ontwapend bij zijn vriendelijken toon en nam plaats. Rustiger ook werd zij. Oom scheen niet heftig of driftig, als laatst. Zou hij haar nu misschien beter begrijpen?

Ze nam hem eens op, terwijl een zwijgen de kamer [257]vulde, en de één het beginnen van den ander verwachtte. Hij zat half in de schaduw van het lamplicht, zoodat de lijnen van z’n gezicht, daardoor verdonkerd, nog meer deden uitkomen hoe zijn trekken verouderd waren in den laatsten tijd. Zenuwachtig streek hij met z’n hand over z’n voorhoofd. Haar medelijden ging weer met stroomen naar hem uit, en toch, hoe haar andere keeren ook aan ’t weifelen brengend, nu miste het totaal deze uitwerking. Integendeel, meer-en-meer voelde zij haar verlangen stabiliseeren, haar verlangen, dat zich uiten moest,—er mocht dan van komen wat wilde! Geen spoor van aarzeling behoefde ze op ’t laatst meer te bestrijden; nu ze eenmaal tegenover hem zat wilde en kon zij niet meer terug. Tè duidelijk sprak haar vrijheidsverlangen. Ze wilde haar eigen jonge leven leven; zij voelde er zich toe in staat om met nauwgezet zelfonderzoek er iets beters en nobelers van te maken dan wat zij er tot-nu-toe van gemaakt had onder voortdurenden druk, onder geheel anderen vorm dan waarnaar haar hart uitging.

Het duurde lang vóór zij goed-en-wel had uitgesproken, en oom Egbert vroeg zich af of dit meisje met heur warm gezichtje, stralend van hoop en leven, in wier glanzende oogen de vreugde blonk harer groote verwachtingen, of dit meisje de stille, bescheiden Mieke was, die zoo bedaard haar gang kon gaan en zoo zelden verried wat er in haar omging. Hij zag het: dit kind bond hij niet.

„Laat me hier blijven tot ik weet waarheen ik gaan [258]zal.” En ze herhaalde wat ze tante Sophie reeds zeide: „Ik wil voorloopig buiten eens tot mezelf komen. Dan ga ik daarna weer aan de studie … En, oom, ik wilde u verder verzoeken mij ook eens m’n positie te verklaren. Ik weet volstrekt niets van wat ik bezit. Als ik de wereld inga zal ik ook op den duur mijn eigen geld moeten leeren beheeren,—u is sterfelijk, zegt juffrouw Wije, en dat is zoo, nietwaar?”

Oom Egbert had onbeweeglijk naar haar geluisterd. Onafgebroken rustte z’n blik op haar gloeiend gezichtje. Geen spier op z’n gelaat vertrok, doch bij haar laatste woorden werd hij wit tot de lippen.

„Verlang je dat uitdrukkelijk?” vroeg hij eindelijk langzaam en met schorre stem.

Wederom in verwondering sloeg zij heur oogen op. Even week ze terug.

„Als … als u ’t tenminste wilt,” stamelde ze.

„Het is immers je recht,” zei hij scherp eensklaps. „Dat heb je laatst immers zelf gezegd.”

Zij stond verward. Maar ze kon zich spoedig herstellen.

„Wilt … wilt u het mij dan liever niet zeggen?” vroeg ze. Waarom verzette oom Egbert zich toch steeds zoo tegen dit verzoek?

„O, zeker, zeker. Maar wat zijn je beweegredenen tot die vraag?” onderzoekend en onrustig ging zijn blik.

Ze hàd dit immers reeds duidelijk gezegd? Maar ten overvloede herhaalde zij het, vervolgend: „Ik [259]weet, dat moeder grond had naast het land van Wije. Grootmoeder sprak er wel eens over.”

„Dat is indertijd allemaal verkocht.”

„En een klein boerderijtje …”

„Dat is ook verkocht.”

„Zou ik dan mogen weten hoeveel rente ik jaarlijks van dat geld krijg?”

„Acht honderd gulden ongeveer,” antwoordde hij, en er ging in hem om hoe, nu Mieke heen zou gaan, deze som niet slechts z’n gezin niet meer ten bate kwam, doch bovendien door hem aan haar zou moeten worden uitgekeerd. Weer parelde het zweet hem op ’t voorhoofd.

Zij wist, dat haar moeder niet onbemiddeld was geweest, doch deze som viel Mieke toch zeer mee. Had tante Sophie deze dus ontvangen? Zij vroeg dit niet, maar duidelijker zag ze nu in waarom tante zoo op haar blijven gesteld was, waar ze bovendien nog alles naaide en stopte en in de hand kwam zooveel tante wenschte. Mieke wilde niet ondankbaar worden en denken toch eigenlijk niet zooveel verplichting aan tante te hebben als deze voorgaf, maar bitter stemde haar de gedachte, de weer wondende zekerheid, dat het niet in ’t minst haar persóón was, die tante begeerde te behouden, slechts de voordeelen verbonden aan haar verblijf … O, het was goed, dat ze ging, ze zag het weer glashelder. Ze smachtte ernaar te gaan, waar men haar tegenwoordigheid ook om haarzelve begeerde. Loes hield van haar, zeker, en háár vriendschap was echt. Maar oom Egbert?… [260]Deed háár belang iets bij hem, haar ernstig willen?… Eéns ontstak hij in boosheid toen ze sprak van haar „recht”, ze zou het woord ook niet herhalen,—maar onthield hij het haar thans niet door haar tegen te werken, door zoo vreemd en terughoudend te doen in een zaak, die klaar was als de dag en waarover opheldering niet meer dan natuurlijk zou zijn?

„Ik zal je,” ging oom Egbert voort, heen-en-weer loopend nu, zichtbaar nerveus, „ik zal je ter gelegener tijd wel eens een afrekening sturen. Nu heb ik het zóó druk met allerlei … trouwens, dat beheer verschaft menige moeite …”

Zij volgde hem verwonderd in zijn loop. Zij voelde zich beklemd, nu hij weer zoo geheel tegenòver haar stond bij ’tgeen ze wenschte. Maar bij zijn spreken over de moeite bedacht ze, hoe ze veel liever haar bezit weer onder ’t beheer van den notaris op het dorp wilde hebben. Nu zou zij altijd op de vingers getikt worden, zou voortdurend tante Sophie aanmerkingen kunnen maken.

„Oom,” zei ze daarom, „als het u lastig is zal ik meneer Poort wel schrijven of hij m’n belangen weer wil behartigen.”

Met een schok stond oom Egbert stil.

„Wàt? Wàt?”

Zij herhaalde ’t.

„Ik wil niet, dat je hem schrijft!” viel hij uit, wederom onverwacht heftig.

Zij onthutste. [261]

„Ik meende …” stamelde zij.

„Ik verbied het je!” riep hij krachtig, z’n gelaat in één angst en ontroering.

Mieke week terug; een onheilspellend gevoel kwam over haar. Die angst, die ontroering, zij sidderde ervoor. Waarom gebood hij? Waarom doorflijmde haar het Joost weet waar opgevangen: „Die Van der Hoeve, die zoo’n leelijken klap heeft gehad aan de beurs …” Was het in de tram, dat ze dit hoorde, in ’t voorbijgaan op straat?… Ze wist het niet. Deze woorden vlogen echter met onweerstaanbare kracht door haar herinnering,—en zij zag zijn onbeheerscht, nu in heftige aandoening vertrokken gelaat.

„Oóm!” riep ze.

Hij wilde spreken, groot-doen, gewichtig-doen als altijd, breed, deftig,—maar hij zweeg, slikte.

Haar adem ging sneller.

„Oom,” zei ze schor,—en hij vroeg niet hoe ze ’t wist, hoe ze ’t kon begrijpen, begreep alleen dàt ze ’t wist,—„oom, zeg dat ’t niet waar is.” Ze kwam naderbij, legde heur hand op z’n arm.

Hij wilde glimlachen, maar z’n wit gezicht vertrok in een grimas; hij wilde weer spreken, maar zei niets dan: „Ja, ja … natuurlijk,” deftig, breed, maar als in trance, willoos.

Toen ging ze terug naar haar plaats en zat neer, geslagen. Ook oom Egbert ging weer zitten, en ze zag, hoe hij zich langzaam herstelde.

„Mieke,” begon hij. [262]

Zij luisterde met ingehouden adem, de handen krampachtig ineen.

„Ik … ik …” toen zweeg hij weer lang. Tot hij opnieuw opstond en naast haar kwam.

„Het … het is niet zóó vreeselijk, niet àlles … Er is nog een gedeelte … En ik zal het je teruggeven, dat begrijp je wel.”

Ze knikte.

„Natuurlijk zal ik het je teruggeven. Ik ben een eerlijk man.” Z’n stem werd vaster, z’n uitspraak duidelijker, z’n zinnen weer geformeerd. „Je schrijft het niet aan dien notaris, dat je wilt …”

„Neen,” schudde ze, ze zou het niet schrijven.

„Het komt in orde … heelemaal … Ik heb ’t niet gewild, Mieke, waarachtig niet; het kwam vanzelf … Ik heb altijd gedacht het nog wel te kunnen bijleggen, maar alles mislukte op ’t laatst.”

Ze begreep het wel, knikte maar.

„Al die groote uitgaven, Mieke, de laatste jaren … vooral sedert Olga met Bogaerts …”

„Ja, ja,” ze had het wel gezien.

„We zijn geen menschen van fortuin … en toch móést ’t altijd maar … Dan terugslag op ’t kantoor, de slechte, vreeselijk slechte tijden …”

Hij stond naast haar als een boeteling. Ze leed eronder … Weer ijsbeerde hij, ging opnieuw zitten, het hoofd op de hand gesteund … Stil werd ’t nu, doodstil.

Langzaam-aan omlijnde zich voor Mieke het gebeurde scherp. Zóó leed zij erdoor, dat zij zelfs physieke pijn voelde. Ze dacht aan de toekomst, aan [263]wat haar te doen stond, maar ze wist het niet … Toch heengaan en zien rond te komen van het kleine onderwijzers-salaris?

En wederom dwaalde haar blik naar den man tegenover haar, die haar zooveel desillusie berokkende. Kon ze hem aanklagen? Zij dacht er niet aan. Al haar medelijden en sympathie ging weer uit naar hem, die wanhopend in zelfbeschuldiging zichzelven verwenschte. Nooit was hij doortastend genoeg geweest, altijd half, laf, weifelend, te goedig misschien, nooit de man uit één stuk, wiens krachtige arm het stuur hield en wiens wakker beleid de zeilen reefde bij opkomenden storm … En ééns, vóór z’n huwelijk, was hij toch een flink en nobel man. Een wrak nu, geslingerd bij noodweer … Het was ver met hem gekomen, met hem, den zoon eener beste moeder!

Mieke sloot de oogen; tranen stroomden langs haar wangen. Arme oom Egbert, wat moest hij hebben geleden!… Zij herdacht Olga’s schitterende bruidspartij, al het vertoon van rijkdom en weelde,—schijn, schijn, schijn! Zij zag Olga, zooals ze, dezen middag nog, tegenover haar had gezeten, de voorname, gevierde mevrouw Bogaerts, wier ironische opmerkingen haar weer pijnlijk griefden, wier houding en gedrag haar steeds, onveranderlijk, een gevoel van minderheid en nietigheid gaven … Zij glimlachte, Mieke … Ach, nooit, nóóit zou Olga meer de macht hebben haar te vernederen. Had den eersten dag van haar verblijf in dit huis haar niet reeds instinktmatig het gevoel beheerscht, dat ze nu verklaren [264]kon, toen ze tot Loes zei: „Ik heb zoo’n medelijden met je zuster.” Datzelfde medelijden beheerschte haar ook thans. Zij voelde zich zoo hoog tegenover Olga, wier gansche geluk, al haar weelde en genot, Mieke nu zoo onwaar leek. Neen, nooit zou er een woord ter vernedering van de ander over haar lippen komen, zij wilde niet strijden met hetzelfde wapen, dat haar nicht steeds tegenover haar gebruikt had, het wapen van pijnigenden spot, ofschoon het Olga’s mateloozen trots zeker niet minder wonden zou dan eens haar, Mieke. Doch haar medelijden voor haar nicht zou wèl een pantser worden, waarop alle pijlen afstuitten, aan Olga’s boog ontsprongen. Ze wist, dat deze haar nimmer, nimmer meer konden bezeeren. Geen triomfgevoel beheerschte haar, maar toch wist ze op dit oogenblik zeker den strijd gewonnen te hebben,—voorgoed.

Zij stond op, kwam naast oom Egbert, zacht heur hand op z’n schouder leggend.

„Oom,” zei ze, „wil ik dan nog maar bij u blijven en zien om hier in de stad een vaste aanstelling te krijgen, tot alles weer in orde is?”

Hij greep heur hand. Tranen stroomden langs z’n wangen.

„Kind,” zei hij, „als je dat zoudt willen?”

Ze streelde zacht z’n haar.

„Stil nou maar,” zei ze, toen hij ’t uitsnikte, „ik weet immers wel, dat u het niet helpen kunt.” [265]

[Inhoud]

HOOFDSTUK XVII.

SLOT.

Mieke zag er slecht uit. Zelfs tante Sophie, die na Mieke’s besluit vernomen te hebben toch nog zoo’n beetje de verongelijkte bleef spelen, kon haar somtijds wel eens van terzijde opnemen, bezorgd voor een mogelijk herhaald ziek-worden.

Oom Egbert maakte zich zeer beangst, wanneer het hem opviel hoe down en lusteloos het meisje scheen. Wat hemzelf betrof, weer veel kalmer den laatsten tijd, verontrustte Mieke’s weggetrokken gezichtje, haar omkringde oogen, hem in hooge mate. Tante Sophie mocht vrij zijn bezorgdheid àl te overdreven vinden, hij bewees Mieke zijn genegenheid zóó onomwonden, dat Loes hem onlangs plagend vroeg: „Vadertje, vergeet je nu je eigen kind heelemáál om Mieke?”

„Ze is ook een kind van me,” zei hij ontroerd, Mieke’s bleeke wangetjes streelend, en Mieke had weemoedig geglimlacht.

Ondanks tegenstribbelen van tante Sophie bleek het oom Egbert ernst bezuinigingen in huis door te voeren en zegde hijzelf één der dienstmeisjes op, waarom mevrouw een week lang niet tegen mijnheer [266]sprak. Zij stond paf over zulk onbeschaafd despotisme, doch Egbert sprak haar zóó uitdrukkelijk over terugslag in zaken, dat zij ten slotte wel moest zwichten, al zuchtte zij daarbij de meest verongelijkte, ongelukkigste vrouw ter wereld te zijn. Gelukkig echter nu maar, dat Mieke bleef, anders zou ze werkelijk totaal in de war zijn geraakt.

Erik, in z’n laatste studiejaar, kreeg het consigne weer thuis te komen. Natuurlijk verzette hij zich, maar de heer Van der Hoeve bleek zijn zin te willen doordrijven, anders zou hij z’n zoon diens geheele toelaag moeten onthouden om de doodgewone reden, dat Erik’s levenswijze hem, voortgaande op deze manier, te kostbaar werd. Tante Sophie jeremieerde uit den treure en Erik liep met een woedend gezicht, maar meneer Van der Hoeve, hoe ook scènes en geklaag verafschuwend, had niet te kiezen: hij móést optreden en doorzetten.

Meer-en-meer trok hij zich op z’n kamer terug, en meer-en-meer ging ieder lid der familie sindsdien z’n eigen weg.

Tante Sophie, opmerkster genoeg om te bespeuren dat tusschen haar man en Mieke iets belangrijks besproken was, wenschte echter niet te visschen. Al vermoedde zij de reden, weten wilde zij niets. Zij had genoeg andere dingen aan haar hoofd en begeerde zich niet over Egbert’s zaken ook nog druk te maken. Dat Erik weer thuiskwam vond ze heimelijk niet ongeschikt. Het kostgeld van Mieke betaalde Egbert haar geregeld uit, dus per slot van rekening [267]had ze eigenlijk toch grootendeels haar zin gekregen, want Mieke bleef in de huishouding in de hand komen.

Maar Mieke fleureerde niet.

Een paar maanden verliepen weer. Het voorjaar kwam, en hadden oom Egbert en ook Loes gehoopt, dat tegen dien tijd zij wel weer zou opleven, het meisje werd integendeel steeds meer slapjes, down en lusteloos. Loes sleepte haar eens meer hier of daar naar toe, maar ’t werd niet het rechte met Mieke. Zij kwijnde. Ze deed alle moeite zich op te houden, maar het neersmakken harer illusies, den knauw dien haar groot vertrouwen had gekregen, hadden haar geestkracht op een zwaren proef gesteld. Alles wat zij de afgeloopen jaren doormaakte had ze blijmoedig trachten te dragen in het vooruitzicht ééns niet meer gebonden maar zelfstandig haar werk te kunnen beginnen naar den aard, dien ze liefhad,—nu had ze geen wenschen meer, en dat is moordend voor een jonge ziel. Voortleven als nu was ’t eenige, voortleven in een omgeving waar ze zich altijd misplaatst voelde, in een kring waar ze altijd on-thuis was, in een drukke, woelige stad, die haar nooit had gegrepen, hoe gaarne ze ook van haar gehouden had zooals bijvoorbeeld de dametjes Ravenhorst. Mieke’s hart, en vooral nu ze dit verlangen onbereikbaar wist, trok naar buiten, naar haar wijde velden, haar met riet omzoomde plassen, naar haar boomgaarden en de dieren in het veld … O, de menschen in de stad, zij zouden dat verlangen van haar nooit geheel [268]kunnen begrijpen! Ze konden het evenmin begrijpen als zijzelve in de jaren, toen ze nog buiten woonde en dit heimwee haar nog niet overmeesterde.

De stedelingen, moe van het jagen en streven het gansche jaar door, ontvluchten tegen den zomer bij drommen het stof der blakende stad naar bosschen en heide, en vinden daar, in landelijke rust, hun min-of-meer verstoord evenwicht terug, bewonderen de vergezichten en ademen met welbehagen in de frissche, onbesmette lucht. Zij zijn verrukt over het leeuwerikenlied, ze jagen kapellen na en versieren hun kleederen met bloemen. Maar zoodra de avonden langer worden en koeler, komt er over hen een gevoel van verveling, van zwaarmoedigheid, en zij herinneren zich hun comfortabele woning in de stad, zij denken aan de vele genoegens daarginds, aan plezier en gezelligheid, en zij beklagen de arme stakkers, die in zoo’n doodsche afzondering een groot deel van hun leven vegeteeren. De vuil geworden zomerjaponnetjes der dames worden weder ingepakt, de verschoten stroohoed wordt verwisseld voor „iets gekleeders”, en de stedelingen gaan naar hun stad weerom, vertellend, hoe heerlijk het buiten was, maar ook hoe „verduiveld saai” het er werd tegen ’t najaar.

Mieke’s verlangst naar buiten was van geheel anderen aard. Haar waren de velden even lief in den zomer als onder het dikke sneeuwkleed of bij eentonigen regenval. Haar lokten geen geurige rozen noch leeuwerikgezang; kapellen begeerde zij niet te [269]vangen en de betooverende vergezichten,—ach, met de bekoring ervan was zij eenmaal zóó vertrouwd geweest, dat geen sentimenteele bewondering haar daarvoor meer vervulde. Zij behoefde dit alles niet. Haar dorp, vroolijk en mooi, was niet rijk aan natuurschoon, en toch verlangde zij ernaar met onuitsprekelijk verlangen. Zij verlangde naar het onnoembare, dat ze er vinden zou, naar de hoogte en de wijdte, naar al datgene wat in haar kindsche jeugd rondom haar was geweest tusschen de weiden en de boomgaarden, naar de onbeschutte, winderige en zonnige wegen, naar den van zon blakenden, trillenden zomerhemel evenzeer als naar de grijze melancholie der eindelooze regenlucht. Zij verlangde te spreken zooals zij eenmaal sprak, met al die doodgewone menschen over doodgewone dingen. Zij wilde ontvluchten deze sleur van opgeschroefdheid, in het minst niet meer mooi willende doen. Misschien hadden de menschen in de stad gelijk. Dit was hun leven,—niet ’t hare echter. Zij waren er geworteld als zij daarginds. Hun leven kon waarschijnlijk niet anders geleefd worden dan zooals zij het leefden, omdat zij andere begeerten hadden, andere inzichten dan zij. Mieke verweet ook niemand iets,—maar zij hoorde hier niet thuis, zij wist het klaar, nooit zou ze hier heelemaal kunnen aarden. Zoo ze voorgoed terugkeerde naar het land zou ze wellicht blij zijn in de stad zooveel ondervinding te hebben opgedaan; nu ze wist hier te moeten blijven wonen, àltijd, werd die gedachte haar een marteling … O, vele harer vroegere [270]makkertjes zouden dit leven heerlijk vinden; zij kón het niet! Zij meende alles misschien anders gezien te zullen hebben, zoo ze hier meer liefde en meer eenvoud had gevonden, en dan herinnerde zij zich toch ook weer Loes’ hartelijkheid, de vriendschap van de dametjes, van sommige harer schoolkennisjes, en zij noemde zichzelve ondankbaar.

Maar het wilde niet wijken, dat snakken naar daarginds, zij kón haar verlangen niet overwinnen. Zij streed, maar ze won niet. Een nameloos heimwee maakte haar ziek. Haar moe-gestreden geestkracht gaf ’t op.

Oom Egbert liet den dokter komen, die bedenkelijk sprak van overspanning … Had het meisje soms sterke emoties gehad?… Oom keek ernstig, bevestigde dit … Zij moest eens, zei dokter, een poosje in afzondering naar buiten, in een geheel andere omgeving, hoogstnoodzakelijk.

Toen beriep oom Egbert zich op juffrouw Wije’s tot-nu-toe steeds genegeerde gastvrijheid.

Juffrouw Wije schreef een kort, maar hartelijk welkom aan haar jonge vriendin.

„Och,” zei ze tot Geert, „wat ben ik blij ’t lieve kind eens terug te zien. ’t Was altijd zoo’n zacht, behulpzaam hartje. Ze zal leelijke jaren gehad hebben, jongen, dat ze nou ziek weerom komt. We moeten haar maar gauw zien op te knappen.”


[271]

Eerlijk gezegd viel het allereerste weerzien juffrouw Wije een beetje tegen. Mieke was zoo’n dametje geworden, een echt stadsdametje. Al bleef men haar bij tante Sophie altijd „buitenachtig” noemen, juffrouw Wije hoorde en zag de verfijning van Mieke’s spraak en manieren, ze zag die in het dragen van haar kleeding, in kleuren-combinaties van japonnen en hoeden,—en in het eerst voelde zij zich eenigszins teleurgesteld. Was dit nog het eenvoudige, ongekunstelde meisje van eertijds, of zag zij nu van haar standpunt van jonge dame wat néér op het gewone, nederige harer vroegere omgeving, op het alledaagsche van de meeste dorpsmenschen? Kwam zij hier slechts genezing zoeken of was het ook de oude woonplaats, de herinnering, die trok?… Boerin Wije was er nog niet zeker van en ze hield zichzelve nog wat schuil, keek eerst een beetje de kat uit den boom.

Maar gaandeweg kwam herkenning, en al heel spoedig. Zij zag hoe ’t kind hing aan ieder en alles, deel uitmakende van haar jongste meisjesjaren en haar kindschheid. Zij zag hoe Mieke te midden van deze oude, bekende menschen en dingen herleefde, herleefde als een kwijnend plantje, dat te lang lucht en licht ontbeerde en nu verkwikt werd door zachten regen en warme zon. En juffrouw Wije begon al heel gauw heen te zien door den buitenkant, die, goedbeschouwd, eigenlijk toch nog eenvoudig genoeg was, alleen maar wat smaakvoller, moest juffrouw Wije zichzelve toegeven. Was dat te laken? ’t Lieve kind!… [272]Zij, de boerin, zou zich wel wachten haar te misprijzen omdat ze er een beetje mooier en fijner uitzag dan vroeger, ’t poppetje! Zij ontdekte al spoedig, dat het hartje nog even warm klopte als vroeger, en dàt moest men toch het voornaamste vinden nietwaar? Zij ervoer hoe het meisje gegroeid was naar den geest, hoe de ondervindingen der laatste jaren haar rijper en „menschelijker” (zooals ze ’t noemde) hadden gemaakt, al bleek zij ook niet zoo bestand te zijn om reeds gehéél ’s levens tegenstroom te kunnen trotseeren. Juffrouw Wije ontdekte Mieke’s ontwaakt begrip; haar eigen schranderheid trof in Mieke eene verwante. En haar lichte terughoudendheid gaf ze totaal prijs tegenover haar jonge gast, wijd opende zij—en met vreugde!—haar breed moederlijk gevoel voor het meisje, dat reeds als kind een lievelingetje van haar was geweest. Zij verwerkte het vele verzwegene bij Mieke’s verhalen over haar tegenwoordig leven, en zij gaf haar vol en vroolijk de vrouwelijke liefde, zorg en steun, welke ’t meisje zoo lang had ontbeerd en waarbuiten ze, voelde de boerin, het ten slotte niet langer had kunnen stellen … Juffrouw Roosje, ze mocht al zoo lief en geestig zijn als wat,—„God zegene haar,” zei de oudere vrouw—en juffrouw Mance, de brave ziel eveneens, zij gaven, zelfs met Loes erbij, juffrouw Mieke’s „hartje” niet wat deze noodig had: het volle begrijpen van haar verlangens.

Mieke’s gansche ziel ontplooide zich. Alle ondervonden zwarigheden leken haar terug te wijken in [273]een héél verre verte, werden zóó klein, dat zij zich somtijds afvroeg waarom zij zich toch zoo menigmaal zoo nameloos ongelukkig en eenzaam had gevoeld, zoo grenzeloos ontmoedigd, met zoo een klein geloof aan zichzelf, zoo hopeloos onbeduidend. Zoo licht werd het haar; als van een last bevrijd zong zij bij haar werk, schertste, lachte als van ouds, opgeruimd, blijmoedig, in ’t eerst tot haar eigen verwondering, allengs met onbekommerde argeloosheid. Zij hielp de boerin in huis en in de keuken en dikwijls ook in den tuin of bij de verzorging van de beesten. Zij karnde met plezier de boter voor ’t huiselijk gebruik en zong daarbij het hoogste lied. Zij streek mooier dan de juffrouw-zelf de vitrage gordijnen, die, na de schoonmaak waarbij ze hielp, zoo netjes hingen als zelden, en zij poetste der boerins zilver als een spiegel, dat het een lust was. Des avonds las zij dikwijls juffrouw Wije de mooie verhalen voor, welke ze had meegebracht. Dan zat Geert op het kantoortje de boeken bij te houden, want er viel heel wat te administreeren op de groote boerderij; de boekhouder kwam slechts ééns per week uit de stad.

Juffrouw Wije vond het heel gezellig, terwijl zij zat te breien, het meisje te hooren voorlezen. Soms ook bespraken zij het gelezene, of, als dominee Rensen kwam, gingen de onderwerpen dieper over godsdienst en levenswijsheid, en het kleine, vrome filosoofje, dat in Mieke school, luisterde gretig naar zijn rustige, doorleefde overtuiging, naar juffrouw Wije’s [274]soms geestige, klare oppositie of naar haar hartelijke instemming. Bij zacht weer kon men somtijds al buiten zitten, hoewel ’t nog voorjaar was. Dan genoot Mieke, wenschte ze innig hier nooit weer weg te hoeven.

Het werd een heerlijke, wondere tijd voor haar, de weken op de boerderij. Al haar levenslust en levenskracht voelde zij terugvloeien in ziel en lichaam.

Maar toen kwamen de brieven van huis … Wanneer zou Mieke terugkeeren? Hoe dacht dokter Bos daarover? Meende hij, dat Mieke nog niet geheel hersteld was? In dat geval kon ze natuurlijk nog blijven, schreef oom Egbert vriendelijk, maar anders …? Mocht ’t haar plan soms zijn tot na de zomervacantie te blijven en dan meteen weer aan ’t werk te gaan, oom zou het tante zeggen en gaf permissie. Maar wel moest ze bedenken, dat ze niet àl te veel van juffrouw Wije’s gastvrijheid mocht vergen.

„Blijf gerust tot na de vacantie, lieverd”, zei de boerin spontaan en hartelijk, „zoolang je wilt, hoor.”

En de weken gingen … Mieke werd stiller en meer in zichzelf gekeerd; haar hoogste lied werd slechts geneurie, en op den duur zweeg het zelfs geheel. Zij werd onrustig.

De boerin deed moeite haar op te beuren en Mieke trachtte zich groot te houden, maar haar opgewektheid werd geveinsd; een beklemdheid overviel haar zoodra ze van heengaan sprak.

Ook Geert werd onrustig. Wat was het, dat hem [275]beheerschte, zoodra hij dacht, dat haar plaats aan tafel ledig zou wezen? Zij bracht zooveel gezelligheid in huis, je kon zoo aardig met haar praten. Geen enkel meisje uit heel den omtrek trok hem zóó … Zij was handig en arbeidzaam, huishoudelijk en vroolijk, maar—ook een dame, geen boerin. Ze zou nooit een boerin worden, daarvoor was ze veel te fijn en te tenger … Ze hing aan haar geboorteplaats, aan al het overbekende hier, maar zou zij, gewend als ze thans was in de vroolijke, drukke stad, hier ook weer aarden op den duur? Zou ze niet terugverlangen?… Daarginds (het bloed vloog Geert naar de wangen) daarginds had ze jongelui ontmoet als dien neef van haar,—en hij was maar een boer. Hij ontving goed onderwijs, behoefde zeer zeker niet onder te doen voor haar in ontwikkeling, maar ze zag hem het meest op klompen, al haastte hij zich ook, sedert ze hier logeerde, zoo gauw hij met den arbeid klaar was, die voor z’n leeren pantoffels te verwisselen, z’n werkpak voor ’t nettere colbert … Maar kom, en hij gaf z’n gedachte een duw, dwaasheid! wat haalde hij zich in ’t hoofd?… Hij zag echter nog niet verder dan z’n moeder in de eerste dagen van Mieke’s verblijf op de hoeve. Hij zag nog niet heen door Mieke’s uiterlijke verandering; dat had hij, toen hij haar in tante Sophie’s huis bezocht, ook niet gedaan. Hij ondervond slechts haar bekorenden invloed en verzette zich ertegen, meenende dat zij niet tot beider geluk kon leiden. Haar aardig figuurtje, haar vriendelijk, lief gezichtje bewonderde hij met eerbied, haar ongekunstelde [276]zachtheid boeide hem ongemeen, doch deze vormden tegelijkertijd onoverkomelijke bezwaren. Zou zóó’n meisje van hèm kunnen houden, grooten, groven, doodgewonen jongen?… Hij moest niet toegeven aan zulke bespottelijke gevoelens. Hij moest flink zijn en haar ontwijken, zooveel mogelijk, niet sentimenteel en mal doen, maar als een man die dwaasheid overwinnen.

Mieke ontging z’n teruggetrokkenheid niet. Begon het hem te vervelen, dat ze zoolang haar anker neerlegde in z’n huis? Vond hij haar onbescheiden worden, indringerig?… Dit idee beangstigde haar, deed ook haar zich meer terugtrekken. Evenals vroeger zag ze nog altijd tegen hem op. Hem ziende in zijn volle kracht en ijver, met montere werklust en in het kundig beheer zijner rijke bezitting, voelde zij zichzelve maar minnetjes, een arm, simpel onderwijzeresje. Wat was haar weinigje kennis naast zijn vruchtbare praktijk, zijn doorzicht, zijn produktief maken der prachtige plaats! Zij vergeleek haar eigen geploeter der laatste jaren met zijn zuivere levensrichting … Ach, ook hier op ’t dorp zou veel verkeerds te overwinnen zijn, veel plompheid en begriploosheid, maar toch, aan hier hing heur hart! Wanneer ze hier nooit zou zijn vandaan gegaan, zou haar nooit dit gevoel van gehechtheid beheerscht hebben. Nu was ze er opnieuw teruggekeerd als een mensch, die lang van huis is geweest en bij het weder betreden zijner woning deze wel anders terugvindt met veel leelijks, dat hem vroeger niet deerde, met veel verweerds, dat [277]diende te worden afgebroken, maar er hervindend het oude vertrouwde en veel geliefde, dat nergens ter wereld zóó je overtuigde, zóó je blij-doortrilde als juist daar, en zei: „Hier ben je thuis.”

Maar de dagen gingen en ten slotte moest toch het uur van vertrek worden vastgesteld. Een onoverkomelijke tegenzin beving Mieke bij het zeker-weten nu terug te moeten.

„Zou je zoo graag op ’t dorp willen blijven, m’n kind?” vroeg juffrouw Wije, ziende Mieke’s betrokken gezichtje.

„O, zoo graag,” antwoordde zij met hetzelfde weemoedig trekje om den mond, denzelfden blik in de oogen als toen zij kwam.

Juffrouw Wije keek haar eens onderzoekend aan, dacht het hare,—maar zweeg. Even vloog een glimlachje over haar prettig gezicht, dat het een oogenblik wel heel erg ondeugend maakte.

„Nou, meid,” zei ze, „je moet je er niet naar om maken, hoor. ’t Volgend jaar kom je weer. ’t Is ons beiden wel bevallen, is ’t niet?”

„Ja,” zei Mieke, „heel wel.”

Geert, die ook in de kamer zat, stond op en ging de deur uit; hij vergat z’n pijpje, wat een wonder was. Hij wandelde langzaam het erf rond en bleef aan het vóórhek staan om in gedachten verdiept, de handen op den rug, de wazige weiden af te turen, die lagen aan den overkant van den weg, dampend, na een warmen dag, in den zoelen zomeravond. Langen tijd stond hij stil, tot hij, in gepeins nog steeds, [278]terugliep en zitten ging, den rug gebogen, de handen slap tusschen de knieën, op de bank vóór ’t huis, onder de ramen der huiskamer.

„Wel,” sprak juffrouw Wije, nadat het een poos stil bleef in het schemervertrek, waar de lamp nog niet ontstoken was, en waar de beide vrouwen nog zwijgend na Geert’s heengaan bij elkander zaten, „wel, ’t wordt knapjes donker zou ik zoo zeggen.”

„Wil ik licht maken?” vroeg Mieke, opschrikkend van de stem in de stilte.

„Och neen, ’t is nog rijkelijk vroeg en ik heb wel zin in een slaapje … Maar ’t is zoo lekker in den zomeravond buiten, en je bent hier nog maar kort. Ga wat op de bank zitten, meid.”

Een gloeiend rood overtoog Mieke’s gezichtje.

„Ik zit hier best,” antwoordde ze. „Gaat u gerust een beetje slapen.”

„Kom, kom, ga toch, kind. ’t Is mij wat frischjes, maar jij hebt jong bloed. Ga nog een luchtje scheppen, en als je dan weer binnenkomt gaan we naar bed.”

Aarzelend rees Mieke op. Stil ging zij de kamer uit en de gang door, tot ze staanbleef aan de voordeur.

„Ziezoo,” zuchtte de boerin, toen ’t meisje vertrokken was, en wederom overtoog een schalksch lachje haar oolijk gezicht, „nou moeten ze maar zien hoe ze ’t verder klaarspelen. Zóó gaat ’t niet langer. Als ’t toch den jongen z’n zin is, waarom zal ’t [279]dan niet? En zij màg hem … Zonder hulp komen de kinderen er nooit.”

Geert had Mieke in ’t eerst niet bemerkt en stil bleef ze, vol vrees, dat hij haar ontdekken zou. Maar dit kon niet uitblijven … Zou hij denken, dat ze hem naliep?… Zij maakte een onwillekeurige beweging en eensklaps hief hij ’t hoofd, schrok, ontroerde.

Doch hij beheerschte zich. „Zoo,” zei hij, „ben je daar, meisje?”

„Ja,” antwoordde ze haastig en als verontschuldigend, „juffrouw Wije zei, ik moest nog maar eens in den mooien avond gaan; het is nog maar kort, dat ik hier ben.”

„Dat ’s goed. Kom zitten, Mieke,” en hij schikte wat op, op de bank.

Zij nam plaats een eind van hem af, de handen in den schoot slap gevouwen.

In komenden avond lag geheimnisvol de thans volgroeide zomertuin. De kleuren van den dag waren verdoezeld in grijs en zwart. Met volle helderheid teekende het fijne maansikkeltje boven de weiden haar zilver silhouet. Nauw bewogen werd het loover door den zachten zomerwind.

Zwijgend bleven Geert en Mieke. Zij zaten zoo lang, héél lang, en Geert wist duidelijk, dat hij het nooit aan Mieke zou durven vragen of ze bij hem wilde blijven als z’n vrouw. En Mieke wist, dat zij het nooit zou durven toonen, hoe gaarne, hoe zielsgaarne ze nooit weer van hem weg zou gaan. [280]

En de stilte om hen en de zomeravond werd één verlangend lied.

Toen gebeurde het … Of neen, het gebeurde niet, het kwam vanzelf. Het werd een deel van ’t lied, waartoe ook zij behoorden.

Hij had ’t hoofd opgericht, ter zijde, nauwelijks merkbaar, doch zóó dat hij de jonge gestalte naast zich beter waar kon nemen. Geen trek op haar gezichtje bewoog, geen haartje trilde, heur gevouwen handen in den schoot bleven roerloos. Doch heur oogleden schaduwden dieper over de oogen bij zijn zijdelingschen blik, en langzaam overtoog heur gezichtje een gloeiende blos.

Toen scheen het of ze plots onrustig werd. Met een korte beweging hief ze ’t hoofd op en met een schok zagen ze elkander in de oogen. Schuw trokken Mieke’s schoudertjes naar achteren, en weer overschaduwden heur wimpers diep den nederwaartschen blik.

Maar in Geert brak iets open, daverende vreugde! Snel wendde hij zich tot haar, legde z’n groote, sterke hand op de handjes in heur schoot.

„Mieke,” zei hij, terwijl hij haar vol aanzag, te ontroerd om verder te spreken, te beschroomd nog om haar te kussen.

En op dat oogenblik werd behoedzaam het ondergordijntje in de voorkamer ter zijde geschoven, om juffrouw Wije gelegenheid te geven beter in den duisteren tuin te kunnen zien: de kinderen bleven nu toch wel héél lang buiten … Maar toen ze gevonden had, wie ze zocht, toen deed ze de gordijntjes maar [281]weer zoetjes dicht en hernam haar vorig plaatsje in den breeden leuningstoel bij de groote, ronde tafel, de voeten op een hooge stoof, de handen in rust over elkaar, glimlachende, doch met tranen in de oogen,—wachtende tot de kinderen weder zouden binnenkomen.

EINDE.

[283]

[Inhoud]
[Inhoud]

Oorspronkelijke rug.

Colofon

Codering

Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.

Documentgeschiedenis

Verbeteringen

De volgende 71 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:

Bladzijde Bron Verbetering Bewerkingsafstand
31 Om Oom 1
35 bizonders bijzonders 1
43 vrindelijk-raak vriendelijk-raak 1
44 taillor-made tailor-made 1
53 consessie concessie 1
54 egoistisch egoïstisch 1 / 0
57 langzaamaan langzaam-aan 1
58, 128, 132, 138, 143, 179, 219 bizonder bijzonder 1
65 alijd altijd 1
75 triomfankelijk triomfantelijk 1
78 uitdrukkinglooze uitdrukkingslooze 1
78 Steriotiepe Stereotiepe 1
81 kleindochterje kleindochtertje 1
85 hoorhaar hoorbaar 1
88 [Niet in bron] 1
94 .. . 1
102 Wat Was 1
109 .. 1
115, 198, 199 [Verwijderd] 1
122 . , 1
123 , . 1
127 , [Verwijderd] 1
135 reaktie reactie 1
144 bizonderheden bijzonderheden 1
147 Rytmisch Rythmisch 1
150 kerstvakantie kerstvacantie 1
150, 156 vakantie vacantie 1
151 studenten-vakantie studenten-vacantie 1
152 immiteeren imiteeren 1
161 lachende Lachende 1
162 mischien misschien 1
166 modieuse modieuze 1
174 proceleinkast porceleinkast 2
176 melodieusen melodieuzen 1
179 Bogaert’s Bogaerts’ 2
179 wat was 1
197 luchen luchten 1
203 steriotiep stereotiep 1
204 vor voor 1
206 watar waar 1
206 niemand iemand 1
207 eerst [Verwijderd] 6
207 geaprecieerd geapprecieerd 1
208 Asschepoetster Asschepoester 1
211 gestikuleerend gesticuleerend 1
216 niets niet 1
226 aprecieer apprecieer 1
229 ander anders 1
232 nerveuse nerveuze 1
233 luxueuse luxueuze 1
234 luxueusen luxueuzen 1
238 Flirte Flirtte 1
238 onuitwisbaar onuitwischbaar 2
239 hingehtst hingehst, 2
240 gesteld gestel 1
246 funktie functie 1
249 geeischt geëischt 1 / 0
267 onthuis on-thuis 1
268 zijvelve zijzelve 1
268 confortabele comfortabele 1
269 ontvulchten ontvluchten 2
272 Wije’s Mieke’s 3